Inleiding

De opdrachtgever werkt bij de organisatie Altra. Altra biedt hulp aan kinderen en jongeren die zijn vastgelopen in hun persoonlijke ontwikkeling en aan ouders die steun nodig hebben bij de opvoeding. Naast hulp aan kinderen en ouders, biedt Altra ook hulp aan scholen die extra begeleiding willen voor hun kinderen. Altra sluit zoveel mogelijk aan bij de sterke kanten van ouders en kinderen. De boodschap van Altra is "Kansen voor kinderen". Met de visie om kinderen en de gezinnen waarin ze opgroeien sterker te maken, zodat ze de problemen beter de baas kunnen. Mijn afstudeeropdracht is gericht op de 4-6, op de locatie de Tweede Oosterparkstraat. Dit is een hulpvorm voor kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 6 jaar en hun gezin. Op de hulpvorm 4-6 krijgt een gezin (ouders en kind) ondersteuning en hulp, de ouders hebben ondersteuning van een gezinsbegeleidster en het kind komt 2 middagen in de week op de groep bij de pedagogisch medewerkers.

De school doet meestal de aanvraag voor de hulpvorm 4-6. De school krijgt een lichte ondersteuning van de pedagogisch medewerker, aangezien ze informatie van school vragen, hoe het gaat en het terug geven aan school hoe het op de groep gaat. Voor de rest krijgt de school geen ondersteuning en is het niet duidelijk wat de pedagogisch medewerker kan doen op school. De pedagogisch medewerkers proberen regelmatig een observatie op school te doen om te kijken hoe het gaat, dit is vooral een moment opname. De school heeft ook zelf met het aangemelde kind te maken en krijg geen verdere hulp of begeleiding van buitenaf. Bij andere hulpvormen is dit al uitgebreider, dit lijkt vaak ook niet voldoende. Er zijn geen duidelijke richtlijnen wat er gedaan moet worden met school. De hulpvorm 4-6 heeft een indicatieduur van ongeveer 1 jaar. Na dit jaar wordt gekeken of er andere hulp nodig in het gezin is of niet. Om er voor te zorgen dat de hulp die geboden wordt zo effectief mogelijk is, wordt er bij Altra gewerkt met het gezin en het kind. Als dit tevens op school plaats zou vinden, zou de hulp mogelijk effectiever worden en de schoolrelatie met de hulpvorm verbeteren zodat er een samenwerking is om de kinderen en gezinnen te ondersteunen.

Eerste probleembeschrijving en opdracht

De opdrachtgever werkt bij Altra, zij is de gedragswetenschapper van verschillende hulpvormen in regio Oost. Ze heeft al vele jaren ervaringen en heeft veel veranderingen en aanpassingen gezien in het werkveld. Ze is gedragswetenschapper van de hulpvorm 4-6 in de Tweede Oosterparkstraat. De 4-6 is in de organisatie Altra een kleine afdeling, er zijn op 3 locaties de hulpvorm 4-6 aanwezig. De hulpvorm 6-12 voor de oudere schoolgaande kinderen is op zo'n 16 locaties te vinden. De 4-6 wordt door de opdrachtgever ook wel genoemd een ondergeschoven kindje in de organisatie. De 4-6 blijft daarom met veel dingen achter, zoals het oplossingsgerichte werk op de groep, de veranderingen op de groep zijn ook beperkt aangezien er op de 4-6 twee pedagogisch medewerkers staan en in de afgelopen jaren veel personeelwisselingen hebben plaats gevonden.

De organisatie Altra werkt in een driehoek bestaande uit kind - ouders - school. Als kinderen problemen hebben, uit dit zich niet alleen thuis in het gezin, het komt ook naar voren op de school. De hulp en ondersteuning die Altra bied is gericht op het kind en het gezin en meestal verbonden met school. Dit komt in de hulpvorm 4-6 niet naar voren. De gedragswetenschapper zou het graag onderzocht hebben hoe de 4-6 hulp kan bieden aan de school en school betrekken in de hulpvorm 4-6. Zodat de hulp uitgebreider kan worden en mogelijk effectiever.

Ik ga onderzoeken hoe de hulpvorm 4-6 van Altra, de scholen in de regio Amsterdam Oost meer kunnen betrekken in de ondersteuning aan kind en gezin. Voor een betere samenwerking en de hulp die geboden wordt effectiever kan worden. Ik ga tevens onderzoeken hoe de scholen tegen de onderwerp aan kijken en nodig hebben voor een samenwerking, het is mogelijk dat zij dit anders ervaren dan de pedagogisch medewerkers. Het doel van dit onderzoek is om als resultaat te kunnen behalen dat de school meer betrokken wordt bij de hulp en zo er meer samenwerking plaats vind.

Oriëntatiefase

Werkwijze oriëntatie

Om de informatie te vinden die ik nodig had in mijn oriëntatie, heb ik gezocht op internet en in de bibliotheek van de VU. De boeken uit de bibliotheek waren niet meer recent en ik heb daarom minder gebruik gemaakt van de boeken, aangezien de informatie die het bevatte vrijwel allemaal verouderd was. Ook heb ik gekeken in de kranten, in de afgelopen jaren was jeugdzorg veel in het nieuw door de verschillende incidenten als het gevolg van gebrekkige samenwerking tussen verschillend instanties. Deze acties zijn vooral gericht op de externe oriëntatie. Voor de interne oriëntatie heb ik kleine interviews gehad met de betrokkenen om te onderzoeken of de opdracht van de opdrachtgever (hun leidinggevende) bij de betrokkenen ook speelden. In de database van de instelling heb ik gekeken naar documenten die betrekking hadden op dit onderwerp.

Vooral in de externe oriëntatie heb ik moeite gehad om wettenschappelijke artikelen te vinden, die aansloten bij mijn opdracht. Er is veel te vinden over samenwerking, dit was regelmatig vanuit een andere visie geschreven, waardoor het niet aansloot en niet eens dicht in de buurt kwam van mijn opdracht. Door eindelijk met de juiste trefwoorden op zoek te gaan stuitte er al snel een ander probleem op, artikelen die baat zouden hebben in mijn onderzoek, werden afgeschermd in een database. Mogelijkheid om deze te kunnen in zien kostte gemiddeld 50 dollar, of 40 euro per artikel. Na lang zoeken vond ik andere artikelen die gerelateerd waren aan mijn onderwerp en mijn externe oriëntatie begon ergens op te lijken.

Externe oriëntatie

Er zijn verschillende bezuinigen in de jeugdhulpverlening, de organisatie heeft te maken met bezuinigingen en het is niet de enige jeugdhulpverlenende organisatie in Amsterdam die grote bezuinigingen moet doen. Er is voor dit onderzoek en voor het mogelijke resultaat neer te zetten geen budget beschikbaar. Hier zal ik in de uitvoering rekening mee moeten houden.

In het basisonderwijs wordt nu veel gekeken hoe de school zelf kind hulp kan bieden door verschillende trainingen, projecten of lesmateriaal. Het is dus een vraag of ze open staan voor een ondersteuning van buiten de school.

De jeugdzorg is in de afgelopen jaren veel in de media geweest, onder andere het zeilmeisje Laura dat bureau jeugdzorg uit huis wilde plaatsen. Ook andere berichten dat bureau jeugdzorg in een slecht daglicht zetten door de slechte communicatie waren terug te lezen in de kranten. Dit geldt ook voor gebrekkige communicatie tussen de jeugdinstellingen. Het is niet alleen in de kranten te lezen dat de overheid zich meer met bureau jeugdzorg gaat bemoeien, op Prinsjesdag in de troonrede van 2009, zegt Koningin Beatrix dat het van essentieel belang is dat er wordt samenwerkt en noemt hierbij jeugdzorg.

Interne oriëntatie

Wat is de achtergrond van het probleem dat je gaat onderzoeken?

Het basisonderwijs heeft steeds meer te maken met kinderen met rugzakjes. Voor een aantal van deze kinderen is een rugzakje niet genoeg en komt er de jeugdhulpverlening in. Deze kinderen blijven naast de hulp naar school gaan. Het is daarom van belang dat het basisonderwijs contact heeft en samen werkt met de jeugdhulpverlening en andersom. Zoals in de externe oriëntatie te lezen is, is de samenwerking van jeugdzorginstellingen veel in het nieuws geweest en wordt benoemt als nodig en vereist. Hier is mijn opdrachtgever het mee eens en vindt dat uit de samenwerking met het onderwijs en de hulpvorm Altra 4-6 meer kan worden uitgehaald.

Welke handelingsverlegenheid bestaat er bij wie?

De handelingsverlegenheid is bij de opdrachtgever en de betrokkenen, dit zijn de gedragswetenschapper, pedagogisch medewerksters en de maatschappelijk werkster van de hulpvorm 4-6. Er is geen tijd om hier uitgebreid naar te kijken hoe de hulp en ondersteuning die nu geboden worden aan het kind en ouders en hierin de school te betrekken in de hulp. Het is onduidelijk wat de mening is van de scholen en wat de verwachtingen zijn van de hulp. Sommige leraren weten helemaal niet wat Altra 4-6 is. Als ze een afspraak hebben gemaakt om over een kind te praten gaat de tijd zitten in uitleggen en verantwoorden wat ze komen doen.

Er lijkt veel onwetendheid in deze situatie voor de leraren en betrokken en er is geen tijd om het uit te zoeken. De pedagogisch medewerkers hebben moeite met contact onderhouden, aangezien de bereikbare tijden van de leraren niet haalbaar zijn voor de pedagogisch medewerkers met als gevolg dat de communicatie stroef loopt.

Wat zijn visies en opvattingen van de bij het onderwerp betrokken in en buiten de organisatie?

De visie van Altra is dat de organisatie hulp aanbied dat effectief is omdat er wordt gewerkt in een driehoek. De hoeken bestaan uit het kind, de ouders (het gezin) en de school. Wanneer er in een van deze hoeken problemen zijn heeft dit effect op de andere hoeken en wordt dit ook zichtbaar. Als Altra in het gezin komt, is de doelstelling van de hulpverlener om vanuit deze driehoek te werken zodat er op alle fronten de problemen verbeteren of veranderen. Dit kan alleen werken als je in alle hoeken te werk gaat. De taken van de medewerkers van Altra zijn hier op toegespitst. Als er op al deze hoeken ondersteuning plaats vind, is de hulp effectiever. Dit zou ik graag willen bereiken met mijn advies.

Hoe urgent is het probleem?

De urgentie van dit probleem is niet hoog. Er wordt op dit moment er niet tegen dit probleem aangelopen. Het is een constatering die gedaan is door de medewerkers van de hulpvorm 4-6. Het contact met de school is momenteel beperkt, het contact is er voor een informatie uitwisseling. De betrokkenen zouden graag veranderingen willen zien in het contact omdat ze denken dat er meer uit te halen is. Zo is dit te zien bij de hulpvorm 6-12, die zich op de zelfde locatie bevindt. In de kranten is te lezen hoe slecht de communicatie is en de zorgen om de gevolgen hiervan. Het is zichtbaar waarom er een vraag is naar verandering en aanpassing.

Welk draagvlak is er bij de betrokkenen?

Er is een groot draagvlak bij de betrokkenen, in de interviews waren ze erg enthousiast naar het onderzoek. Er is ook een vraag naar verandering en aanpassing van de huidige omstandigheden en om mogelijk de effectiviteit te verhogen van de hulpvorm. De medewerkers van de 4-6 staan open voor verandering. De gedragswetenschappers die de pedagogisch medewerker en de maatschappelijk werker ondersteunt en begeleidt wilt verandering doorvoeren. Dit maakt het draagvlak van de betrokkenen groter omdat ze iemand hebben op om terug te vallen als ze het even niet weten. Als dit niet zou lukken, kunnen ze ook terecht bij de hoofdeenheid. Hij is de leidinggevende van de locatie.

Verslag terugkoppeling opdrachtgever

De opdrachtgever was benieuwd hoe dit onderzoek in zijn werk zou gaan en ging vorderen. Aangezien dit probleem niet alleen terug komt bij de 4-6, de 6-12 ervaart af en toe ook moeite met het contact van scholen. De ervaring met de opdrachtgever was dat ze ook een aantal spelingfouten vond, waar een extra blik op geworpen moest worden. De opdrachtgever gaf ook tips bij wie ik moest zijn als ik nog informatie wilde, ze wees me op een aantal feiten zoals dat de pedagogisch medewerker al gauw uit dienst trede, dus voor een interview moest dan haast worden gemaakt.

Definitieve probleemomschrijving

Na interviews met de betrokken is het probleem duidelijk geworden en na overleg met mijn opdrachtgever en in de afstudeerkring, was het realistisch om te kijken hoe ik globaal mijn onderzoek aan zou pakken door één lijn vast te houden, in plaats van verschillende lijnen combineren. In de colleges van docent Jan-Sanne Mulder is er gesproken over lijnen die je kan volgen in je onderzoek. Er waren verschillende soorten lijnen met allemaal een eigen doel of uitkomst. De lijn gaf een richting aan welke stappen je globaal moest ondernemen. Daarnaast was voor mij duidelijk geworden dat ik niet te maken had met een probleemstelling, maar een vraagstelling. Er waren op dit moment geen grote problemen ondervonden bij het contact met school. Het was meer een verzoek, hoe het anders zou kunnen en alle betrokkene hier baat bij zouden hebben.

Ik wilde meer te weten komen wat er speelde bij de betrokkene, maar ook bij de leraren die voor mijn gevoel recht tegen over de medewerkers van de 4-6 stonden in plaats van naast elkaar om elkaar te ondersteunen en helpen. Hiervoor zijn meningen van vele mensen nodig, van de betrokkene (de medewerkers van de hulpvorm 4-6) en de leraren die kinderen uit hun klas op de hulpvorm aangemeld zijn. Tevens horen hier ook de scholen bij die momenteel geen kinderen hebben aangemeld, maar dit in de toekomst mogelijk wel doen.

De definitieve vraagomschrijving is geworden; Hoe kan Altra hulpvorm 4-6 het basisonderwijs betrekken in de geboden ondersteuning aan kind en gezin?

Aangezien dit mijn vraagomschrijving is, is dit ook mijn centrale vraag. Hier zal het onderzoek uiteindelijk om draaien en het advies zal het antwoord zijn op deze vraag.

Centrale vraag en deelvragen

Centrale vraag:

Hoe kan Altra hulpvorm 4-6 het basisonderwijs betrekken in de geboden ondersteuning aan kind en gezin?

Deelvragen

Literatuurstudie:

Wat is het belang van samenwerking tussen de jeugdhulpverlening en het basisonderwijs?

  • Wat is de essentie van samenwerken?
  • Hoe is de samenwerking in gerelateerd jeugdinstellingen; zoals de brede school?

Diepteonderzoek:

Welke methodiek/methode kan een samenwerking bieden voor het basisonderwijs en de hulpvorm 4-6?

  • Hoe is de communicatie momenteel tussen het basisonderwijs en de

hulpvorm 4-6?

  • Wat is nodig voor een samenwerking op te zetten?
  • Welke mogelijke methodieken zijn toe te passen in dit project?
  • Wat bied je organisatie op dit onderwerp?

Implementatiefase:

Hoe kan er een samenwerking van start gaan tussen het basisonderwijs en de hulpvorm 4-6?

  • Hoe kan deze samenwerking de hulp effectiever maken?

Onderzoeksvraag:

Hoe kan Altra hulpvorm 4-6 het basisonderwijs betrekken in de geboden ondersteuning aan kind en gezin om tot samenwerking te komen?

Globale onderzoeksopzet

Waaruit zal het advies uit bestaan?

Het advies bestaat uit een methode/methodiek of een manier waarmee de betrokkenen het basisonderwijs kunnen betrekken en uiteindelijk een samenwerking op te bouwen. Deze methode/methodiek kunnen ze dan gebruiken in hun functie. Ook staat in de advies de mening van de school en hun ervaringen in het contact met de hulpvorm 4-6. Zodat dit in de toekomst kan worden mee genomen en hiervan te leren.

Uit welke onderdelen bestaat het advies?

  • Een methode/ methodiek voor meer betrokkenheid

Het is nog niet duidelijk wat dit wordt, in welke contact dit zal zijn, het wordt in ieder geval een manier een samenwerking te onderhouden en op te zetten.

  • Een (belangen)onderzoek bij het basisonderwijs en intern bij Altra 4-6

Een onderzoek zodat het duidelijk is wat de meningen en bereidheid bij iedereen is die er in de toekomst van gebruik gaat maken.

Er zal in het advies worden ingegaan over wat de school voor een communicatie graag zou willen en wat haalbaar is voor beide zowel de hulpvorm 4-6 als de leraren in de scholen. Er verteld worden waarom het van belang is dat school betrokken wordt in de hulpvorm en wat voor effecten dit kan hebben voor de kinderen. De methodiek die uit dit advies moet komen, is nog niet duidelijk dit moet vooral komen uit het onderzoek in het basisonderwijs. Met het onderzoek wil ik de methodiek naar voren brengen en met extra literatuur om hem te gebruiken.

Eisen van het project

  • Uitvoerbaar advies
  • Realistisch
  • Duidelijk voor de betrokken
  • Voor zichzelf sprekend
  • Visie Altra (driehoek aspect)
  • Het kunnen verantwoorden van de methode/ methodiek
  • Een start voor samenwerking tussen het basisonderwijs en de hulpvorm 4-6

Projectactiviteiten

Een methode/methodiek vinden of maken voor meer betrokkenheid van school bij de hulpvorm 4-6. Om hier op uit te komen wil ik een onderzoek doen bij de scholen en mogelijk andere hulpvormen. Ik wil onderzoeken en kijken welke methodieken mogelijk zijn om in dit project toe te passen.

De lijn die ik wil gaan toepassen is de leefwereld. Dat wil zeggen dat ik een diepte onderzoek ga doen bij de betrokken zowel bij het basisonderwijs en Altra. Ik vind het van belang dat het duidelijk is wat de betrokkene vinden en de personen er om heen die er uiteindelijk ook mee te maken zal hebben. Vandaar dat ik het breder trek dan alleen een paar leraren interviewen. Ik wil andere leraren enquêtes laten invullen zodat deze resultaten aanvullend kunnen zijn op de interviews. De gegevens wil ik gebruiken voor maken of vinden van een ontwerp dat gebruikt kan worden door alle betrokkenen.

Verslag onderzoek

Inleiding: toelichting onderzoeksvraag en subvragen

TOELICHTEN

De manier en methode waarop het onderzoek verder in gang wordt gezet en wat voor dataverzamelingsmethoden er worden gebruikt. Eerst komt het theoretisch kader, er wordt antwoord gegeven op de vragen aan de literatuur, na het theoretisch kader volgt een kleine verantwoording van de literatuur. Verder wordt toegelicht hoe het onderzoek vorm wordt gegeven en licht ik toe hoe ik op deze manier ben gekomen. Bij verschillende dataverzamelingsmethoden maak ik gebruik van respondenten, hierbij wordt toegelicht wie dat zijn en de rede waarom deze zijn uitgekozen. Hierin staat ook wanneer ik onderdelen van het onderzoek doe en wat ik nog wil doen in de komende tijd.

Om het nog even duidelijk hebben waar het om gaat in dit verslag, heb ik de opgestelde vragen hier onder neer gezet.

Onderzoeksvraag

Hoe kan Altra hulpvorm 4-6 het basisonderwijs betrekken in de geboden ondersteuning aan kind en gezin om tot samenwerking te komen?

Deelvragen

Literatuurstudie

Wat is het belang van samenwerking tussen de jeugdhulpverlening en het basisonderwijs?

  • Wat is de essentie van samenwerken?
  • Hoe is de samenwerking in gerelateerd jeugdinstellingen; zoals de brede school?

Diepteonderzoek

Welke methodiek/methode kan een samenwerking bieden voor het basisonderwijs en de hulpvorm 4-6?

  • Hoe is de communicatie momenteel tussen het basisonderwijs en de hulpvorm 4-6?
  • Wat is nodig voor een samenwerking op te zetten?
  • Welke mogelijke methodieken zijn toe te passen in dit project?
  • Wat bied je organisatie op dit onderwerp?

Theoretisch kader

Subvraag: De essentie van samenwerken

De oorsprong van samenwerking wordt al jarenlang gebruikt met verschillende beweegreden en gronden (Ruben, 2007). Door een slechte communicatie en samenwerking in het onderwijs, het welzijnswerk, de zorg en de hulpverlening ontstaan de meeste problemen (Onstenk, 2005). Zo vindt het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat met een samenwerking tussen onderwijs en jeugdzorg, het onderwijs zich meer richt op aan haar kerntaak, namelijk het lesgeven. (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2008)

Om het zelfde doel te bereiken hoeven niet alle werkwijzen hetzelfde te zijn. Als een samenwerking zich richt op het verbeteren van de pedagogische kwaliteit van de hulpverlening, wordt hieraan bijgedragen aan de vergroting van kansen voor een goede ontwikkeling van kinderen en jongeren (Onstenk, 2005). Daarnaast ook voor preventie van problemen zodat problemen in een vroeg stadium kunnen worden aangepakt en verholpen (Faas, 2004). En meer samenwerking werkt tot grotere doeltreffendheid. Als scholen gerichter hulp aanboden zouden krijgen kan het onderwijs zich verbeteren en kan er goed worden samen gewerkt met externe instellingen, zoals jeugdzorg (Rutgers, 2000). Met dit als perspectief is Jeugdzorg verplicht om samen te werken met andere instellingen (Faas, 2004).

In de Verenigde Staten is er onderzoek gedaan door het Urban Instituut naar samenwerking tussen hulpverlening en de jeugdhulpverlening. Hieruit komt naar voren dat de samenwerking de organisaties verder helpt ontwikkelen. Door samenwerking is er meer informatie uitwisseling en gericht programma's ontwikkelt. (Andrews, Bess, Jantz & Russell, 2002).

Iedereen heeft hetzelfde doel en desondanks is het niet duidelijk hoe de samenwerking moet worden vorm gegeven om resultaat te bereiken. De factoren en hulpmiddelen die een rol spelen voor een effectieve samenwerking, zijn niet duidelijk (Altshuler, 2003; Ruben, 2007).

Er komen veel kenmerken naar voren waarin auteurs het met elkaar eens zijn wat belangrijk is in een samenwerking. De inzet van de betrokken partijen is essentieel in een samenwerking (Smeets, Rispens, 2008; Bruning, 2006; McCulloch, Tett & Crowther, 2004; Haan, 2005), de professionals moeten hun functie kunnen uitvoeren. Voor bijna elke beroepsector moet er worden samengewerkt, pedagogen werken met verschillende medewerkers die betrokken zijn met kinderen en opvoeders, jeugdzorg, leraren, sociaal-cultureel werkers, etc. Als pedagoog werk je altijd samen, soms kan dit ook onbewust gebeuren, zoals het overleggen met je collega is al samenwerken (Onstenk, 2005). Een goede een regelmatige communicatie tijdens een samenwerking (Steltenpool, 2007; Onstenk, 2005; Zandberg, 2000, Smeets, 2008), in deze communicatie moet er verantwoordelijkheid worden genomen en leiding worden gegeven door een van de betrokken partijen (Ledoux et al, 2007; Steketee, 2008; Faas, 2004; Wijnhoven & Wijnen, 2004; Ruben, 2007).

Er zijn altijd wel samenwerkingen in gang of zijn op komst. Bij de brede school staat samenwerking centraal en wordt er uit deze visie gewerkt en verder ontwikkelt. De brede school wil de samenwerking o.a. verbeteren in het onderwijs en de jeugdzorg. De aandacht gaat dan vooral om de risicojongeren en de preventie van ontwikkelingsachterstanden en gedragsproblemen (Emmelot, van der Veen & Ledoux, 2006; Ewijk, 2006). Door de samenwerking kan er bij risicojongeren vroeg gesignaleerd worden en direct hulp van start gaan of worden doorwezen (Doorduijn, Fiddelaers-Jaspers, Spee & Veen, 2002 ).

Conclusie

Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2009) vindt het belangrijk dat er een samenwerking tussen onderwijs en jeugdzorg is. Zoals het gezegd; er zijn meerdere wegen naar Rome, geldt dat ook voor een samenwerking. Er zijn meerdere manieren om tot een samenwerking te komen met een centraal doel. Het doel van de samenwerking in de jeugdhulpverlening en het onderwijs is de ontwikkeling en kansen vergroten van de kinderen en jongeren (Onstenk, 2005). Met gerichte hulp zou het onderwijs zich kunnen verbeteren en samenwerken met externe instellingen(Rutgers, 2000). Zo kan er bij de kinderen met name bij risicojongeren eerder gesignaleerd worden en de hulp meteen aan de slag (Doorduijn et al, 2002).

Subvraag: De samenwerking in gerelateerde jeugdinstellingen.

Jeugdzorg

Bureau jeugdzorg is de verbinding tussen de jeugdhulpverlening instellingen. Voor deze verbinding draagt Bureau jeugdzorg verantwoordelijkheid voor samenwerking en duidelijke afspraken met jeugdzorginstellingen. Er is al veel gesproken over de samenwerking van Bureau jeugdzorg in de afgelopen jaren. (Jeugd, Eijgenraam, Steege, van der & Metselaar, 2004). Er zijn in 2002 en 2003 onderzoeken gedaan door de inspectie naar aanleiding van slachtoffers en incidenten bij gezinnen. Uit het onderzoek bleek dat er onvoldoende samenwerking was geweest met de andere betrokken hulpverleners, de situatie was daardoor ernstig onderschat (Faas, 2004; Bruning; 2006).De opzetrede van bureau jeugdzorg was om één toegang te maken naar de zorg om dit beter te kunnen organiseren, beter afstemmening en samenwerking van verschillende sectoren te creëren(Steketee, 2008). Daarvan was bij de slachtoffers en gezinnen uit de inspectieonderzoeken van 2002 en 2003 geen sprake van. Om dit te voorkomen is een functie gemaakt om over deze verantwoordelijkheid te waken, de gezinscoach. De gezinscoach is verantwoordelijk voor een goede samenwerking en afstemming tussen verschillende instellingen van één gezin (Faas, 2004). Als er een gezinsvoogd in het gezin komt, wordt de rol van de gezinscoach door de voogd overgenomen. Bruning (2006) wijst op verschillende rapporten waaruit een heldere oorzaak wordt getrokken dat de samenwerking en communicatie beperkt is. Hierin speelt de jeugdbescherming ook een rol doordat de gezinsvoogd niet de taken oppakt, zoals de verantwoordelijkheid oppakken en het regisseren van de hulpverlening. Na onderzoek van operatie Jong (2006) blijkt dat er een beperkte uitwisseling is van gegevens, samenwerking en overdracht. Terwijl jeugdzorg en jeugdbescherming beide ondergebracht zijn bij Bureau jeugdzorg (Bruning, 2006). Steketee (2008) ziet dit niet al de nalatigheid van de gezinsvoogd, maar van de hulpverleners zelf. De hulpverleners stellen hun vragen niet verder dan hun eigen instelling. Zelfstandig gaan de hulpverleners niet informeren of vragen bij andere instellingen. Hierin komt wel het niet nemen van verantwoordelijkheid in terug, ondanks gezinnen soms wel met 15 hulpverleners te maken hebben (Steketee, 2008). Doordat de andere betrokken instelling niet de zelfde werkwijze gebruikt loopt de samenwerking niet goed. Er wordt dan gewerkt volgens te veel werkwijze (Smeets, 2008). Smeets (2008) heeft het dan over de werkwijze één kind/gezin, één plan. Als gezinnen te maken hebben problemen op meerdere fronten, komen er hulpverleners van verschillende instellingen in het gezin. De hulpverleners moeten gaan werken volgens één werkwijze, waardoor de samenwerking goed verloopt tussen hen. Het één kind/gezin, één plan principe heeft als doel de eigen kracht van het gezin te herstellen (minister Rouvoet voor jeugd en Gezin, 2009). Ewijk (2006) noemt twee problemen, het functioneren van jeugdzorg en het tweede probleem aan de gebrekkige samenwerking met andere instellingen. In het onderwijs wordt geprobeerd om lokaal de samenwerking te verbeteren, dit is vooral terug te zien bij de brede school.

Onderwijs

Een kind brengt veel van zijn tijd door op school. De school is daarom een schakel in het leven van het kind. Als er knelpunten zijn in de opvoeding worden deze punten vaak aangegeven op school en kan problemen signaleren bij de kinderen. Doordat de school de problemen als eerst signaleert maakt het hen geen probleemeigenaar, dit wordt vaak zo door de school gezien (Wijnhoven, Wijnen, 2004). De school hoort niet alleen de verantwoordelijkheid gaan dragen, zeker niet als het gaan om achterstanden te voorkomen (Valkestijn, 2002). Er komen door de afstemming tussen onderwijs, welzijn, jeugdzorg en de jeugdhulpverlening frustraties naar voren(Wijnhoven, Wijnen, 2004). Het is bekend dat samenwerkingsverbanden als belangrijk middel kunnen dienen in het onderwijs (McCulloch, Tett & Crowther, 2004). Het onderwijs en de jeugdzorg hebben verschillende overeenkomsten, maar ook andere uitgangspunten. Dat maakt het voor de betrokken lastig om samen te werken, met als resultaat door de missende samenwerking schiet de hulp bij de kinderen te kort. Onderzoek liet zien dat de betrokkene geen vertrouwen in elkaar hadden en was er geen bereidheid om te communiceren met elkaar, dit vonden ze zonde van de tijd (Altshuler, 2003). Jeugdzorg ziet het onderwijs niet als gelijke bondgenoot, ondanks dat de school belangrijke informatie kan overdragen naar jeugdzorg over de oorzaak van het probleem (Zandberg,2000). Ook benoemt Zandberg (2000, p. 16): "instellingen zijn veel te veel met zichzelf bezig (...) door onvoldoende afstemming tussen hulpverlening en onderwijs belanden leerlingen vanwege probleemgedrag op een schoolniveau beneden hun mogelijkheden". Het is belangrijk dat er afstemming en ondersteuning aanwezig is in een samenwerking, de samenwerking moet functioneel zijn. Zo kan ieder zijn taak doen en aanvullend kan werken voor de ander (Zandberg, 2000). Als er onwerkelijke eisen worden gesteld of er rivaliteit bestaat tussen de betrokken kan de samenwerking moeilijk zijn. De tijd, inzet en hulpmiddelen moeten aanwezig zijn om een samenwerking effectief te maken (McCulloch, Tett & Crowther, 2004).

Brede school

In de Nederlandse brede scholen is de gemeenschappelijke factor de samenwerking tussen school en externe instellingen (Emmelot, van der Veen, Ledoux, 2006). Het idee van de brede school en het samenwerkingsprincipe bestaat al sinds 1984, dit was alleen onder een andere naam gebracht onderwijsvoorrangsbeleid. Zij onderhielden samenwerking tussen onderwijs en andere instellingen als de bibliotheek, welzijnsinstellingen, sport- en cultuurclubs (Valkestijn, 2002). De samenwerking staat bij de brede school centraal. De overheid stimuleert de samenwerking van het onderwijs en andere betrokken van de brede school. Scholen krijgen namelijk een bredere functie, niet alleen het lesgeven. De brede school is gericht op de totale ontwikkeling van kinderen met een voorbereiding op de maatschappij. De maatschappij heeft ook invloed op het leergedrag van het kind naast de school. Doordat de school aansluit bij deze behoefte blijkt er meer betrokkenheid en integratie te komen. (Duit, 2009). Uit verschillende gesprekken kwam naar voren dat brede scholen een meerwaarde hebben. Hierin wordt uitgelegd dat een brede school een samenwerkingsverband is tussen verschillende instelling die betrokken zijn met kinderen, opvoeders en de buurt. De betrokkenheid en communicatie zijn een aandachtspunt bij de brede school(Wijnhoven & Wijnen, 2004). Wijnhoven & Wijnen (2004) noemen daarnaast dat bij de brede school de communicatie tussen de betrokken bij de brede scholen een aandachtspunt is. Duit (2009, p. 23) geeft een duidelijk beeld wat hij van de brede school vindt: "Een goede samenwerking maakte de brede school tot een succes".

Jeugdzorg en onderwijs

In de praktijk is de samenwerking tussen onderwijs en jeugdzorg zich verder aan het ontwikkelen. Dit betekend niet meteen dat deze ontwikkelingen hebben gezorgd tot een "duurzame en structurele verbetering". Het aantal hulpbehoevende gezinnen lijkt nog steeds te groeien. Deze druk is vooral te voelen in het onderwijssysteem en de leerlingbegeleiding (Doorduijn, Fiddelaers-Jaspers, Spee, Veen, 2002). De school komt in de meeste gevallen als eerst in aanraking met de hulpbehoevende gezinnen en kan signaleren of er problemen aanwezig zijn (Wijnhoven, Wijnen, 2004). Doordat de school in contact met verschillende instellingen is de school een verbindingspunt van vele zorglijnen die met kinderen en jongeren betrokken zijn. Er is afstemming nodig en wordt er om samenwerking gevraagd, aangezien de school een belangrijke rol heeft (Leurs, M., Mur-Veeman, I., Schaalma, H., Feron, F. & Vries, N. de, 2005

In 1995 verscheen er een notitie van staatssecretaris Netelenbos waarin stond dat op lokaal niveau er een gericht afstemmingsoverleg moet komen om de samenwerking beter te realiseren. Aangezien meer samenwerking werkt tot grotere doeltreffendheid in het onderwijs en jeugdbeleid (Rutgers, 2000).

Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2009) vindt dat er samenwerking nodig vanuit het onderwijs en jeugdzorg om kinderen volledige zorg aan te bieden. Samenwerken is effectief, door de effectiviteit wordt de aandacht meer gevestigd op de samenwerking dan het doel wat bereikt wil worden met de samenwerking (Haan, 2005).

Er is in Rotterdam een project geweest, genaamd samenwerking onderwijs en jeugdzorg. Het samenwerkingsproject keek naar de behoeftes op verschillende niveaus. Een paar van de behoeftes en doelen waren een beter aansluiting tussen het onderwijs en bureau jeugdzorg, tijdige signalering van problemen bij de leerlingen en sterke samenwerking tussen de school en jeugdzorg (Bogaart, van den, Kuijvenhoven & Veen, 2005). Bruning (2006, p. 51) : "Bij een samenwerking moet niet uit het oog worden verloren dat een dergelijke investering moet samengaan met een bereidheid tot samenwerking; er moet draagvlak bestaan voor een verbetering (...) anders levert het nog niets op " .

Het gebruik maken van korte lijnen tussen onderwijs en jeugdzorg kan dan snel de passende hulp geven. Dit beeld lijkt ideaal alleen is er nog geen methode gevonden die zijn effectiviteit heeft bewezen. Er wordt daarom naar gestreefd om te doen wat werkt, zodat de ontwikkeling van kinderen zo goed als het kan verloopt(Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2009, artikel: jeugdzorg).

Conclusie

De samenwerking van jeugdzorg heeft de afgelopen jaren in een slecht daglicht gestaan (Jeugd et al. 2004; Faas, 2004; Bruning; 2006). Ook in het onderwijs wordt gezocht naar een goede samenwerkingsmanier. Zodat de school niet zelfstandig op zoek naar hulp moet en de problemen met zich mee draagt (Wijnhoven, Wijnen, 2004). McCulloch et al. (2004) geven aan dat het al bekend is dat samenwerkingsverbanden als belangrijk middel kunnen dienen in het onderwijs. Wat maakt het dan zo moeilijk om samen te werken met elkaar, als het zoveel kan opleveren voor iedere betrokkenen. Altshuler (2003) komt met een duidelijk antwoordt. Het onderwijs en de jeugdzorg hebben overeenkomstige en afwijkende uitgangspunten. Hierdoor wordt het lastig gemaakt om samen te werken. Daarnaast geeft het Ministerie van onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2009) nog eens aan dat er vele samenwerkingsverbanden aanwezig zijn in onderwijs en jeugdzorg, alleen zijn de meeste niet effectief of werken niet zo als het zou moeten. Er wordt daarom gewerkt met een manier dat voor de instelling zelf effect op levert. Hierin wordt alleen gekeken naar eigen instelling en hun belangen.

Er moet afstemming en ondersteuning aanwezig is in een samenwerking, zodat een samenwerking moet functioneel is. En de betrokkene elkaar zien als een gelijke bondgenoot, die elkaar nodig hebben en kunnen gebruiken (Zandberg, 2000). De betrokkene van de brede school zijn content met het samenwerkingseffect van de brede school. Ondanks dat de brede school de samenwerking nog verder aan het ontwikkelen en verbeteren is (Wijnhoven & Wijnen, 2004). "Een goede samenwerking maakte de brede school tot een succes": Duit (2009 p. 23). Dat geldt niet alleen voor een brede school ook voor andere zorg instellingen, samenwerking is effectief (Haan, 2005).

Conclusie Literatuurstudie

Het belang van samenwerking tussen de jeugdhulpverlening en het basisonderwijs.

Het is van groot belang dat er samen wordt gewerkt tussen de jeugdhulpverlening en het basisonderwijs. Er hebben verschillende incidenten plaats gevonden door een gebrekkige samenwerking, (Jeugd et al. 2004; Faas, 2004; Bruning, 2006) dit moet worden voorkomen. Om de kansen te vergroten en de ontwikkeling te verbeteren van kinderen en jongeren is samenwerking tussen jeugdhulpverlening en onderwijs nodig (Onstenk, 2005). Dit zal niet alleen iets opleveren voor de kinderen, ook voor de beide partijen zelf zou het veel opleveren (McCulloch et al. 2004). Er moet gekeken worden naar de belangen van beide partijen en niet gekeken worden op welke manier de instelling zelf het meest effect op levert (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2009). Voor een samenwerking is het gebruik maken van korte lijnen tussen onderwijs en jeugdzorg effectief en kan zo de passende hulp worden geven. Een samenwerking moet functioneel zijn en de partijen moeten elkaar daarom zien als gelijke bondgenoot, die elkaar nodig hebben en kunnen gebruiken als het nodig is (Zandberg, 2000).

Verantwoording literatuur

De literatuur die ik heb gebruikt is mijn theoretisch kader is niet ouder dan 10 jaar. Ik heb eerst getwijfeld of ik de grens op 5 jaar wilde houden. Maar toen ik twee goede artikelen vond van 10 jaar oud vond, wilde ik deze gebruiken. De artikelen hebben bijna allemaal een onderzoek in zich of verwijzen naar literatuur die ik heb gevonden of zelf heb gebruikt. Vooral de bron van het ministerie heb ik afgewogen, aangezien zij het beleid aangegeven en niet zelf uitvoeren, toch drukte ze op de feiten en waren er overeenkomsten met andere artikelen. In de literatuur heb ik het onderscheid gemaakt in het onderwijs, de literatuur van het speciaal onderwijs heb ik niet gebruikt. In mijn opdracht gaat het om het reguliere basisonderwijs en persoonlijk vind ik het een verschil met het speciaal onderwijs, daar is er meer tijd voor zorg en dit kwam ook vaak terug in de literatuur. Daarom wilde ik de literatuur gebruiken die voor mijn onderwerp relevant was en kan gebruiken in het onderzoek. Ik heb een aantal auteurs meer naar voren laten komen omdat ik deze literatuur sterk vond, ze waren goed onderbouwt en er was vaak een onderzoek aan verbonden.

Onderzoeksontwerp en methodologische verantwoording

Type onderzoek

Er zal een kwalitatief onderzoek worden gedaan met een aanvullen kwantitatief onderzoek. Het kwalitatief onderzoek zal bestaan uit een interview met leraren. Dit interview is een ongestructeerd interview het bevat een aantal onderwerpen/topics die worden besproken. Het kwantitatief onderzoek zal bestaan uit een enquête, met een aantal gesloten en open vragen. Zowel dit kwalitatief als kwantitatief onderzoek wil ik funderen met de literatuur.

Daarnaast komt er nog een klein kwalitatief onderzoek, een documentenanalyse over de samenwerkingverbanden die al bestaan binnen de stichting. Aanvullend hierop wil ik een onderzoek doen met een beleidsmedewerker van de organisatie en een medewerker van een andere doelgroep waarbij meer met school gewerkt wordt. Dit kwalitatief onderzoek zal een halfgestructureerd interview zijn, bestaande uit open vragenlijst.

De keuze voor dit type onderzoek is gekomen aangezien ik met mijn onderzoek meer informatie wil krijgen van de andere betrokken partij, het onderwijs in het bijzonder de leraren. Hun mening is belangrijk in dit onderzoek en is nog niet naar voren gekomen. Het resultaat van dit onderzoek heeft een groot effect op het advies. Ook moet het onderwijs zich kunnen vinden in het advies, aangezien de mogelijkheid er is dat zij hier mee gaan werken. Door het grote aantal scholen in de regio Oost komt naast het kwalitatief een klein kwantitatief onderzoek, om de andere scholen die niet worden geïnterviewd te betrekken en hun mening te kunnen weergeven.

Voor het onderzoek ben ik op zoek naar een methode die mogelijk kan gebruikt worden om een samenwerking op te bouwen. De documentenanalyse geeft de mogelijkheid om hier nadrukkelijker naar te kijken wat pas bij de hulpvorm 4-6 en het onderwijs. Er wordt gewerkt met een visie van de instelling. Het advies dat ik uitbreng zal wel met een richtlijn van de visie moeten zijn, dat is de rede om een interview te houden met de beleidsmedewerker en een pedagogisch medewerker. Deze werknemers werken vanuit deze visie met school.

Dataverzamelingsmethoden

Kwalitatief onderzoek

  • Ongestructureerd interview
  • Documentenanalyse
  • Halfgestructureerd interview

Kwantitatief onderzoek

  • Enquête

De keuze voor het ongestructureerd interview is komen omdat ik veel informatie wil vanuit de respondent zelf. Door dit interview is de respondent vrij om informatie te geven en kan de eigen mening worden gegeven zonder een mening opgelegd te krijgen of indoctrinatie genoemd. Met deze interviewvorm win ik juist die informatie in die ik zoek.

De documentenanalyse wil ik gebruiken voor het vinden van een methode, waarop mijn advies kan aansluiten of kan gebruiken in mijn advies. De documentenanalyse geeft mij de ruimte waar ik naar toe wil aansluitend op mijn kwalitatief onderzoek. En zorgt er voor dat ik niet het wiel opnieuw uit ga vinden.

Het halfgestructureerd interview ga ik gebruiken om informatie te verkrijgen, dit is niet gericht op de mening van de persoon. Het gaat om de ervaringen en mogelijkheden, daarom heb ik een open vragenlijst. Dit kan mogelijk aanvullend zijn op de documentenanalyse. Door de ervaringen met bestaande methoden.

Met de enquête wil ik de mensen die ik niet bereik met mijn interview vragen om hun mening over het onderwerp. De tijd maakt het niet mogelijk om iedereen te interviewen, dat is de rede dat ik de enquête als aanvullende informatie gebruik bij mijn kwalitatieve onderzoek. Dit kost minder werk voor mij en tevens voor de respondenten. Om er voor te zorgen dat de resultaten terug komen bij mij, maak ik een korte en bondige enquête op internet zodat ik zoveel mogelijk kans heb op ingevulde enquêtes.

Procedures

Ongestructureerd interview

Onderwerpen noteren door middel van de literatuur

Toestemming vragen voor gesprek op te nemen

Enquête

E-mails verzamelen van respondenten

Opstellen van enquête door middel van de literatuur

Enquête versturen via internet

Documentenanalyse

Methoden vinden die binnen de visie van de instelling valt

Halfgestructureerd interview

Open vragenlijst maken door middel van de literatuur

Toestemming vragen voor gesprek op te nemen

Respondenten en documenten

Ongestructureerd interview respondenten

8 leraren van het basisonderwijs in de regio Oost Amsterdam.

De scholen waar de 8 leraren werken zijn een aantal scholen waarmee de hulpvorm 4-6 contact mee heeft, dit verschilt van goed tot matig contact en er zitten 3 scholen bij waarmee de hulpvorm 4-6 nog nooit contact mee heeft gehad. Deze scholen zijn ook gekozen voor de haalbaarheid van reizen. Sommige scholen zijn te ver weg van de hulpvorm en zullen daarom ook niet geïnterviewd worden.

Enquête respondenten

De leraren van het basisonderwijs in de regio Oost Amsterdam waarmee geen interview wordt gehouden.

De overige scholen naast de 8 scholen die worden geïnterviewd. Ook de scholen die ondanks de afstand van de hulpvorm geen kinderen aanmelden ook een enquête gestuurd, omdat dit een suggestie is dat er geen kinderen worden aangemeld, dit is verder nooit onderzocht.

Halfgestructureerd interview respondenten

Medewerkers van Altra; beleidsmedewerker en een pedagogisch medewerker 6-12.

De visie van Altra is dat er wordt gewerkt met school en gezin, dat is op de hulpvorm 4-6 bijna geen sprake van en daarom wilde ik graag de drijfveer hiervan van een beleidsmedewerker horen. Daarnaast wilde ik een pedagogisch medewerker spreken die wel meer met de scholen werkt want op een andere afdeling( 6-12) wordt dit meer gedaan.

Betrokkene; de pedagogische medewerkers, maatschappelijke werkster, stagiaire

Het gaat er om dat de betrokkene er mee gaan werken, daarom wil ik met hun ook een interview houden, zodat behoeftes en mogelijkheden naar voren komen.

Documentenanalyse

De methoden die worden gebruikt binnen de instelling en mogelijk andere methoden die passen bij de visie van de instelling. De methoden van de instelling zijn te vinden op intranet. Ik wil een van de methoden die past binnen de visie van de instelling en aansluit bij de huidige werkwijze van betrokken van de hulpvorm 4-6. Dit kunnen er nog meer zijn en hiervoor is ook het gesprek met de beleidsmedewerker nodig.

Onderzoeksinstrumenten

Ongestructureerd interview

  • Onderwerpen m.b.t. gesprekstechniek VAI

Enquête

  • Korte vragenlijst

Documentenanalyse

  • Welke methode voor een samenwerkingband past er bij de hulpvorm 4-6 en het onderwijs?
  • Met het gebruik maken van de bestaande methoden vanuit de instelling.

Halfgestructureerd interview

  • Open vragenlijst

Operationalisatie; de betrouwbaarheid en de validiteit.

De Onderwerpen, korte vragenlijst en de open vragenlijst zullen komen vanuit de literatuur. Ze zullen door de literatuur worden gefundeerd. Zodat de gebruikte onderzoeksinstrumenten betrouwbaarheid en de goede validiteit heeft door recente literatuur te gebruiken (niet ouder dan tien jaar) en van een betrouwbare bron (onderzoek van universiteiten).

Onderzoeksprocedure

Ongestructureerd interview

  • Inplannen 8 ongestructureerd interviews met leraren
  • Ongestructureerde interviews maken
  • Ongestructureerde interviews met leraren
  • Verbatem schrijven
  • Interviews analyseren en vergelijken.
  • Membercheck
  • Conclusie trekken

Enquête

  • Mail regelen voor enquête, e-mails opzoeken.
  • Enquête maken
  • Enquêtes versturen
  • Herinneringsmail sturen voor enquête
  • Enquêtes innen
  • Resultaten in grafiek verwerken

Documentenanalyse

  • De methoden onderzoeken
  • De methoden toepasbaar op hulpvorm 4-6
  • Overige methoden analyseren
  • Één methode kiezen voor gebruik
  • Mogelijk methode aanpassen naar aanleiding van verschillende interviews

Halfgestructureerd interview

  • Halfgestructureerde interviews maken
  • Inplannen halfgestructureerde interviews met beleids- en pedagogisch medewerker en betrokkene.
  • Interview met beleids- en pedagogisch medewerkers en betrokkene
  • Verbatem schrijven
  • Analyseren
  • Membercheck
  • Conclusie trekken

Data verwerken

Ongestructureerd interview

Eerst alle interviews afnemen, verbatem uitschrijven en deze samenvoegen met elkaar. Daarna de interviews analyseren met wat overeen komt en mogelijke onderwerp/meningen die duidelijk naar voren komen.

Enquête

De resultaten van mijn kwantitatief onderzoek wil ik in een grafiek zetten aangezien de vragen vooral gesloten zullen zijn is dit goed weer te geven in een grafiek. Dit wil ik met behulp van het Google programma docs doen.

Halfgestructureerd interview

Dit interview wil ik verbatem uitschrijven, vergelijken met de andere interviews en samen analyseren met mijn documentenanalyse voor het uiteindelijke advies.

Beschrijving verloop van het onderzoek

De start van het onderzoek liep al snel vast, de scholen waarmee ik contact op wilden nemen om een ongestructureerd interview, wilden niet deelnemen aan het onderzoek. Ik kreeg aan de telefoon ook niet de mogelijkheid om toe te lichten wat voor de scholen het voordeel was dat ze uit dit onderzoek konden halen. Hierin kwam meteen al naar voren dat scholen vaak moeilijk te bereiken waren en amper aan de telefoon te spreken waren.

In overleg met mijn opdrachtgever willen we het op een andere manier verzinnen. De enquête uitbreiden en deze naar alle scholen in de regio sturen en de ongestructureerde interviews laten vervallen. Er waren namelijk ervaring dat scholen meer reacties terug gaven als het in een mail kon. Ik stuurde de introductie mail naar de intern begeleiders en lichte toe was mijn doel was en mijn verzoek om een enquête in te vullen. Hier reageerde maar een enkele school op. Daarom stuurde ik nog een tweede mail met de enquête bijgesloten en nog extra toegelicht wat voor een baat de scholen hier bij zouden hebben. Ik kreeg al meer reacties terug en er was weer goede hoop. Mijn eerste intentie was de enquêtes te verzenden en verwerken met google doc, dat is niet gelukt. Hiervoor moest elke intern begeleider een gmail account hebben en dat was niet van toepassing. Ik wilde mijn enquête daarom verwerken in words exel.

De voorjaarsvakantie begon in zicht te komen en ik ging verder met het andere deel van mijn onderzoek de halfgestructureerde interview plannen met de betrokkenen, de beleidsmedewerker en de twee pedagogisch medewerkers van de 6-12. Deze afspraken kon ik makkelijk plannen. Een pedagogisch medewerker van de 4-6 zou vertrekken en daarom heb ik met haar als eerste een interview gehouden, zij is per 1 mei 2010 uit dienst getreed. Haar vervanger kwam van een andere hulpvorm en had weinig ervaring nog met school, ik heb haar daarom niet geïnterviewd. Ook ging de stagiaire weg, zij had haar stage niet gehaald en verliet vroegtijdig de groep. Het verbatem uitschrijven van de interview kostte meer tijd dan ik had ingepland.

De documenten die ik al op Altranet (een internet site met alle informatie van de stichting) had gevonden waren allemaal gerelateerd aan een samenwerkingsrelatie. Ik kon daarvan al veel stukken uitsluiten omdat ze over andere samenwerkingen gingen die niet gerelateerd waren aan mijn onderwerp of niet naar mijn onderwerp konden worden verbogen.

Een gesprek plannen met de beleidsmedewerker ging ook niet zo gemakkelijk, ze wilde namelijk graag een afspraak samen met een collega was projectleider en werkte aan de nieuwe ontwikkelingen in de stichting. Uiteindelijk heb ik een kort gesprek gehad met de projectleider en uiteindelijk moest het interview met haar over de telefoon, daar had ik nog al veel moeite mee en dat interview is er ook niet goed uitgekomen.

Na mijn interviews met de pedagogisch medewerkers van de 6-12, kreeg ik nog meer documenten in handen, die zij gebruiken bij het contact met scholen. Hierdoor ging ik kijken naar andere gerelateerd materiaal dat een andere hulpvorm het Sprint gebruikte met het contact met scholen.

Toen de voorjaarsvakantie voorbij was heb ik nog een herinneringsmail gestuurd naar de intern begeleiders over de enquête dat hij over een paar dagen opgestuurd moest worden. Toen het de dag van de deadline was, ontving ik één enquête dat bracht mijn totaal op drie ingevulde enquêtes. Hierna heb ik een mail gestuurd dat ik weinig enquêtes terug had gekregen en nogmaals een verzoek om hem toch in te vullen en benadrukte extra dat dit een deel was van het onderzoek en de scholen hier voordeel uit konden halen. Ik ontving alleen nog een mailtje van een intern begeleider met de mededeling dat haar school niet zou deelnemen aan de enquête. Aangezien de respons van de enquête beperkt was heb ik hiervan geen grafieken gemaakt, maar de ontvangen enquêtes toegelicht.

Resultaten

Halfgestructureerde interviews

Er hebben totaal 8 halfgestructureerde interviews plaats gevonden.

De helft van deze interviews hebben plaats gevonden met de betrokkene.

  • Pedagogisch medewerker 4-6
  • Pedagogisch medewerker 4-6 (recent vertrokken)
  • Maatschappelijk werker 4-6 / 6-12 Oost
  • Gedragswetenschapper 4-6 / Sprint Oost / 6-12 Ijburg

De andere vier interviews hebben plaats gevonden met andere Altra medewerkers

  • Pedagogisch medewerker 6-12 Oost
  • Pedagogisch medewerker 6-12 Ijburg
  • Beleidsmedewerker
  • Projectleider nieuwe zorglijnen

Interviews betrokkenen

In de interviews van de betrokken komen veel de zelfde punten naar voren. Zo benoemden ze allemaal dat de meeste scholen slecht te bereiken zijn, het contact verloopt tijdens een plaatsing moeilijk met de school. Ook ervaren de betrokkenen dat het lastig is om afspraken te plannen en werkelijk plaats te laten vinden. Als er tijd is om contact op te nemen wanneer leraar beschikbaar is, komt het voor de pedagogisch medewerker niet uit, want dan komen de kinderen gehaald of gebracht, geen geschikt moment mogelijk. Er is een gemis aan openheid, dit wordt vaak afgeleid naar het niet weten wat het aanbod inhoud en mogelijk niet het nut van de hulp inzien. Alle betrokkenen zouden graag meer tijd willen in het contact met de scholen. Iedereen heeft zo zijn eigen ervaringen met het contact met school. Er zijn ook een aantal verhalen die positief zijn en waar men tevreden is over het contact, de overhand van de verhalen zijn toch negatief. Het contact verschilt namelijk per school, per intern begeleider en leerkracht, hierdoor is de samenwerking ook afhankelijk van een de inzet van de school, intern begeleider of leerkracht, dat is de mening van alle pedagogisch medewerkers en de gedragswetenschapper. Om terug te gaan naar de positieve ervaring en hieruit meer te halen, blijkt voor iedereen moeilijk te zijn. Het kan zijn dat de leerkracht Altra al langer ken en daarom bekend is met de werkwijze en de methodes die gehanteerd worden door de 4-6 en de mentor van het kind, het contactpersoon voor de school, een van de pedagogisch medewerkers van de 4-6. Er zijn leraren die zich willen inzetten voor veranderingen in het gedrag van het kind en hier actief aan mee werken. Dat leraren sneller meewerken door grote problematiek bij de kinderen wordt ook niet zichtbaar. Één van de pedagogisch medewerkers van zelf dat het soms juist andersom is, een leraar met een lastig kind in zijn klas, keerde zich juist meer tegen de omdat het geen zin had en er geen verandering plaats vond. De maatschappelijk werker heeft niet veel contact met school van de kinderen op de 4-6, af en toe heeft ze dit wel bij één van de kinderen op de 6-12 en dat is zelden. De maatschappelijk werker kijkt daarom meer naar het proces voor de aanmelding, hierin kan ook gewerkt worden aan samenwerking. Dit is het voor werk voor de samenwerkingsrelatie van de pedagogisch medewerkers en de school. Maar daarvoor is tijd nodig. Tijd, komt veel terug in de interviews er is meer tijd nodig om meer te doen dat ze nu al doen. Zo dat ze tijd hebben voor frequenter contact bijvoorbeeld elke 3 weken een gesprek, want gesprekken zijn belangrijker dan de observaties. Er is tijd nodig om meer uit de samenwerking te halen. Want dat zou meer kunnen opleveren voor beide partijen de 4-6 en de school. De betrokkenen vinden dan ook niet dat het alleen van school vandaan moet komen. Ondanks negatieve ervaringen, wordt er toch met respect en waarde over de scholen, leerkrachten en intern begeleiders gesproken. Zij hebben het namelijk ook zwaar met veel meer kinderen in één klas en natuurlijk hebben zij het ook druk dat is te begrijpen. De betrokkenen staan daarom open voor verandering wat beide partijen resultaat oplevert.

Interview opdrachtgever

Bij de betrokkenen hoort ook de opdrachtgever tot die groep. Aangezien ik haar mening belangrijk vind ik het gehele onderzoek en zij in hulpvorm van de 4-6 ervaring heeft, heeft zij dat ook bij de 6-12 en bij het Sprint. Ook bij haar komt het thema van tijd naar voren. Er zou meer gedaan kunnen worden vind de opdrachtgever als er meer tijd beschikbaar zou zijn. Het contact van de pedagogisch medewerkers zou intensiever moet worden, directer contact met de leraar, voor tijd te besteden om op de groep langs te komen zodat er een beeld zichtbaar is, wat er wordt gedaan bij de 4-6. Ook tijd voor de maatschappelijk werker zodat het contact met school niet meer beperkt hoeft te zijn en zodat het contact met tussen ouders en school kan worden besproken, wanneer het handig is dat de maatschappelijk werker met de ouder mee kan naar school, daarvoor is tijd nodig en ze heeft al zo weinig tijd. De opdrachtgever is niet negatief over het contact met school. Ze zegt: "Ik denk overwegend wel goed als je bedenkt dat scholen de aanmelding doen. Dus zolang ze dat doen zegt dat ook iets over vertrouwen wat ze hebben dat er iets kan veranderen." De opdrachtgever heeft een tijd geleden terug gekregen van scholen dat ze niet content zijn met de afronden, vaak weten scholen niet wat er met het kind gebeurd na de plaatsing, hier is dus verandering in geweest. Negentig procent van de aanmeldingen komen op de 4-6 nog steeds via de school, dus het contact met school is belangrijk. Ondanks dat de 6-12 amper aanmeldingen krijg direct via school, is het contact van de 6-12 meer betrokken met school. De 4-6 wisselt meer informatie uit met scholen, de 6-12 staat naast de school en voert meer een gesprek, wat het gewenste resultaat is en hoe daar te komen. Hierin hebben de pedagogisch medewerkers van de 6-12 meer trainingen in gehad en meer instrumenten voor gekregen, zoals onder andere de dagelijkse routine. De 4-6 moet proberen om meer samen te doen met de school, te werk gaan met één plan.

Interviews pedagogisch medewerkers 6-12

Het thema tijd kwam ook terug in de gesprekken met de pedagogisch medewerkers van de 6-12, ze willen meer tijd hebben om het contact en de samenwerking met school te beteren. Ze willen allebei meer uit de samenwerking halen, ze zeggen dat ze weten dat er meer uit te halen is. Ze praten allebei over de slechte bereikbaarheid van school en er een geen geschikt moment is om te bellen. Als de scholen uit zijn om kwart over 3, komen de kinderen binnen op de groep. Hun opvattingen waren ook het zelfde over het nodig hebben van school, de openheid van school om mee te werken. Ondanks de overeenstemmingen waren deze twee interviews verschillend, twee pedagogisch medewerker met allebei hun geheel eigen werkwijze. Ze vertelden allebei hun eigen verhaal, eigen ervaringen en eigen behoeftes, met als conclusie dat ze beide het zelfde willen, meer tijd en bereidheid van de leraar om het kind het gezin meer te ondersteunen en te bieden. Beide zagen ze hoe effectief de hulp is als de samenwerking loopt.

Interviews beleidsmedewerker en projectleider

Het gesprek met de projectleider van de nieuwe onderwijs-zorglijnen was interessant, ondanks dat de projectnaam onderwijs bevat, gaat het niet veel over onderwijs. Er gaat binnen de instelling een heleboel veranderen, het gehele aanbod zal op een andere manier worden aangeboden. Het stukje waar school en de hulpvormen dichter bij elkaar komen is, aangezien het de bedoeling dat er meer gezinnen worden aan gemeld vanuit het ZAT-overleg van het onderwijs en het Centra voor jeugd en gezin. Altra zal in het hulpaanbod ook taken van BJAA overnemen. Hierdoor komen onderwijs en Altra dichterbij elkaar te staan, duidelijk is nog niet hoe dat effect kan hebben om een samenwerkingsrelatie. Hier had de beleidsmedewerker nog een toevoeging aan, aangezien in de zorglijnen de 4-6 bij de 6-12 (of de aangepaste hulpvorm 4-12) wordt getrokken, zullen alle successen van de herinrichting een paar jaar geleden bij de 6-12 worden doorgevoerd en mogelijk aangepast om deze te gebruiken op de 4-6. De huidige grote verschillen tussen de 4-6 en de 6-12 kan de beleidsmedewerker toelichten door kort samengevat de geschiedenis te vertellen van de 6-12.

De 4-6 zou namelijk gefuseerd worden met het MOC Kabouterhuis, deze onderhandelingen zijn toen in het water gevallen en op dat moment werd de 6-12 heringericht. Over de huidige situatie van de 4-6 zegt de beleidsmedewerker: "De 4-6 is tot twee keer toe in een soort wachtbank positie gekomen, maar het is wel de bedoeling dat de 4-6 in de zorglijnen ontwikkeling 4-12 wordt meegenomen." Haar visie over de samenwerking is tussen de hulpvorm 4-6 en het onderwijs is dat het er moet komen. Ze vindt de samenwerking belangrijk en benadrukt dit, de openheid van beide partijen is belangrijk, daarnaast moet je als professional je kunnen verplaatsen in andere werelden, zonder je eigen deskundigheid in te leveren. Ze richt zich volgens op de 6-12 werkwijze, hoe zij dit doen en wat voor instrumenten er voor gebruikt kunnen worden.

Documentenanalyse

Er bevinden zich veel documenten op Altranet gerelateerd aan het onderwerp. Altranet is een interne internet site met alle informatie van de stichting inclusief documenten. Sommige documenten kon ik uitsluiten om te gebruiken omdat ze niet gerelateerd aan mijn onderwerp waren. Er is al eerder onderzoek gedaan naar de samenwerking tussen Altra en school. Dit onderzoek richtte zich vooral op de hulpvorm Boppi en het voorgezet onderwijs. Desondanks bevatte het nuttige informatie. De hoofden wel elke locatie hoort contact te onderhouden met scholen, hierover zijn afspraken gemaakt. Het is voor de hoofden niet haalbaar om dit contact zo te onderhouden, wel wordt het contact een vereiste gevonden. In het onderzoek wordt benoemt dat de scholen in het contact met de pedagogisch medewerkers behoefte hebben aan verslaglegging en evaluatie van het contact. In verschillende documenten is terug gelezen dat Altra zich bevindt op de scholen. Dit zijn onder andere Schoolmaatschappelijk werk, Altra thuis op school en Sprint. Deze hulpvormen hebben allemaal een geheel andere taak en afgezien Sprint werken ze voor de school. Dit komt tot de behoefte om meer gaan kijken naar de hulpvormen die contact met scholen hebben en daarnaast voor Altra werken. Met als resultaat kwam dit terug bij het Sprint en de 6-12. Het Sprint werkt met alleen maar met aanmeldingen van school. Het Sprint is een training die wordt gegeven aan ouders en aan kind. De training van het kind vind plaats op school, hier is ook regelmatig contact over met de leraar. In deze hulpvorm is het contact en de samenwerkingsrelatie duidelijk zichtbaar. Door de herinrichting bij de 6-12 is er veel informatie over de veranderingen en aanpassingen. Zo dus ook over het contact met school en wat voor instrumenten ze gebruiken hierbij. Door deze instrumenten is er meer diepgang in de gesprekken met de leraren, zo gaan ze meer in op de ontwikkeling van het kind en wordt door de dagelijkse routine een beeld gegeven bijvoorbeeld wanneer het probleemgedrag aanwezig is voor de leraar.

Enquête

In totaal is de enquête verstuurd naar zo'n 18 scholen. Van de betrokkenen waren al reacties dat scholen slecht reageerde en niet of amper terug mailde. Voor het verwerken van de resultaten was 40 % respons nodig. De werkelijke respons was 17%, slechts 3 scholen hadden de enquête ingevuld. De drie scholen zijn tevreden over het contact met de hulpvorm 4-6, ze geven het gemiddeld een 7. De hulp die wordt aangeboden door de 4-6 is voor de scholen duidelijk, ook de verkorte route was bijna bij iedereen bekend. Bij de ingevulde enquête komt naar voren dat een de samenwerking tussen school en de hulpvorm effectief is volgens hun en intensievere samenwerking gewenst is. Ook geven de scholen aan dat de ondersteuning voor een kind met een rugzakje of achterstand te weinig aanwezig is. Er is wel behoefte aan verslaglegging bij een school. Alle drie de scholen staan open voor verandering om de samenwerking te verbeteren. Voor een goede samenwerking is volgens de school nodig een goed contact en een goede overdracht bij wisselingen en er communiceert blijft worden. De overgang van een kleine groep, naar een grote groep wordt door de leraren als lastig ervaren, mogelijk meer begeleiding op school, gericht op het kind wordt hier mee bedoelt. Één school benoemt dat het lastig is voor ouders om kinderen op te halen tussen de middag, een mogelijkheid om op te halen van school wordt gevraagd om de samenwerking te verbeteren.

Bespreking en interpretatie van de resultaten

Halfgestructureerde interviews

Uit de interviews is veel informatie gehaald. Ondanks dat er een aantal gemeenschappelijke punten uit kwamen, waren het allemaal hele verschillende gesprekken. Iedereen had zijn eigen visie op het probleem. Aangezien de enquêtes een lage respons had kunnen we deze niet goed tegenover de mening zetten van de betrokken en beide partijen aan het werk zetten. Daarom zal het advies alleen gericht zijn op de betrokkene. Met het advies is de bedoeling dat de betrokkene mee kunnen werken, maar in het interview werd al aangegeven, door elke geïnterviewd persoon dat er tijd nodig is, maar er geen tijd is. Ook hebben de betrokkene zelf goede ideeën, genoeg ideeën zelfs maar die niet tot werkelijkheid gebracht kunnen worden of werkelijk geen tijd voor is. Er is daarom gekeken naar hun standpunten, hoe staan zij in dit probleem staan. Er is ook behoefte aan een intensievere samenwerking, samenwerking die meer kan opleveren omdat de leefwereld van een kind ook uit school bestaat. Er moet iets komen of uitgevoerd worden dat dus geen tijd kost en er wel voor zorgt dat de samenwerkingsrelatie verbetert, met het effect dat het kind meer heeft aan de hulp die de 4-6 aanbiedt, als dit op school wordt doorgevoerd. De 6-12 heeft een beter contact met school als de 4-6, zij hebben hier ook meer tijd voor gekregen. In de interviews met de pedagogisch medewerkers is naar voren gekomen dat ze in de gesprekken met leerkrachten veel diepgang hebben, de observatie maakt dan niet zo veel uit, het gaat om het gesprek. De observatie is vaak een momentopname, dit wordt ook herkend door de pedagogisch medewerkers van de 4-6. In de observatiemomenten tonen kinderen vaak niet het gedrag wat de leraar als lastig of moeilijk ervaart. Wanneer er bij de pedagogisch medewerkers van de 6-12 een observatie plaats vind en het kind laat voorbeeldig gedrag zien in tegenstelling met normaal, gebruiken de pedagogisch medewerkers het en halen er iets positief uit, het kind heeft voorbeeldig gedrag laten zien, dus ze kan het wel en proberen ze met de leraar hiernaar toe te werken.

In het interview met de opdrachtgever, merkte zij ook de verschillen op. Met haar werd ook besproken dat er een duidelijk verschil zat in het naast de leerkracht staat of alleen informatie uitwisselen. Zo kwam ook ter sprake dat de maatschappelijk werker naast de ouders staat en hen ondersteunt, dat zou ook mooi zijn bij de school. Misschien beseft school het niet, maar de 4-6 heeft school nodig en mogelijk ook wel anders om. Het idee van een startgesprek met school kwam, hiermee kon er meteen gepeild worden hoe de leraar de plaatsing vind en hoe de leraar zelf de problemen ziet en hoe daar samen te kunnen komen. Dit leek een goed idee, maar de tijd is er niet beschikbaar voor om een extra gesprek te voeren.

In de toekomst zal de 4-6 mee bewegen naar de werkwijze van de 6-12, hoe lang dat nog gaat duren is niet bekend, de beleidsmedewerker vertelde in haar interview dat de 4-6 al twee keer in een soort van wachtbank positie is beland. De opdrachtgever wil daarom nu al werken aan de samenwerking en niet wachten tot dat er iets vanuit de instelling gaat veranderen. De opdrachtgever voegde in het gesprek er aan toe dat ze graag het advies in stappen zou willen zien, zodat de betrokkene als ze er klaar voor zijn naar de volgende stap kunnen ondernemen. Anders zou er mogelijk niets worden gedaan met het advies, zo is het haalbaar voor de betrokkene volgens de opdrachtgever en kan er profijt uit worden gehaald en het moet natuurlijk realistisch zijn gezien de beschikbare tijd.

Documentenanalyse

De documenten en artikelen hebben me een goed beeld gegeven waar Altra naar toe wilt en hoe de werkwijze is. Om iets te introduceren waarmee de betrokkene bekend mee zijn, kan het uiteindelijk een langduriger effect geven. Daarom is er gekeken naar de documenten van het Sprint en de 6-12. Deze liggen namelijk dicht bij de hulpvorm 4-6. De dagelijkse routine voor de leraar die gebruikt wordt door de 6-12, kan een beeld geven wanneer probleemgedrag plaats zou kunnen vinden en dit kan dan gebruikt worden in de gesprekken. Door de dagelijkse routine te gebruiken bij de 4-6, kan er meer diepgang in de gesprekken komen en zal niet meer tijd kosten van de pedagogisch medewerker. Aangezien er niet veel van school is terug gehoord is het voor de pedagogisch medewerkers wel fijn om aan het einde van de plaatsing van de school terug te horen hoe het contact is verlopen. Zo krijgt de pedagogisch medewerker ook de kans om dingen terug te geven aan bijvoorbeeld de leraar. Bij het sprint en de 6-12 en ook bij de 4-6 zijn deze lijsten er al, maar deze zijn gericht ouders, met een aantal aanpassingen zouden ze deze ook kunnen gebruiken voor de school.

Enquête

Uit de enquête is gekomen dat scholen slecht reageren, ook moeilijk bereikbaar zijn. Hiermee wordt niet meteen gezegd dat er geen bereidheid is, het wordt wel duidelijk dat het contact met de scholen lastig, uit ervaring in dit onderzoek. De scholen die de enquête wel hebben terug gestuurd zijn tevreden met het contact van de 4-6, maar wanneer dit intensiever zou zijn, zou er meer uitgehaald kunnen worden. De punten waar volgens school naar gekeken moeten worden liggen dicht bij elkaar. Er is meer communicatie gewenst, zoals een goede overdracht en informatie uitwisseling bij enige veranderingen. De scholen staan open voor veranderingen in de samenwerking, zij zien in dat een samenwerking meer kan opleveren en baat zal hebben op de kinderen.

Doordat er zo weinig enquêtes zijn ingevuld, heeft het kwantitatieve onderzoek minder opgeleverd dan verwacht was. Hierdoor zal er voor de scholen niet een direct advies zijn, de standpunten en meningen die zijn ontvangen worden wel meegenomen en verwerkt in het uiteindelijke advies. Aangezien er in de documentenanalyse een onderzoek naar de samenwerking tussen Altra en school is bijgesloten en hierin vermeldt staat dat scholen meer behoefte hebben aan verslaglegging, wordt dit nog terug gegeven aan de opdrachtgever en de betrokkene.

Verslag terugkoppeling opdrachtgever

Komt na het bespreken van het verslag

Samenvattende conclusie

Diepteonderzoek

Welke methodiek/methode kan een samenwerking bieden voor het basisonderwijs en de hulpvorm 4-6?

Door de halfgestructureerde interviews en de documentenanalyse is er informatie vrij gekomen dat duidelijk weergaf wat de betrokkene graag zouden willen en wat hoe dit met de visie van de instelling werkelijk kon worden. Aan sommige wensen van de betrokkene kon niet aan gewerkt worden, aangezien er geen tijd is voor extra taken en hiervoor ook geen tijd beschikbaar was, moet er iets veranderen. De verandering moet in eerste instantie een zichtbaar effect hebben anders zal niet worden doorgevoerd of in gebruik genomen worden. Doordat het een zichtbaar effect op moet leveren, moet de verandering makkelijk zijn te ondergaan en mee te werken. Er zijn veel goede ideeën en daarom hoeven er geen nieuwe ideeën worden geleverd, de bestaande ideeën zijn goed, ze hebben alleen een andere invalshoek nodig om tot werkelijkheid te komen.

Voor de betrokkene is er meer openheid, bereidheid nodig om de samenwerking te verbeteren, gezien de beperkte respons van de enquête kan dit niet worden gepeild. Zoals vaker in de hulpverlening moet je mensen activeren. Zo dat er openheid komt en bereidheid om aan een samenwerkingrelatie te werken en te bouwen. Door de dagelijkse routine in te voeren, kan er meer diepgang in het gesprek komen, er wordt scherper gekeken naar de gedragsproblemen en zal het niet altijd meer nodig zijn om een observatie te doen. Naar de mening van enkele betrokkene kost die al veel te veel tijd en levert het niet veel op, alleen het gesprek daarna is effectief. Daar kan dan de aandacht op worden gelegd, mocht het nodig zijn om te observeren is dat natuurlijk mogelijk en geen probleem. De observatie kan als nog gebruikt worden, door de aandacht te verleggen naar het gesprek ga je stap voor stap meer informatie uitwisselen en komt het contact nader.

Door de informatie uitwisseling wordt het contact verbeterd en kan er gekeken welke behoeftes er zijn bij de leraar en ook bij de pedagogisch medewerker. Om dit duidelijk te hebben is een startgesprek met de leraar van toegevoegde waarde. Er vindt al een eerste gesprek plaats waarin de pedagogisch medewerker vertelt wat de hulp in houdt. Net als bij een oudergesprek, alleen vind in een ouder-startgesprek een wederzijdse informatie uitwisseling plaats, ouders vertellen wat ze van hun kind zien en hoe ze dit zouden willen zien veranderen of waar het naar toe zou moeten. Als dit tevens bij de leraar plaats vind kan de pedagogisch medewerker de leraar meteen betrekken in het proces, waar de leraar verandering in zou willen zien, en hoe Altra dan in het plaatje past. De pedagogisch medewerker kan op haar beurt weer vertellen wat zij wil zien of aan de leraar terug geven dat bijvoorbeeld leren lezen niet haar taak is. Door het contact op deze manier aan te gaan wordt de relatie verbeterd en komen de leraar en pedagogisch medewerker mogelijk naast elkaar te staan.

Door nogmaals terug koppeling te krijgen hoe het verloop van het contact is gegaan met school, is een extra evaluatie geschikt. Aan het eind van de plaatsing tijdens het afrondingsgesprek of afrondingstelefoontje kan de evaluatielijst worden besproken. Hierdoor krijgen de pedagogisch medewerker en de leraar de mogelijkheid om feedback aan elkaar te geven en kunnen dit beide weer mee nemen in het volgende contact. Op deze manier kan gecontroleerd worden of de behoefte nog het zelfde is of veranderd. Zo kan je samen werken aan een samenwerkingsrelatie.

Verslag implementatie

Implementatieplan

Bespreking van de resultaten van de implementatie plus conclusie

Kort en concreet 2à 3 pagina's is genoeg

Inhoudelijke beoordeling opdrachtgever

Komt na het bespreken van het verslag

Conclusies en aanbevelingen

Conclusie

Centrale vraag: Hoe kan Altra hulpvorm 4-6 het basisonderwijs betrekken in de geboden ondersteuning aan kind en gezin?

Door een samenwerking met het basisonderwijs aan te gaan, zal het basisonderwijs zich meer kunnen betrekken bij de geboden ondersteuning van de hulpvorm 4-6. Hierbij zijn verschillende dingen nodig van de hulpvorm 4-6 en het basisonderwijs.

Zoals in de literatuur is terug gevonden dat het belangrijk is dat als er met kinderen gewerkt wordt dat er de zelfde aanpak namelijk één kind, één plan. Door één plan aan te houden kan de hulp effectiever werken voor het kind. Hiervoor is het belangrijk dat er korte lijnen bestaan als onderwijs en jeugdzorg met elkaar samenwerken. Hier voor is samenwerking nodig. Door de betrokkene en de ontvangen enquêtes van intern begeleiders wordt dit ook erkend. Naast het samenwerken is ook nodig dat de werkrelatie tussen pedagogisch medewerker en leraar goed is, ze moeten elkaar kunnen ondersteunen en niet tegen over elkaar staan, mar juist naast elkaar kunnen staan. De samenwerking kan dan functioneel worden gebruikt, dat wanneer ze elkaar nodig hebben elkaar kunnen gebruiken.

Aanbevelingen

Evaluatielijst

DR

Startgesprek

Naar het contact voor de aanmelding zal meer onderzoek naar gedaan worden!

Literatuurlijst

  • Andrews C., Bess R., Jantz A., Russell V. (2002) Collaboration between state welfare and child welfare agencies, The urban institute, p. 1-3.
  • Altshuler, S.J. (2003). From Barriers to succesful colaboration: Public Schools and Child Welfare Working Together. Tijschrift Social Work, p. 52-55.
  • Bogaart, P. van den, Kuijvenhoven,T., Veen, D. van (2005) Samenwerking Onderwijs en Jeugdzorg in Rotterdam, Nederlands jeugdinstituut, p. 8-13.
  • Bosdriesz, M., Berkenbosch, W., Lieshout, M., Veen, D. (2003). Schoolvoorbeelden van samenwerking met externe instellingen. Utrecht, p. 7-14, 21.
  • Bruning, M.R. (2006) Over sommige kinderen moet je praten. Universiteit Leiden, p. 4-6, 8-11, 51-54.
  • Doorn, E.C., Enthoven, M.E.M. (2005) Leraren begeleiden bij het omgaan met lastige leerlingen: een driebandenspel. Acco, p. 7-13.
  • Dronkers, F., Rossum, J. (2009). Contouren van richtlijnontwikkeling jeugdzorg. Utrecht, Nederlands jeugdinstituut.
  • Doorduijn, A., Fiddelaers-Jaspers, R., Spee, I., van Veen, D. (2002).Samenwerking in de uitvoering, Leerlingbegeleiding in het voortgezet onderwijs en externe instellingen, Nederlands jeugdinstituut. Utrecht, p. 5-15.
  • Duit, A.W. (2009) Effectiviteit van bredeschoolprofiel, universiteit Utrecht, p. 1-5, 22, 23.
  • Faas, M. (2004) Visie op de jeugdzorg. Zeist, uitgeverij SWP, p. 4-8.
  • Emmelot, Y., van der Veen, I, Ledoux, I.(2006) De brede school: kenmerken, verwachtingen en mogelijkheden. http://www.pedagogiek online.nl/publish/articles/000358/article.pdf, p. 65, 66, 75, 78.
  • Ewijk, H. (2006). De Wmo als instrument in de transformatie van de welvaartsstraat. Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn. Utrecht, p. 3.
  • Haan, E. (2005) Samenwerken tot iedere prijs?, Kind en Adolescent Praktijk, p. 4.
  • Jeugd, N., Eijgenraam, K., Steege, M. van der, Metselaar, J. (2004). Beslissen in het bureau jeugdzorg, Nederlands instituut voor zorg en welzijn jeugd.
  • Ledoux, G., Karsten, S., Breetvelt, I., Emmelot, Y., Heim, M. (2007). Vernieuwing van zorgstructuren in het primair en voortgezet onderwijs. SCO-Kohnstamm Instituut
  • Leurs, M., Mur-Veeman, I., Schaalma, H., Feron, F., Vries, N. de (2005) Integrale ketenzorg biedt mogelijkheden om de zorgkracht in het onderwijs te versterken, jeugdgezondheidszorg, jaarnummer 4.
  • McCulloch, Tett, Crowther (2004). New Community schools in Scotland: Issues for inter-proffessional collaboration. Scottisch Educational Review. Onstenk, J. (2005), Waar stadspedagogen goed in moeten zijn? http://www.vbsp.nl/4_informatie/archief_06.htm
  • Pirard, F., Ruelens, L., Nicaise, I. (2004) Naar een brede school in Vlaanderen . http://74.125.155.132/scholar?q=cache:-1zT-aGuSqYJ:scholar.google.com
  • Prinsen, B., Kooijman, K. (2005) Naar een uniform systeem van signalering en toeleiding van opvoed- en opgroeiproblemen in Amsterdam-Noord, Nederlands instituut voor zorg en welzijn jeugd.
  • Ruben, R. (2007) Ontwikkeling door samenwerking, Raboud universiteit Nijmegen.
  • Rutgers, E.P. (2000) Regisseren van het lokaal onderwijs en jeugdbeleid: samenwerking en samenhang tussen droom en daad. Tijdschrift onderwijsrecht en onderwijsbeleid.
  • Smeets, E. (2008). Samenwerking tussen speciaal onderwijs en residentiële instellingen. Radboud Universiteit Nijmegen.
  • Smeets, E., Rispens, J. (2008).Op zoek naar passend onderwijs. Radboud Universiteit Nijmegen
  • Steltenpool R.(2007). Dynamisch procesmodel . Technische universiteit Eindhoven.
  • Steketee, M. (2008). Kinderen in de knel. Tijdschrift Deviant.
  • Valkestijn, M. (2002). Brede school, Nederlands instituut voor zorg en welzijn. Utrecht
  • Wijnhoven, L., Wijnen, B. (2004) Koers primair onderwijs, Den Haag, Ministerie van Onderwijs, cultuur en wetenschap .
  • Yperen, T., Loeffen, M., van den Berg, G., Lekkerkerker, L.(2005) Jeugdzorg op orde. Utrecht. NIZW uitgeverij.`
  • Zandberg, T. (2000). Jeugdzorg en onderwijs; (g)een paar apart. Rijksuniverisiteit Groningen.