Identificatieplicht

Published:

Identificatieplicht

De afgelopen jaren wordt er veel gediscussieerd over de veiligheid in Nederland. Om de veiligheid te bevorderen in Nederland is de identificatieplicht ingevoerd bij wet op 1 januari 2005.

Iedereen ouder is dan 14 jaar en onder bepaalde voorwaarden 12 jaar in het openbaar vervoer moet altijd een geldig identiteitsbewijs bij zich dragen.

Dit legitimatiebewijs moet op eerste vordering ter inzage getoond worden wanneer een bevoegd ambtenaar daarom vraagt.

Daarmee kan iemand zich identificeren en/of zich legitimeren. Identificeren en legitimeren betekent eigenlijk het zelfde; bewijzen dat je de persoon bent voor wie jij je uitgeeft.

Dat heeft naast misschien nadelen in ieder geval één groot voordeel;

Diegene die bijvoorbeeld wordt staande gehouden en naar voornaam, achternaam, adres, geboortedatum- en plaats wordt gevraagd kan minder makkelijk een valse naam opgeven, want hij/zij moet zijn of haar identiteitsbewijs tonen.

De identificatieplicht betekent voor jij je in bepaalde situaties moet kunnen identificeren.

Lady using a tablet
Lady using a tablet

Professional

Essay Writers

Lady Using Tablet

Get your grade
or your money back

using our Essay Writing Service!

Essay Writing Service

Dat geldt ook als je een bankrekening wil openen (artikel 3 Wet identificatie bij dienstverlening), of bij het aanvragen van een uitkering en/of als je in dienst treed bij een nieuwe werkgever. Verder als je zwart rijdt in het openbaar vervoer ( bij zwartrijden vanaf 12 jaar, hier geldt artikel 92 van de Wet personenvervoer**)

Maar ook bij bijvoorbeeld een bezoek van een concert of voetbalwedstrijd.

De identificatieplicht houdt geen draagplicht in. Er is alleen een toonplicht.

Maar wat je niet bij je draagt kun je ook niet makkelijk tonen, dus dat betekent dat je een identificatiebewijs altijd op zak moet hebben.

** Artikel 92 Wet personenvervoer

De reiziger die de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht op de eerste vordering van de artikelen 87 en 89 bedoelde ambtenaren en personen die hebben vastgesteld dat de reiziger heeft gehandeld in strijd met de artikelen 70 of71, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden.

Artikel 70 Wet personenvervoer

1. Het is verboden zonder hiervoor geldig vervoerbewijs gebruik te maken van het openbaar vervoer, alsmede, voor zover de vervoerder zulks duidelijk kenbaar heeft gemaakt, van de daartoe behorende voorzieningen.

2. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing in de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen.

Artikel 71 Wet personenvervoer

Het is verboden een onbevoegd gewijzigd of anderszins bewerkt vervoerbewijs te gebruiken, een vervoerbewijs te misbruiken of de controle van vervoerbewijzen te belemmeren of te verhinderen.

Toonplicht

Artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht zegt; Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is verplicht op de eerste vordering van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8a van de Politiewet, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 ter inzage aan te bieden.

Deze verplichting geldt ook indien de vordering wordt gedaan door een toezichthouder.

Als de wetgever voor een draagplicht en een toonplicht had gekozen dan zou de politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd zijn geweest zonder enige reden mensen aan te spreken alleen en uitsluitend om hun identiteit te controleren. Dat is niet het geval.

Er moet wel degelijk een aanleiding zijn.

De aanleiding

De identificatieplicht geeft de politie of andere genoemde opsporingsambtenaren niet de bevoegdheid om zomaar, zonder aanleiding of reden, mensen staande te houden om hun identiteit te controleren.

Er moet een concrete aanleiding of concrete reden voor zijn. Het verzoek om identificatie moet nodig zijn voor de uitvoering van de taken van de politie, bijvoorbeeld het handhaven van de openbare orde, bij hulpverlening, of de opsporing van strafbare feiten.

Toezichthouders hebben dezelfde bevoegdheden als de politie om naar het identiteitsbewijs te vragen.

Onder toezichthouders wordt verstaan; de ambtenaren die zorgen voor de naleving van bepaalde wet en regelgeving. Bijvoorbeeld; een boswachter (BOA), ambtenaren bij de douane, parkeerpolitie, inspecteur van bouw- en woningtoezicht of de belastinginspecteur.

Wat is bijvoorbeeld een aanleiding?

* Als iemand wordt verdacht van een eenvoudige mishandeling op straat

* Bij de ontruiming van een kraakpand, waarbij gevochten is met de ME.

* Bij grote evenementen als concerten of voetbalwedstrijden, maar ook bij demonstraties waarbij rellen zijn ontstaan.

* Bij overlast of onrust in uitgaansgebieden, bijvoorbeeld het centrum van een stad, waarbij ordeverstoringen plaats vinden en gevaar is voor geweld.

Lady using a tablet
Lady using a tablet

Comprehensive

Writing Services

Lady Using Tablet

Plagiarism-free
Always on Time

Marked to Standard

Order Now

* Er heeft een schietincident plaats gehad op straat of in een discotheek of café. Dan is het belangrijk en relevant in het belang van het onderzoek om van omstanders (mogelijke getuigen)de identiteit vast te stellen

Wat mag gebruikt worden als legitimatiebewijs?

Een paspoort, een ID-kaart, een geldig Nederlands rijbewijs* of een geldig bromfietsrijbewijs, een vreemdelingendocument of een artikel 9 brief

Vreemdelingen die nog in de procedure lopen en nog geen vreemdelingendocument hebben of dat document zijn verloren, krijgen van een brief waarin staat dat zij rechtmatig in Nederland verblijven.

Dit wordt ook wel een artikel 9 brief genoemd.

De artikel 9 brief voldoet aan de identificatieplicht ten overstaan van de genoemde ambtenaren.

* Voor Nederlanders en niet- Nederlanders geldt dat het Nederlands rijbewijs niet in elke situatie een geldig identiteitsbewijs is. Dit komt omdat op het rijbewijs de nationaliteit niet wordt vermeld.

Een kopie van het paspoort, de ID-kaart, het rijbewijs of het vreemdelingendocument kan niet worden getoond en gebruikt als een geldig identiteitsbewijs.

Omdat alle echtheidskenmerken die in en op deze originele document en zijn aangebracht niet kunnen worden gecontroleerd op een kopie van een dergelijk document.

Wie is bevoegd tot vorderen inzage?

Artikel 8a Politiewet

1. Een ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak.

2. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 142, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn taak.

3. Gelijke bevoegdheid komt toe aan de militair van de Koninklijke marechaussee, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn politietaak, bedoeld in artikel 6, eerste lid, en aan de militair van de Koninklijke marechaussee of van enig ander onderdeel van de krijgsmacht die op grond van artikel 58, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 59, eerste lid, bijstand verleent aan de politie.

Dus op eerste vordering tonen aan politieambtenaren (art. 141 WvSv), buitengewoon opsporingsambtenaren (art. 142 WvSv) en ambtenaren van de Koninklijke marechaussee, voorzover redelijkerwijs noodzakelijk voor de uitoefening van de politietaak of van enig ander onderdeel van de krijgsmacht die op grond van artikel 58, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 59, eerste lid, bijstand verleent aan de politie.

Met taak worden hier de politietaak bedoeld, dus de handhaving van de openbare- en strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en het uitoefenen van toezicht.

De identificatieplicht is niet beperkt tot getuigen, aangevers, slachtoffers, vreemdelingen en melders, maar ook tot de verdachte.

In het proces-verbaal moet niet alleen de bevoegdheid tot het vorderen van een identiteitsbewijs worden vermeld op grond van één van de bovengenoemde taken.

Het proces-verbaal moeten heel duidelijk de feiten en omstandigheden, alsmede de aanleiding vermelden op grond waarvan de opsporingsambtenaar het noodzakelijk vond de inzage van een identiteitsbewijs te vorderen.

Conducteurs

Conducteurs in het openbaar vervoer, bijvoorbeeld in de trein zijn vaak BOA-OV (buitengewoon opsporingsambtenaar openbaar vervoer) en derhalve bevoegd de strafbare feiten van de wet personenvervoer op te sporen.

Strafbaarheid en boete

Het niet op eerste vordering ter inzage tonen van een identificatie- of legitimatiebewijs is strafbaar gesteld in artikel 447e Wetboek van Strafrecht

De tekst;

Hij die niet voldoet aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd bij artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht , wordt gestraft met geldboete van de tweede categorie.

Als je geen origineel en geldig identiteitsbewijs kunt of wilt tonen ter inzage ben je dus strafbaar. Je krijgt dan hoogstwaarschijnlijk een boete.

Dit staat in de Wet op de uitgebreide identificatieplicht.

Overtreding van dit artikel wordt bestraft met een transactie van het openbaar ministerie voor volwassenen is dat € 60,- en voor jeugdigen van 14 tot 16 jaar, de helft, dus € 30,-.

Categorieën en maximale geldboetes per 1 januari 2010

Eerste categorie € 380

Tweede categorie € 3.800

Derde categorie € 7.600

Vierde categorie € 19.000

Vijfde categorie € 76.000

Lady using a tablet
Lady using a tablet

This Essay is

a Student's Work

Lady Using Tablet

This essay has been submitted by a student. This is not an example of the work written by our professional essay writers.

Examples of our work

Zesde categorie € 760.000

Toezichthouder

Voor ambtenaren die toezicht moeten houden op de naleving van bepaalde wetten geldt een beperking, namelijk dat de vordering om het identiteitsbewijs te tonen, moet passen binnen de bevoegdheid en uitoefening van hun functie.

Voorbeeld;

Een belastinginspecteur mag een fietser die door rood licht heeft gereden niet staande houden en een legitimatiebewijs ter inzage vorderen.

Het staande houden van mensen die een verkeersovertreding plegen behoort niet tot de taak van een belastinginspecteur. Die moet belastingaangiften controleren en aanslagen opleggen.

Ook een toezichthouder van de Autoriteit Financiële Markten mag aan iemand die zomaar afval op straat dumpt, geen vordering ter inzage doen.

Conducteurs van bijvoorbeeld de Nederlandse Spoorwegen (NS) en controleurs van andere openbaar vervoersorganisaties zijn daarentegen vaak buitengewoon opsporingsambtenaar en hebben de bevoegdheid om aan zwartrijders een identiteitsbewijs te vragen.

Een buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA) draagt vaak een uniforme en daarbij een insigne. Dat maakt de BOA duidelijk herkenbaar.

Opsporingsambtenaren hebben in ieder geval allemaal een legitimatiebewijs met pasfoto, waarop de persoon en het feit dat hij/zij BOA-bevoegd is te zien is.

Je mag ook altijd de politieambtenaar (vooral in burger), de toezichthouder of de conducteur vragen om zijn of haar legitimatiebewijs. Ook zij moeten kunnen aantonen dat ze zijn en de bevoegdheden hebben waarvan ze gebruik gaan maken.

De verdachte

De verdachte hoeft op geen enkele wijze mee te werken aan zijn/haar eigen veroordeling. Maar hoe zit dat dan bij de identificatieplicht?

Wie die zich niet conform artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht niet kan identificeren en op eerste vordering geen geldig identificatie- legitimatiebewijs kan tonen, maakt zich schuldig aan een strafbaar feit, genoemd in artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht.

Het plegen van het strafbare feit maakt je dus verdachte en dan zijn ook de bevoegdheden die het Wetboek van Strafvordering kent van toepassing om de identiteit van een verdachte vast te stellen.

De aanleiding voor de vordering is hier wel belangrijk.

Bij het plegen van een ernstig misdrijf zullen de dwangmiddelen eerder worden toegepast dan bij rijden zonder helm..

Als de identiteit van de verdachte met gebruikmaking van andere middelen, dus niet op basis van een geldig document, bijv. rijbewijs, paspoort, ID-kaart of vreemdelingendocument kan worden vastgesteld, dient de toepassing van dwangmiddelen achterwege te blijven. Dit is ter beoordeling van de algemeen- of buitengewoon opsporingsambtenaar.

Bevoegdheden en dwangmiddelen om identiteit vast te stellen

* De bevoegdheid van art. 55b, eerste lid Wetboek van Strafvordering om een staande gehouden of aangehouden verdachte met het oog op de vaststelling van de identiteit naar diens SOFI- of Burgerservicenummer nummer te vragen

* De bevoegdheid van art. 55b, tweede lid, Wetboek van Strafvordering om een staande gehouden of aangehouden verdachte met het oog op de vaststelling van zijn identiteit aan zijn kleding te onderzoeken of voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken;

* De mogelijkheid om met maximaal zes uur de termijn te verlengen voor ophouding voor onderzoek met het oog op het vaststellen van de identiteit ( art. 61, tweede lid, Wetboek van Strafvordering )

· De in art. 61a, eerste lid, onder a en b, Wetboek van Strafvordering genoemde maatregelen in het belang van het onderzoek, te weten het maken van fotografische opnamen of video-opnamen, het nemen van lichaamsmaten en het nemen van vingerafdrukken.

Opportuniteit

Wie zich niet middels een geldig legitimatiebewijs legitimeert (identificeert) op eerste vordering van een opsporingsambtenaar , maakt zich dus schuldig aan het strafbare feit zoals genoemd in artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht.

Maar is dat altijd zo. Er zijn misschien wel omstandigheden te bedenken, waarin niet aan de toonplicht is of kan worden voldaan, maar waarin het niet opportuun is om die persoon te vervolgen voor het niet tonen op eerste vordering conform artikel 447 e van het Wetboek van Strafrecht. Bijvoorbeeld bij een onwel persoon of een verwarde of geestelijk gestoorde persoon.

Wat daarbij belangrijk is, is de ernst of het belang van de actie van de (opsporing)ambtenaar, de hoedanigheid van de betrokken persoon (verdachte of niet bijvoorbeeld) en het vervolg van het incident.

Dan moet de ambtenaar afwegen wat het risico is dat de identiteit niet op basis van een geldig legitimatie- of identiteitsdocument is vastgesteld.
Wet identificatieplicht

Artikel 1

1. Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen:

1°. een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g, of tweede lid, van de Paspoortwet;

2°. de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie;

3°. een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit;

4°. een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 of een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is, zolang de bij de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde termijn van geldigheid in Nederland niet is verstreken, aan de houder geen administratieve maatregel bedoeld in paragraaf 9 van hoofdstuk VI van de Wegenverkeerswet 1994 is opgelegd of aan hem niet de bijkomende straf bedoeld in artikel 179 van die wet is opgelegd en mits het rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder.

2. Onze Minister van Justitie kan, al dan niet voor een bepaald tijdvak, andere dan de in het eerste lid bedoelde documenten aanwijzen ter vaststelling van de identiteit van personen.

Toonplicht

Artikel 2

Een ieder die de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, is verplicht op de eerste vordering van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8a van de Politiewet 1993, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 ter inzage aan te bieden. Deze verplichting geldt ook indien de vordering wordt gedaan door een toezichthouder.

Artikel 55b1

De bij of krachtens art. 141 aangewezen ambtenaren alsmede bepaalde door Onze Minister van Justitie aangewezen categorieën van andere personen, belast met de opsporing van strafbare feiten, zijn bevoegd met het oog op de vaststelling van de identiteit van de staande gehouden of aangehouden verdachte te vragen naar diens SOFI- nummer (Burger Service Nummer).

2 De ambtenaren bedoeld in het eerste lid zijn voorts bevoegd een staande gehouden of aangehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit.

3 Zij oefenen de bevoegdheden bedoeld in het tweede lid alleen dan in het openbaar uit, indien dit redelijkerwijs noodzakelijk is om wegmaking of beschadiging van voorwerpen waaruit de identiteit van die verdachte zou kunnen blijken, te voorkomen.

4 Van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, maken zij proces-verbaal op, dat aan de officier van justitie ter beschikking wordt gesteld.

5 De met toepassing van het eerste of tweede lid verkregen informatie over het sociaal-fiscaal nummer van de verdachte wordt uitsluitend gebruikt voor de raadpleging van de basisadministratie persoonsgegevens ter verificatie van de identiteit van die verdachte en wordt na raadpleging van de basisadministratie persoonsgegevens vernietigd.

Artikel 61a Wetboek van Strafvordering

1. Tegen de voor onderzoek opgehouden verdachte kunnen maatregelen in het belang van het onderzoek worden bevolen. Als zodanige maatregelen kunnen onder meer worden aangemerkt:

h. onderzoek naar schotresten op het lichaam.

Artikel 62 Wetboek van Strafvordering

1. De in verzekering gestelde verdachte wordt aan geen andere beperkingen onderworpen dan die in het belang van het onderzoek of in het belang der orde volstrekt noodzakelijk zijn.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 50 , kunnen tegen de in het eerste lid bedoelde verdachte maatregelen in het belang van het onderzoek worden bevolen. Als zodanige maatregelen kunnen, naast de in artikel 61a, eerste lid, onderdeel a tot en met h , genoemde maatregelen, onder meer worden aangemerkt:

a. beperkingen met betrekking tot het ontvangen van bezoek, telefoonverkeer, briefwisseling en de uitreiking van kranten, lectuur of andere gegevensdragers, dan wel andere maatregelen betrekking hebbend op het verblijf in het kader van de vrijheidsbeneming;

b. de overbrenging naar een ziekenhuis, of een andere instelling waar medisch toezicht is gewaarborgd, of verblijf in een daartoe ingerichte cel onder medisch toezicht.

3. De behandeling van de in verzekering gestelde verdachten en de eisen waaraan de voor de inverzekeringstelling bestemde plaatsen moeten voldoen, worden,naar beginselen bij of krachtens de wet te stellen, geregeld bij algemene maatregel van bestuur.

4. Indien naar aanleiding van de in artikel 59, vijfde lid , genoemde kennisgeving een rapport is opgesteld, neemt de officier van justitie van dat rapport kennis alvorens een vordering tot bewaring te doen.

5. De verdachte zal bij de toepassing van de maatregelen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, worden gewezen op de bezwaarmogelijkheid die in artikel 62a, vierde lid , is opgenomen.

Artikel 62a Wetboek van Strafvordering

1. Maatregelen in het belang van het onderzoek kunnen tijdens het gerechtelijk vooronderzoek door de rechter-commissaris en anders door de officier van justitie worden bevolen.

2. De bevoegdheid bedoeld in het eerste lid komt, uitgezonderd de bevoegdheid tot het geven van een bevel tot de maatregel bedoeld in artikel 61a, eerste lid, onder e , gedurende de ophouding voor onderzoek en de inverzekeringstelling indien het optreden van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, toe aan de hulpofficier van justitie die de ophouding voor onderzoek dan wel de inverzekeringstelling heeft gelast.

3. De directeur van het huis van bewaring, indien de vrijheidsbeneming

aldaar wordt ondergaan, en anders de bij het bevel aan te wijzen persoon, draagt zorg voor de uitvoering van het bevel.

4. De verdachte kan tegen het bevel als bedoeld in artikel 62, tweede lid, onder a , een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank of, indien het bevel is gegeven in het kader van de voorlopige hechtenis, bij het rechterlijk college dat oordeelt omtrent de voortzetting van de voorlopige hechtenis. Het bevel wordt in afwachting van de rechterlijke beslissing niet uitgevoerd, tenzij degene die het bevel heeft gegeven een onverwijlde uitvoering in het belang van het onderzoek volstrekt noodzakelijk acht.