Het behouden huis

Published: Last Edited:

This essay has been submitted by a student. This is not an example of the work written by our professional essay writers.

De schrijver wordt door sommigen als de grootste Nederlandse romanschrijver van onze tijd beschouwd. Hij promoveerde cum laude aan de universiteit van Amsterdam en was van 1958tot 1973 als lector in de fysische geografie verbonden aan de universiteit van Groningen. In 1973 diende bij na een jarenlang conflict met de staf en studenten zijn ontslag in en vestigde zich in Parijs, waar hij zich nu helemaal aan het schrijven wijdt. Hij debuteerde in 1944 met poëzie, een genre waarmee hij zich slechts kort bezig hield. De novelle Het behouden huis (1952) verscheen in het jaar waarin Hermans de basis legde voor zijn roman De donkere kamer van Damocles (1958), die een hoogtepunt betekende in het naoorlogse proza. Dit boek werd in verscheidene talen vertaald en onder de titel Als twee druppels water verfilmd. Hermans is ook een gevreesd polemist. In zijn bundel essays Mandarijnen op zwavelzuur (1964) kritiseerde hij genadeloos allerlei figuren en verschijnselen in de moderne Nederlandse literatuur. Ook de roman Onder professoren (1975) geeft blijk van zijn bijzondere gaven als waarnemer en satirist. Ook in de volgende romans toont Hermans zich een meesterlijk romancier: Herinneringen van een engelbewaarder (1971), Een heilige van de horlogerie (1987) en Aupair (1989). Een prachtige bundel met al eerder gepubliceerde verhalen is De laatste roker (1991). Ook in 1991 werd Het hoedenparadijs gepubliceerd, een selectie van veertig van zijn collages. De artikelen over de door Hermans zeer bewonderde filosoof Wittgenstein werden in 1990 gebundeld tot Wittgenstein.Over Multatuli schreef hij in 1976 de biografie De raadselachtige Multatuli.

Thema's. Het hoofdthema van deze novelle is de verontmenselijking die het gevolg is van oorlog. Hermans laat zien dat dit verschijnsel twee tegengestelde vormen kan aannemen. Aan de ene kant ontaarden de partizanen tot dierlijke bruten, die alle remmingen verloren hebben. Aan de andere kant verwordt de Duitse kolonel tot een automaat, die zich staande houdt door zich wanhopig vast te klampen aan een tot in het belachelijke doorgevoerde zelfdiscipline. Een tweede thema is de tragische verstoring van een kortstondig gekoesterde illusie. Het huis, dat een belofte scheen in te houden, blijkt een soort luchtspiegeling te zijn en niet meer dan een korte onderbreking te bieden van de ellende van dood en geweld.

Motieven. Het verhaal berust in belangrijke mate op het wat absurdistische hoofdmotief van de besloten ruimte van het huis, enerzijds uitnodigend als een warm nest, anderzijds vervuld van onbestemde dreiging die tenslotte tot uitbarsting komt. Belangrijke motieven zijn ook de steeds weer terugkerende zintuiglijke waarnemingen. De verteller, die in feite een dier is geworden dat voor zijn leven vecht, heeft geleerd op zijn zintuigen en instincten te vertrouwen om zich staande te houden. Zo lezen we op p. 20 'Stinken is het enige dat de waarheid spreekt.' En iets verder 'Dit huis zou niet instorten op mijn hoofd. Het rook er niet naar.'

Levensvisie. Hermans houdt zich hier, als in veel van zijn werk, bezig met de vraag: Wie, wat en hoe is de mens? Wat is zijn plaats en wat de rol die hij in het leven speelt? De ik-figuur bevindt zich in een geïsoleerde positie, maar kan zich daarin niet handhaven. Zijn isolement wordt doorbroken en de doorbraak leidt tot een gewelddadige afloop. De levensvisie van Hermans is tragisch. Hij ziet de mens als een irrationeel wezen, dat een ondoorgrondelijk en vaak absurd bestaan leidt.

Ruimte en tijd. Het verhaal vertoont een sterke concentratie van ruimte en tijd. De gehele handeling speelt zich af op één plaats binnen een tijdsbestek van enkele dagen. Op p. 10 vindt tijdverdichting plaats in de passage waarin de ik-figuur zijn voorgeschiedenis aan zijn Spaanse vriend vertelt.

Handeling. Mede als gevolg van de concentratie van ruimte en tijd, volgen de situaties en gebeurtenissen elkaar in hoog tempo op. Daardoor is het boek bijzonder 'handelingsdicht'.Beschrijvende passages zijn tot een minimum teruggebracht. De schrijver laat de handeling voor zichzelf spreken.

Figuren. Alleen de verteller, de ik-figuur, is van werkelijk belang. Maar zelfs hij is niet helemaal een 'round character'. We leren hem alleen kennen in zijn reacties op een abnormale situatie en weten niets van de mens die hij in het gewone leven is of zou zijn. Misschien vertegenwoordigt hij de gemiddelde soldaat, die na jaren van bloedvergieten en geweld niet meer de mens is die hij was.

De titel wekt met opzet een verkeerde indruk bij de lezer. De schampere ironie ervan wordt duidelijk naarmate de handeling vordert en wordt nog eens onderstreept in de laatste zin van het boek.

Samenvatting

Tijdens de tweede wereldoorlog vecht de verteller, een naamloze Nederlander, aan het Oostfront in een groep Bulgaarse, Tsjechische, Hongaarse en Roemeense partizanen tegen de Duitsers. Het is het jaar 1944. De verschrikkingen van de oorlog hebben hem zo afgestompt dat, hij zich soms afvraagt of hij nog wel een menselijk wezen is. Drie jaar geleden is hij in Nederland door de Duitsers op grond van spionage-activiteiten gearresteerd. Na enkele mislukte vluchtpogingen uit gevangenissen en concentratiekampen is hij naar het Oosten weg kunnen komen. De partizanen-groep slaagt erin een stadje op de Duitsers te veroveren, dat een luxe badplaats blijkt te zijn geweest, maar nu helemaal verlaten is. Daar vindt de verteller een mooi huis, dat prachtig is ingericht. Hij gaat door de openstaande deur naar binnen en merkt dat, hoewel er niemand in het huis is, er kort geleden nog mensen moeten hebben gewoond. Met uitzondering van één kamer,staan alle vertrekken open. De verteller installeert zich behaaglijk in het huis, dat hem als een hemelse rustplaats voorkomt na al de ontberingen van de afgelopen jaren. Diezelfde dag nog keren de krijgskansen en wordt het stadje door de Duitsers heroverd. De verteller krijgt inkwartiering van een aantal Duitse officieren onder commando van een kolonel. Zich voordoend als de eigenaar van het huis, ontvangt hij de Duitsers hoffelijk, in de hoop met rust gelaten te worden. Inderdaad bezorgen de Duitsers hem weinig last en bovendien verwijdert de oorlog zich geleidelijk van het stadje. Hoewel de gesloten kamer hem van een vage onrust vervult, beeldt hij zich in dat hij voor altijd in het huis zal kunnen blijven. Op een dag ontdekt hij eindelijk iets wat een aanwijzing geeft over de oorspronkelijke bewoners van het huis. De bibliotheek staat namelijk vol met boeken over vissen. De eigenaar moet dus een vissenliefhebber zijn. Dan komt onverwacht een man opdagen, die beweert de eigenaar van het huis te zijn en de verteller zijn papieren toont. De verteller, die zijn gerieflijk bestaan bedreigd ziet, aarzelt niet lang en schiet hem in de tuin dood. Vervolgens brengt hij ook de vrouw van de man, die met hem mee is gekomen, om het leven door haar in de badkamer te wurgen. Kort na deze dubbele moord ontdekt de verteller dat er een sleutel steekt in het deurslot van de gesloten kamer. Hij gaat de kamer in en ziet dat deze vol staat met aquaria. Een heel oude man, die totaal doof schijnt te zijn, is bezig zijn kostbare collectie vissen, het enige waarvoor hij belangstelling heeft, te verzorgen. De verteller sluit de grijsaard in de kamer op om te voorkomen dat hij tegen hem getuigt. Intussen hebben de Russen het dorp gebombardeerd en ingesloten. Alle Duitse officieren in het huis zijn gesneuveld, met uitzondering van de kolonel. De verteller trekt zijn partizanenuniform weer aan, neemt de kolonel gevangen en sluit hem op in de kelder. Hij brengt de oude man in de kamer wat brood en koffie en waarschuwt hem dat het getij is gekeerd. Dan verlaat hij het huis en sluit zich bij de binnentrekkende partizanen aan. Tegen zijn zin dringen de partizanen het huis binnen en vernielen en bevuilen alles. Onderlinge vechtpartijen breken uit. De chaos is volledig. De Duitse kolonel, die geprobeerd heeft zich de keel door te snijden, wordt gemarteld. Als de verteller de gesloten kamer binnengaat, ziet hij dat alle aquaria kapot geslagen zijn. De doodgeschoten eigenaar van het huis ligt nog in de tuin op de plaats waar de verteller hem heeft achtergelaten. Hij neemt de dode zijn twee fototoestellen en gouden polshorloge af.Dan ziet hij het lichaam van de oude man bengelen aan de boom waaraan de partizanen hem hebben opgehangen. Aan een andere tak hangt het lijk van de Duitse kolonel, het naakte lijk van de vrouw tegen hem aangebonden. De verteller gooit een handgranaat in het huis en marcheert met de partizanen weg. Hij voelt dat hij heel populair zal worden. Omkijkend naar het huis, komt het hem voor alsof het aldoor komedie heeft gespeeld en zich nu pas laat zien zoals het in werkelijkheid altijd is geweest 'een hol, tochtig brok steen, inwendig vol afbraak en vuiligheid.'