De nl GAAP

Published:

This essay has been submitted by a student. This is not an example of the work written by our professional essay writers.

HOOFDSTUK 3: BEHANDELING VAN GOODWILL IN DE NL GAAP

In het voorgaande hoofdstuk is de begripsomschrijving goodwill en de onderscheidingen hiervan besproken.

In dit en komende hoofdstukken zal de verwerking van goodwill in de jaarrekening worden behandeld. Doordat de wettelijk regelingen, de richtlijnen van de jaarverslaggeving en de regelingen in de IFRS uiteenlopen, zullen deze afzonderlijk worden behandeld.

In het huidige hoofdstuk zal de behandeling van goodwill duidelijk worden beschreven volgens de Nederlandse rapportingsgrondslagen voor zowel de negatieve goodwill als voor de positieve goodwill. Op deze manier zal duidelijk worden welke mogelijkheden voor de hand liggen voor de behandeling van goodwill en wordt de veranderingen tot de actuele standaarden duidelijk. Máár allereerst zal er kort toelicht worden wat de NL GAAP inhoud.

3.1 NL GAAP

De twee belangrijkste grondslagen voor de Nederlandse financiële verslaggeving zijn:

I. Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; en
II. De Richtlijnen voor de jaarverslaggeving.
Beide zullen hieronder kort achtereenvolgens worden besproken.
Meestal wordt bovengenoemde samengevat onder de term ‘Dutch- of NL- GAAP', ook wel de Generally Accepted Accounting Principles in The Netherlands genoemd.

Ad. I ) Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek

Titel 9 van de het Burgerlijk Wetboek vormt de basis van het Nederlandse jaarrekeningsrecht. De bepalingen in boek 2 zijn gebaseerd op de vierde en zevende Europese Gemeenschap Richtlijnen vennootschapsrecht. De vierde Europese richtlijn omvat de voorschriften voor de enkelvoudige jaarrekening. De zevende Europese richtlijn omvat voorschriften voor de geconsolideerde jaarrekening. Deze richtlijnen hebben ten doel, het harmoniseren van het jaarrekeningenrecht binnen Europa.

Verder streven de IAS- verordening, de IAS 39-richtlijn en de moderniseringsrichtlijn van de EU ook naar harmonisatie en modernisering van het jaarrekeningrecht in de Europese Unie om zo de jaarrekeninggebruikers te voorzien van een hogere graad internationale transparantie en vergelijkbaarheid.

Ad. II ) Raad voor de Jaarverslaggeving

De Raad voor de Jaarverslaggeving richtte haar richtlijnen vooral op grote beursgenoteerde ondernemingen. Na de toepassing van IFRS in Europa, verschoof de aandacht van de Raad voor de Jaarverslaggeving naar kleine en middelgrote rechtspersonen. Dit bracht met zich mee aparte richtlijnen en vrijstellingen voor deze soorten bedrijven. De Raad voor de Jaarverslaggeving geeft waarborg voor de harmonisering van IFRS en Dutch GAAP.

De RJ vervult een voornamelijk functie, als het Nederlandse expertise-orgaan, dat direct een rol speelt bij de totstandkoming van IFRS door het verlenen van commentaren, door het vragen om verduidelijkingen en interpretaties, en door het deelnemen aan werkgroepen van de IASB. Deze functie wordt steeds crucialer naarmate meer Nederlandse ondernemingen IFRS gaan toepassen.

3.2 Verwerking van positieve goodwill volgens de NL GAAP

In de Wetboek zijn verscheidene verwerkingsprocedures toegestaan voor goodwill betaald bij de overname van aandelen van een onderneming:

- ineens zichtbaar ten laste van het EV
- ineens zichtbaar ten laste van de winst- en- verlies rekening brengen
- als goodwill activeren

Eerder in paragraaf 2.3.2 werd onderscheid gemaakt tussen de activa-pasiva-transactie en de deelnemingstransactie. Kort houdt de activa-passiva-transactie in dat het om de goodwill gaat die betaald is bij het overnemen van de activa en passiva van een onderneming en dat deze gezien de wettelijke bepaling dient te worden geactiveerd en afgeschreven. Bij de andere, deelnemingstransactie gaat het juist om de goodwill die betaald is bij de overname van de aandelen van een onderneming, deze transactie moet worden opgenomen worden ten laste van het eigen vermogen of de winst- en- verliesrekening.

In de richtlijnen en de IFRS worden bovengenoemde beiden hetzelfde behandeld, omdat er geen economisch verschil daartussen bestaat.

Een Tweede Kamers discussie heeft gezorgd voor de intrekking van de wetgevers oorspronkelijke wetsvoorstel, die ervan uitging dat alleen activering en afschrijving is toegestaan en dat de andere twee alternatieven moesten wegvallen. Artikel 2:389 lid 7 BW is op grond daarvan onveranderd gebleven.

Niet lang daarna werd door de Raad voor de jaarverslaggeving, het afboeken van goodwill rechtstreeks ten laste van het eigen vermogen of ineens ten laste van de winst-en verliesrekening, die als maatschappelijk onacceptabel wordt voorgehouden binnen het kader van de internationale harmonisatie tevens opengehouden. Niettemin is de Raad voor de jaarverslaggeving hierop teruggekomen. Aan de hand van een ‘adviserende' tekst wijst de RJ erop dat er rekening moet worden gehouden met het gevergde inzicht bij het kiezen van de alternatieve verwerkingsmethoden.

De methode van het ineens afboeken ten laste van de winst en verliesrekening is weer betiteld, maar contradiceert volgens de RJ het tevredenstellen van het gevergde inzicht dat onder artikel 2:362 BW valt. Bovendien is het ten laste van het eigen vermogen afboeken weer geautoriseerd. Ondanks dat prijst de RJ de verwerkingsmethode van het activeren van goodwill het uiterst aan. Iedere herziening die plaatsvindt binnen het kader van de verwerkingsmethoden moeten worden beschouwd als een stelselwijziging en dus overeenkomend met het genoemde te worden verwerkt.

3.2.1 Afschrijving van de geactiveerde goodwill

Bij de wettelijke regeling en in de richtlijnen gaan ze ervan uit dat goodwill die geactiveerd is op een systematisch wijze dient te worden afgeschreven naargelang de economische gebruiksduur. In die zin sluiten de wet- en regelgeving op elkaar aan, gezien het feit dat het voor beide de hoofdregel is.

De economische gebruikslevensduur van goodwill is niet makkelijk in te schatten. Aspecten als o.a. de aard en voorzienbare levensduur van de verworven activiteiten en de stabiliteit en voorzienbare levensduur van de bedrijfstak en nog enkele meer, spelen een rol bij de bepaling van deze levensduur.

In het kader van de afschrijvingstermijn schrijft de wettelijke regeling voor dat de duur van de afschrijving alleen maar meer dan vijf jaar mag bedragen, indien goodwill aan een aanzienlijk langere tijdsperiode kan worden toegerekend. Wèl moet hierbij de afschrijvingsduur met de mogelijke motieven daarvoor in de toelichting worden vastgelegd.

De wijze van afschrijven binnen de RJ is afhankelijk van het patroon waarin de toekomstige economische voordelen toestromen aan de verkrijgende partij. Aangezien deze manier lastig vast te stellen is, dient dan volgens het lineaire systeem te worden afgeschreven. De afschrijvingen moeten ten laste van de winst- en¬ verliesrekening worden gebracht.

Bovendien gaan de richtlijnen uit van een ‘weerlegbaar' maximum veronderstelling, waarvan de economische levensduur niet langer dan twintig jaar is met ingang van het verwervingsmoment. Indien er enige twijfel is over de verwachte economische levensduur, mag zodoende gebruik worden gemaakt van een voorzichtige inschatting, zolang het niet leidt tot een onwerkelijk korte levensduur. Verder acht de Raad voor de Jaarverslaggeving de economische gebruiksduur als altijd eindig.
In zeldzame situaties is het mogelijk dat de afschrijvings-levensduur van goodwill plaatsvindt over een langere periode dan het aangegeven twintig jaar, bijvoorbeeld als de goodwill duidelijk samenhangt met een identificeerbaar actief of een groep van identificeerbare activa met een levensduur die de twintig jaar te boven gaat.
Indien er sprake is van overtuigend bewijs dat de economische levensduur inderdaad meer is dan twintig jaar, samenhangend met de bij behorende redenering en motivatie , moet de onderneming o.a. op zijn minst jaarlijks toetsen of er sprake is van een bijzondere waardevermindering van de goodwill. Essentieel van belang is om althans bij het afsluiten van elk boekjaar een schatting te maken van de realiseerbare waarde van een actief, tevens als er geen sprake is van een bijzondere waardevermindering van de goodwill. Dit ter voorkoming dat de balanswaardering een onreëele weergave geeft van de praktijk. Identiek geldt dit ook in het geval van een schattingswijzing van de gebruiksduur, waarvan de gebruikersduur minder was dan twintig jaar maar die achteraf langer dan de twintig jaar blijkt te zijn.
Jaarlijks moet er op zijn minst op systematische wijze worden onderzocht of de afschrijvings-termijn en -methode mogelijke aanpassingen nodig hebben en moeten deze worden bijgewerkt.

In de wettelijke bepaling staat vast dat het toetsen van de bijzondere waardeverminderingen ofwel impairments dient te worden toegepast wanneer je te maken krijgt met een verwachting duurzame waardedaling van een vaste actief.

Men krijgt te maken met bijzondere waardevermindering, als de boekwaarde van de activa hoger is dan de realiseerbare waarde en dient dan afschrijving tot de realiseerbare waarde te geschieden.

Volgens de richtlijnen moet er sprake zijn van aanwijzingen voor impairment. Op eerste gezicht zou de bijzondere waardevermindering per individueel actief moeten worden bepaald. Voor goodwill is dit niet het geval, gezien het feit dat goodwill niet onafhankelijk van andere activa een kasstroom kan genereren. Blijkens het voorgaande is dus voor goodwill als individueel actief geen realiseerbare waarde te bepalen. Om die reden moet de realiseerbare waarde van de kasstroomgenererende eenheid of eenheden (KGE's) waarvan de goodwill deel uitmaakt worden berekend.

De richtlijnen voorschrijft twee toetsen, die elk twee stappen bevatten, waarin goodwill aan kasstroomgenererende eenheden (KGE's) wordt toegerekend. Deze zijn de 'bottom-up'-toets en de 'top-down'-toets en helpen bij het beoordelen van de waardering van de goodwill. De 'bottom-up'-toets dient te worden toegepast indien toerekening wél kan plaatsvinden. In het geval geen toerekening kan plaatsvinden moeten beide toetsen worden gecombineerd.

Van belang is hierbij dus het vaststellen of goodwill wél of niet op een rationeel en consistent manier kan worden toegerekend aan de aangaande kasstroomgenererende eenheid.

Net als het ontstaan van bijzondere waardeverminderingen kan ook terugneming hiervan, ‘impairment loss', plaats vinden. Deze is alleen mogelijk wanneer geconstateerd wordt dat de terugneming een duidelijk verband houdt met het effect van een specifieke gebeurtenis van buitengewone aard heeft. Bijvoorbeeld nieuwe wetgeving die de ondernemingsactiviteiten aanzienlijk begrenzen of die de rendabiliteit van de ondernemingsactiviteiten doet verminderen aan welke de goodwill is gerelateerd.

Ook bij verkoop van een deelneming is er de mogelijkheid tot terugneming van de afgeboekte positieve goodwill, met behulp van de staffelmethode. De rechtspersoon dient dan wel in het verleden de goodwill onmiddellijk te hebben geboekt ten laste van het eigen vermogen en deze aansprakelijkheid met het introduceren van de RJ 216 niet met terugwerkende kracht te hebben bijgesteld. Is er sprake van verkoop van een deelneming binnen één jaar na acquisitie, dan moet de volledige waarde van de ten laste van het eigen vermogen betaalde goodwill worden teruggenomen. Bij een verkoop die binnen twee jaar plaatsvindt, bedraagt de terugneming ten minste 80% van de afgeboekte goodwill. Bij verkoop binnen drie jaar ten minste 60%, etcetera. De veronderstelling daarbij is dat de betaalde goodwill in een vijfjarigetermijn wordt omgezet in zelfontwikkelde goodwill.

Zoals eerder aangegeven wordt het bedrag van goodwill vastgesteld op acquisitiedatum of indien anders op de datum waarop de rechtspersoon invloed op de zakelijke en financiële beleid verkrijgt.

Onder voorwaarden kan in bepaalde gevallen sprake zijn van goodwill-aanpassingen na de datum van verwerving. Dit is het geval bij doorvoering van wijzigingen in de verkrijgingsprijs of in de fair value van activa en passiva, na verloop van tijd. De richtlijnen staat de doorvoering van latere aanpassingen van de fair value toe, zolang het binnen het eerste volledige boekjaar na de datum van overname geschied. Bij aanpassingen van de verkrijgingsprijs geldt dit ook, zolang deze onafhankelijk is van toekomstige elementen.

3.3 Verwerking van negatieve goodwill volgens de NL GAAP

De richtlijnen geven gedetailleerd de regels (van verwerking) betreffende de negatieve goodwill aan, afhangend van de ten grondslag liggende oorzaak. Deze regels wijken zwaar af van de IFRS 3.

In de wettelijk regelingen bestaat er niet langer bepalingen in verband met de verwerking van de negatieve goodwill.

In het geval dat de negatieve goodwill samenhangt met niet of tegen een te laag opgenomen gewaardeerde passiva of te hoog gewaardeerde activa, dient hiervoor eerst correctie plaats te vinden naar de juiste reële waarden. Dusdanig kan de negatieve goodwill een aanwijzing zijn voor het noodzakelijk stellen van een bijzondere waardevermindering. Vervolgens past de RJ als grondslag toe, dat de verwerking van de negatieve goodwill in overeenstemming moet zijn met de verwerking van de positieve goodwill en vice versa. De onderscheiden verwerkingwijzen zijn die waarbij activering van de positieve goodwill plaatsvindt en rechtstreeks ten laste van het eigen vermogen wordt gebracht of het ineens ten laste van de winst- en verliesrekening wordt gebracht.

Als positieve goodwill wordt geactiveerd en vervolgens wordt afgeschreven, moet de negatieve goodwill als een afzonderlijke overlopende passiefpost worden genomen op de balans (creditzijde) of zichtbaar worden gesaldeerd met de aanwezige actiefpost goodwill op de balans. Afhankelijk van de vraag ‘waarop' de negatieve goodwill betrekking heeft, kan worden bepaald hoe de vrijval van de gepassiveerd negatieve goodwill moet plaatsvinden.

Essentieel hierbij is om onderscheid te maken tussen de negatieve goodwill die wel betrekking heeft op de toekomstige nadelen en de negatieve goodwill die geen betrekking heeft op de toekomstige nadelen.

In het geval van de eerstgenoemde onderscheiding dient de negatieve goodwill ten gunste van de winst- en verliesrekening te worden verwerkt naargelang deze verliezen en lasten voorkomen.

In het geval van de tweede onderscheiding, de zogenaamde ‘lucky buy', dient verschil te worden gemaakt tussen het gedeelte van de negatieve goodwill die wel dan wel niet hoger is dan de fair value van de identificeerbare niet-monetaire activa.

Is het deel van de negatieve goodwill hoger dan de fair value van de identificeerbare niet-monetaire activa, dan dient deze rechtstreeks ten gunste van de resultatenrekening te worden geboekt. Indien het lager is dient deze systematisch ten gunste van de winst- en verliesrekening te worden gebracht.

Als positieve goodwill rechtstreeks ten laste van het eigen vermogen wordt gebracht, moet de (deel) negatieve goodwill dat geen betrekking heeft op de verwachte toekomstige verliezen en lasten rechtstreeks ten gunste van het eigen vermogen, onder de post Overige reserves, worden verwerkt.

De gedeelte negatieve goodwill dat wel samenhangt met de verwachte toekomstige verliezen en lasten moet als een afzonderlijk passiefpost op de balans worden opgenomen. En dient de vrijvalling plaats te vinden op basis van de mate waarin deze nadelen zich voordoen.

Als positieve goodwill ineens ten laste van de winst- en verliesrekening wordt gebracht, moet de negatieve goodwill dat geen betrekking heeft op de verwachte toekomstige verliezen en lasten onmiddellijk ten gunste van de resultatenrekening worden verwerkt.

De negatieve goodwill dat wel betrekking heeft op de verwachte toekomstige verliezen en lasten dient als een afzonderlijk post worden opgenomen aan de passiefkant van de balans en moet dit deel van de negatieve gepassiveerd goodwill vrijvallen ten gunste van de resultatenrekening op basis van de mate waarin deze verliezen en lasten zich voordoen.

Echter is er in de Richtlijnbundel van de jaareditie 2007, ‘Richtlijnen voor de jaarverslaggeving voor grote en middelgrote rechtspersonen', een ontwerp-Richtlijn opgenomen betreffende de verwerking van de negatieve goodwill. Daarin ligt een voorstel tot het vereenvoudigen van de verwerking van deze post. Er blijft niet langer vastgezeten aan de koppeling van de verwerking van de positieve goodwill met die van de negatieve goodwill die geen betrekking heeft op verwachtte toekomstige verliezen en lasten. De alinea's 235 tot en met 238 van de RJ 216 worden echter vervangen door de RJ 216.235. Deze stelt dat de negatieve goodwill als een afzonderlijke post moet worden opgenomen aan de passiefzijde van de balans.

Net zoals bij de positieve goodwill kan er bij de negatieve goodwill ook sprake zijn van aanpassingen van de ver¬krijgingsprijs of van de netto-vermogenswaarde na de datum van verwerving. En geschied de behandeling hiervan op dezelfde wijze als van de positieve goodwill.

Bovendien geldt bij de negatieve goodwill evenals bij de positieve goodwill de mogelijkheid tot correctie bij een verkoop deelneming. Deze dient te geschieden onder dezelfde voorwaarden en gebruikmakend van de staffelmethode als bij de positieve goodwill.

3.4 Achterliggende argumentatie voor en tegen de toegestane verwerkings- methoden

Zoals al eerder in dit hoofdstuk is behandeld, zijn er volgens het Nederlandse wet- en regelgeving een drietal verwerkingsmethoden toegestaan om de positieve gekochte goodwill te behandelen; direct ten laste van het eigen vermogen brengen; ineens zichtbaar brengen ten laste van de winst-en-verliesrekening en; activeren en vervolgens afschrijven.

Tot heden wordt er gediscussieerd over deze verwerkingsmethoden zoals blijkt uit de frequente wijzigingen in de regelgeving hieromtrent. (zie par. 3.2) Het feit is, dat niet eenvoudig weg overtuigend en volhardend kan worden geredeneerd welke methode de geschikte is en is er hierdoor geen definitieve en gedwongen methode aanwezig voor de goodwillverwerking.

De voordelen, nadelen en mogelijke argumentatie voor het gebruiken of juist niet toepassen van deze drie verschillende verwerkingsmethode van positieve gekochte goodwill zullen nu nader worden belicht.

3.4.1 Verwerking van goodwill ten laste van het eigen vermogen

Deze methode om de goodwill rechtstreeks ten laste van het eigen vermogen te brengen, was tot eind de jaren ‘90 de meest traditionele, dominante benadering binnen de Nederlandse beursgenoteerde ondernemingen. Verschillende onderzoeken op het gebied van verwerking van goodwill in de jaarrekening onderschrijven dit. Uit een onderzoek over de verslagjaren 1999 en 2001 blijkt dat van de 48 onderzochte ondernemingen in 1999 65% goodwill rechtstreeks ten laste van het resultaat bracht, maar dit percentage is in 2001 tot 10% teruggelopen. Uit een meer recente onderzoek wijzend op het verslagjaar 2004 is dit slechts 4% van de 47 onderzochte ondernemingen. Opmerkelijk is dus een verschuiving geconstateerd. Dit mede doordat in 2001 het verplicht werd deze, de verwerkingsmethode van goodwill activeren en vervolgens afschrijven, toe te passen. Inmiddels zijn alle drie de methodes weer toegestaan in overeenstemming met de Nederlandse wet- en regelgeving en de Raad voor de Jaarverslaggeving zoals eerder toegelicht.

3.4.1.1 Voordelen en achterliggende argumentatie

Bekeken wordt gebruikmakende van de gegevens uit het onderzoek verricht, door Erasmus Universiteit Rotterdam in samenwerking met VNO-NCW, de ingebrachte meningen en opvattingen van managers vóór het hanteren van deze verwerkingsmethode. Hieruit is gebleken dat argumenten zoals, het voorzichtigheidsbeginsel, bruikbaarheid in Nederland, consistentie en blijvend gedragslijn door sommige managers worden aangewezen.

Verder kwam vaak nadrukkelijk naar voren als belangrijkste argument dat deze wijze van verwerken een zuiverder beeld geeft van de toekomstige winsten en verliezen aangezien deze niet worden vertekend door toekomstige afschrijvingen op de goodwill. Overigens heeft deze verwerkingsmethode een positieve invloed op de ratio's zoals de REV; rentabiliteit van het eigen vermogen. De REV wordt gunstiger, doordat de betaalde goodwill volgens deze verwerkingsmethode het eigen vermogen van de onderneming verkleind, echter ook het feit dat aan de andere kant geen afschrijven op goodwill ten laste van het positieve resultaat zal worden geboekt.

Daarnaast zijn er ook nog andere aanvullende argumenten die toestemmen met dit alternatief, die door de heer Hoogendoorn worden besproken.

Volgens hem is de goodwillwaarde te onzeker. Het rechtstreeks afboeken van goodwill van het eigen vermogen is hierdoor wenselijk vanuit het oogpunt van het voorzichtigheidsbeginsel. Tevens is goodwill geen actief en dient het daarom niet op de balans te worden opgenomen onder de activa, maar onder het eigen vermogen. Daarnaast geven de afschrijvingen op goodwill in de geconsolideerde jaarrekening geen getrouwe weergave van de groepsprestaties binnen het concern. En als laatste argumenteert hij dat gezien goodwill in feite een betaling is van de toekomstige overwinsten aan de aandeelhouders van de overgenomen onderneming en dus de uitkeringen aan aandeelhouders ten laste van het eigen vermogen dienen worden te geboekt.

3.4.1.2 Nadelen en achterliggende argumentatie

Na het behandelen van de voordelen van de verwerkingsmethode van de goodwill ten laste van het eigen vermogen, zal ook naar de mogelijke nadelen worden gekeken.

Een nadelig argument ligt in de inkrimping van het eigen vermogen. Door overnames, wordt het eigen vermogen beperkt in vergelijking met de omvang van de onderneming, waardoor het niet meer kan bijdragen als een goede ‘opvang buffer' voor risico's. Bovendien komt onvoldoende tot uitdrukking in het resultaat, dat voor een deel van de behaalde ondernemingswinsten een prijs is betaald, waardoor de betrouwbaarheidsgraad van de kerngetallen niet hoog genoeg is. De rentabiliteitscijfers van het eigen vermogen als ook de solvabiliteit kunnen een onrealistisch beeld van de onderneming weergeven, doordat het eigen vermogen als het ware getast wordt bij deze methode.

Overigens is er enige verwarring betreffende de mogelijkheid tot afboeking van het eigen vermogen. In de wettelijke bepaling wordt duidelijk vastgesteld, dat de kosten van goodwill onder de immateriële vaste activa afzonderlijk moeten worden opgenomen. Indien dit voorschrift stapsgewijs wordt nageleefd zou er geen plaats mogelijk zijn voor het afboeken van deze goodwill van het eigen vermogen. Ruimdenkend kan dus geïnterpreteerd worden dat de mogelijkheid tot afboeking van deze goodwill van het eigen vermogen niet is geregeld. In dat geval kan verklaard worden dat er geen onderscheid is tussen goodwill die betaald is bij activa-passiva transacties en de deelnemingstransactie in economische zin.

3.4.2 Verwerking van goodwill ineens zichtbaar ten laste van het resultaat

Zowel uit de oude en de meest recente onderzoeken is gebleken dat heel weinig ondernemingen de verwerkingsmethode van het ineens ten laste van het resultaat toepassen. Wettelijk is het toegestaan om gekochte goodwill in het jaar van verwerving ten laste van het resultatenrekening te brengen, maar zal in het algemeen volgens de RJ niet voldoen wegens gebrek aan het vereiste inzicht van artikel 2:362 BW. Volgens art 2:362 BW lid 1 moet een jaarrekening inzicht geven, zodat er een verantwoord oordeel gevormd kan worden van het vermogen en resultaat en van ratio's als solvabiliteit en liquiditeit van de betreffende onderneming.

3.4.2.1 Voordelen en achterliggende argumentatie

In een onderzoek dat verricht is onder managers zijn er een aantal argumenten gesommeerd die deze hanteren vóór het toepassen van deze methode.
Zij geven als argument dat goodwill geen tegenwaarde heeft; dat goodwill een buitengewone last is. Tevens is activering van goodwill niet mogelijk op basis van het voorzichtigheidsbeginsel. Bovendien is deze methode gebruikelijk binnen de branche. Als laatste heeft de gekochte goodwill een relatief korte economische gebruiksduur in bepaalde bedrijfstakken. Kijkend op de respons is de laatst genoemde het belangrijkste argument is voor het toepassen van deze verwerkingswijze.

Volgens de Heer Hoogendoorn heeft deze methode geen praktische relevantie. Deze wordt ondersteund door het verrichte onderzoeken naar de verwerking van goodwill in de jaarrekening. Volgens de verslagjaren 1999 en 2000 werd deze methode door geen van de 48 onderzochte ondernemingen gebruikt. Uit een meer recente onderzoek blijkt dat geen van de 47 onderzochte ondernemingen deze verwerkingsmethode toepast.

3.4.2.2 Nadelen en achterliggende argumentatie

Na de achterliggende argumentatie van de voorstanders van deze verwerkingsmethode te vermelden, zal nu verder de argumentatie van de tegenstanders onderzocht worden. Negatieve gevolgen van deze verwerkingsmethode berusten zich vooral op economische effecten. Zoals blijkt komt de nettowinst in het jaar van overname aanzienlijk lager te liggen. Dat deze methode inderdaad niet erg populair is onder de ondernemingen, komt doordat het de winst aanzienlijk vermindert en dus (negatieve) effecten heeft op de WPA-cijfer; winst per aandeel en de prestatiemaatstaven van de onderneming. Overigens zijn anderen van mening dat goodwill ten laste van de resultatenrekening brengen een ouderwetse methode is die bijna niet meer wordt uitgeoefend. Bij het kopen van een deelneming hebben ondernemingen geen behoefte meer om hun verliezen aan te duiden, omdat zij de mening zijn toegedaan dat deze zijn geld waard is.

3.4.3 Activering van goodwill en vervolgens afschrijven

Als laatste zal de toegestane verwerkingsmethode van activering en afschrijving van de goodwill, de voordelen en nadelen hiervan, nader worden omgeschreven in de volgende paragrafen. Onderzoek over de jaren heen toont aan dat er een trend is ten aanzien van het alternatief rechtstreeks afboeken ten laste van het eigen vermogen naar het activeren en systematisch afschrijven. Uit de jaarverslagen 1999 en 2001 valt op, dat van de 48 onderzochte ondernemingen in 1999 slechts éénderde goodwill activeerde en afschreef, tegen een veel hoger percentage in 2001. In het jaarverslag van 2004 past meer dan tweederde van de ondernemingen deze. Doordat meer ondernemingen overgestapt zijn op het stelsel van activeren en afschrijven, kregen waardeverminderingen (impairments) meer aandacht en zal deze in het licht van de IFRS-regelgeving alleen maar toenemen. Het merendeel van de bedrijven houdt bij de waardering van goodwill rekening met waardeverminderingen.

3.4.3.1 Voordelen en achterliggende argumentatie

De RJ is voorstander van de verwerkingsmethode om gekochte (positieve) goodwill te activeren en af te schrijven over de economische levensduur en raadt deze aan.
De waarom op goodwill dient te worden afgeschreven, over welk deel en over welke periode zijn een van de aspecten rond goodwill waarop er vraagtekens zijn. Dus bijvoorbeeld wanneer de waarde van goodwill onveranderd blijft, is dan alsnog noodzakelijk om deze te verlagen door middel van afschrijvingen. Volgens de Heer Hoogendoorn is dit verwerkingsalternatief realistischer dan het direct afboeken van het eigen vermogen. Het is van belang hierbij in te zien dat afschrijven van goodwill losstaat van het wel en al dan niet verschijnen van een waardevermindering van goodwill. De oorzaak voor het afschrijven op goodwill is dat in de loop der jaren de gekochte goodwill door de zelfgecreëerde goodwill (eigen goodwill) wordt geremplaceerd.

Blijkens de verslaggevingregels is activering van de zelfgecreëerdegoodwill ongepast. Met de bedoeling deze ‘ten onrechte' activering te voorkomen wordt afgeschreven op goodwill. De periode waarover moet worden afgeschreven moet overeen komen met de mate waarin de gekochte goodwill wordt vervangen door de zelfontwikkelde goodwill. Maar vaak is de economische levensduur en patroon waarin goodwill wordt benuttigd in de praktijk onvoldoende meetbaar. Gezien dit betrouwbaarheid problematiek kan het afschrijven van de goodwill over een willekeurig maximum afschrijvingstermijn, die in de regelgeving vermeldt staat als enige toepasbaar-praktische-methode worden voorgesteld.

Bij deze verwerkingsmethode wordt goodwill opgevat als een actief met een waarde. Daarnaast wordt geargumenteerd dat door het activeren en daarna afschrijven de informatiewaarde toeneemt, met als gevolg dat ook de aandelenkoers van de onderneming toeneemt. Ook andere vóór argumentaties spelen een rol onder het managementteam, o.a. die van een consistente gedragslijn; beperkt aantal acquisities; concernrichtlijn; conform het wetboek en Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving; wensen van gebruikers en de grote steun die aanwezig is voor het verplicht van deze methode.

Vervolgens komt als argument naar voren dat de afschrijving op goodwill ten laste van de resultaten moet worden gebracht in dezelfde periode dat de resultaten van de deelneming worden geboekt. In tegenstelling tot de methode waarbij de goodwill direct ten laste van het eigen vermogen wordt verwerkt en die dus het eigen vermogen tast. Gezien het eigen vermogen niet getast wordt gebruikmakend van de wijze van activering en vervolgens afschrijven kan deze als een goede ‘opvang buffer' voor risico's worden gebruikt, waardoor ook nog een gunstiger solvabiliteit.

3.4.3.2 Nadelen en achterliggende argumentatie

De argumentatie van verscheidene auteurs die tegen deze verwerkingsmethode zijn, zullen nader hieronder worden uit eengezet.
Zo blijkt dat de winstgevendheid van de onderneming bij het hanteren van deze methode ten onder zal leiden. Met het oog op de afschrijvingslasten die deze aanpak met zich teweeg brengt, dit in vergelijking tot de andere twee verwerkingsmethoden.

Anderen zijn ook van mening dat niet het eigen vermogen echter aangetast wordt, maar dat dit juist een ongunstig effect heeft op de rentabiliteit van het eigen vermogen.

Zoals eerder is vermeld, is de economische gebruiksduur en het patroon waarin de waardevermindering (impairment) geschied ‘betwistbaar', gezien hun onbetrouwbare meetbaarheid. Waardoor de afschrijving juist niet veel meer dan een ‘ruwe' schatting van de optredende waardevermindering van goodwill wordt. Verder geven anderen als reden voor het niet toepassen van deze methode dat het tot een ‘verslechterde', voltijdige vergelijkbaarheid van de resultaten leidt en de mogelijkheid van het nog steeds toelaatbaarheid van de wet om goodwill af te boeken van het eigen vermogen.

Ene Heer Bindenga is van mening dat de gekochte goodwill niet moet worden geactiveerd. Zo moet naar zijn zeggen onderscheiding tussen intern gegenereerde goodwill en gekochte goodwill met de nodige reserves worden overwogen. In sommige gevallen kan in de (gekochte) goodwill ook sprake zijn van opgesloten intern ontwikkelde goodwill. Alhoewel in principe geen onderscheid behoeft te zijn in de behandeling tussen de intern gegenereerde goodwill en de (gekochte) goodwill. Dit door het niet mogelijk zijn om gekochte goodwill toe te rekenen en vervolgens de intern ontwikkelde goodwill hieruit te elimineren.

Bovendien is het activeren van intern gegenereerde goodwill als vermogenscomponent in strijd met het voorzichtigheidsbeginsel. Daarnaast wordt het activeren van de (gekochte) goodwill met daarin de intern gegenereerde goodwill opgenomen, ook in strijd geacht met het voorzichtigheidsbeginsel. Dus dient goodwill naar zijn mening niet te worden geactiveerd.

Beargumenteerd wordt door critici, in een persbericht van 2004van de IASB, dat de goodwillwaarde niet hoeft te verzwakken. En zelfs als tegen de verwachting in, de goodwill toch in waarde verminderd, is het betwijfelbaar als de afschrijvingsbedragen deze waardevermindering weergeven. Deze afschrijvingsbedragen veroorzaken als het ware ‘storingen' binnen de winstgevendheid (‘noise in the earnings') van de onderneming.

Die vervolgens de bruikbaarheid van deze winsten vermindert. En gezien de bruikbaarheid laag is kan geen getrouwe indicatie worden gegeven van de bedrijfstoekomst. En dus vermoeilijkt dit het beslissingsproces van de investeerders.

Echter werd in het verleden vele malen door de accounting beleids- en standaardmakers tegenin gegaan dat de goodwillwaarde in de meeste gevallen wel verminderd en dat goodwillafschrijving juist de gerapporteerde winsten wèl bruikbaarder maakt voor de investeerders, door het afbeelden van de waardedaling van goodwill.

3.5 Conclusie/Samenvatting

Onder de NLGAAP vallen de Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de RJ. De wettelijke bepaling maakt onderscheid tussen goodwill betaald is bij overname van de activa en passiva van een onderneming en goodwill bij het verwerven van aandelen. Bij goodwill betaald bij overname moet overeenstemmend met de wettelijke regels deze worden geactiveerd en vervolgens afgeschreven. Bij verwerving van aandelen is er de keuze mogelijkheid tussen drie verschillende verwerkingmethoden. Goodwill kan ten laste van het resultatenrekening; of ten laste van het eigen vermogen; of als een actief worden opgenomen. De RJ past dezelfde methoden toe, maar prijst de methode tot activering aan. In de wettelijke regeling moet over de geactiveerde goodwill worden afgeschreven naarmate de verwachte levensduur. De afschrijvingslevensduur mag niet meer dan de vijf jaar te boven gaan. Dit is alleen mogelijk onder de voorwaarde dat de goodwill aan een beduidend langere periode is toe te rekenen, dan dient wel hierbij de afschrijvingsduur en eventuele motivering worden toelicht. De RJ hanteert echter een economische levensduur met een max. van twintig jaar die weerlegd kan worden. In uitzonderlijke gevallen kan dit boven de vastgestelde max. gegeven jaren plaatsvinden, in samenhang met de motivering en vereiste uitvoering van op z'n minst jaarlijks een impairment test.

Indien er aanwijzingen zijn van mogelijke waardevermindering dan moet door een berekening vastgesteld worden wat de realiseerbare waarde van de KGE is aan welke de goodwill kan worden toegeschreven. Het afwaarderen naar een lagere realiseerbare is onder de gegeven omstandigheden onvermijdelijk. Het terugnemen van de waardevermindering is mogelijk alleen bij uitsluitende gevallen.

Bij aanpassingen van goodwill na de datum van verwerving, bijv. latere wijzing van de verkrijgingsprijs en/of van de fair value, kunnen onder bepaalde voorwaarden tot het aanpassen van de goodwillwaarde met terugwerkende kracht leiden. Herziening van de fair value is enkel en alleen toepasbaar binnen het eerste boekjaar na verwerving.

Het terugnemen van de goodwill bij het verkopen van de deelneming is mogelijk door gebruik te maken van de staffelmethode.

Bij het verwerken van de negatieve goodwill kan onderscheid worden gemaakt tussen de nadelen die niet tot uitdrukking komen in de fair value van de activa en passiva en de ‘lucky buy'. Bij het eerste geval wordt de negatieve goodwill in overeenstemming met de verwerkingsmethode van de positieve goodwill verwerkt. Bij activering van de positieve goodwill, moet de negatieve goodwill hetzij of als een afzonderlijk credit post op de balans of in mindering op de goodwill actiefpost gebracht. Het systematisch vrijvallen van de (gepassiveerd) negatieve goodwill is ten gunste van de resultatenrekening naarmate de nadelen zich voordoen. Bij positieve goodwill ten laste van de resultatenrekening of eigen vermogen moet de negatieve goodwill ten gunste van de resultatenrekening toekomen naargelang de nadelen zich vertonen.

Bij de ‘lucky buy', wordt de negatieve goodwill direct in de resultatenrekening verwerkt.

Bij activering van de positieve goodwill moet het deel van de negatieve goodwill die niet hoger is dan de fair value van de identificeerbaar niet-monetair activa systematisch ten gunste van het resultaat worden gebracht. Het deel van de negatieve goodwill die wel hoger is dan de fair value wordt rechtstreeks ten gunste van het resultaat geboekt.

Bij positieve goodwill ten laste van het eigen vermogen gaat de negatieve goodwill onmiddellijk ten gunste van het eigen vermogen. Bij positieve goodwill ten laste van het resultaat gaat de negatieve goodwill onmiddellijk ten gunste van het resultaat.

Bovendien worden de voordelen en nadelen per verwerkingsmethode aangegeven. Voor de verwerkingsmethode van het ten laste van het eigen vermogen afboeken, luidt als voorargumenten: het voorzichtigheidsbeginsel, de bruikbaarheid in Nederland, consistentie, blijvend gedragslijn, zuiverder beeld van toekomstige resultaten en positieve invloed op ratio's. Onder tegenargumenten zijn o.a. verminderde eigen vermogen, onvoldoende tot uitdrukking in het resultaat en verwarring betreffende de afboeking aan te duiden. Voor het alternatief van het ten laste van de resultatenrekening afboeken, luidt als voorargumenten: dat goodwill geen tegenwaarde heeft, dat goodwill een buitengewone last is, dat het gebruikelijk is binnen de branche en de relatief korte economische gebruiksduur. Tegenargumenten zijn, winst vermindering met gevolgen op de winst per aandeel en de prestatiemaatstaven en dat het een ouderwetse methode is. Voor het alternatief van het activeren, komt als voorargumenten naar voren dat deze methode realistischer is, draagt bij aan een toenemende informatiewaarde en conform het wetboek en RJ. Tegenargumenten zijn o.a. dat het in strijd is met het voorzichtigheidsbeginsel, de afschrijving een ruwe' schatting is en dat ‘storingen' binnen de winsten zijn op te merken.

Writing Services

Essay Writing
Service

Find out how the very best essay writing service can help you accomplish more and achieve higher marks today.

Assignment Writing Service

From complicated assignments to tricky tasks, our experts can tackle virtually any question thrown at them.

Dissertation Writing Service

A dissertation (also known as a thesis or research project) is probably the most important piece of work for any student! From full dissertations to individual chapters, we’re on hand to support you.

Coursework Writing Service

Our expert qualified writers can help you get your coursework right first time, every time.

Dissertation Proposal Service

The first step to completing a dissertation is to create a proposal that talks about what you wish to do. Our experts can design suitable methodologies - perfect to help you get started with a dissertation.

Report Writing
Service

Reports for any audience. Perfectly structured, professionally written, and tailored to suit your exact requirements.

Essay Skeleton Answer Service

If you’re just looking for some help to get started on an essay, our outline service provides you with a perfect essay plan.

Marking & Proofreading Service

Not sure if your work is hitting the mark? Struggling to get feedback from your lecturer? Our premium marking service was created just for you - get the feedback you deserve now.

Exam Revision
Service

Exams can be one of the most stressful experiences you’ll ever have! Revision is key, and we’re here to help. With custom created revision notes and exam answers, you’ll never feel underprepared again.