Historisch voorwoord
Griekenland van 1200 - 800 v. Christus

Na de val van de Myceense paleizen trad in Griekenland een periode van chaos in en bestond er geen sterk lokaal gezag meer dat nieuwe groepen immigranten zou kunnen tegenhouden. Het precieze patroon van de volksbewegingen ontgaat onze waarneming, maar de meeste historici nemen aan dat zich in deze periode een Dorisch-Grieks sprekende bevolking op de Peloponnesus heeft gevestigd. Alleen in de afgelegen bergdorpen van Arcadië bleef de oudere taal, die redelijk overeenkomt met de taal van de Myceners, bewaard. In het centrale deel van Griekenland werd vooral Ionisch-Grieks gesproken en in het noordelijke deel Aeolisch.
Na 1100 staken veel Grieken naar Klein-Azië over. Ze namen daar bezit van de rivierdalen aan de kust en introduceerden hun taal: in het noorden Aeolisch Grieks, in het midden Ionisch en in het zuiden Dorisch. Aanvankelijk woonden deze immigranten in kleine nederzettingen en verschansten zij zich achter een verdedigingswal om invallen te kunnen weerstaan. In deze periode was er zowel sprake van materiële achteruitgang als van vernieuwing. De tijd van de grootse burchten en de rijk voorziene graven was definitief voorbij.

De belangrijkste vernieuwing was het gebruik van ijzer rond 1100. De belangrijkste vernieuwing was het gebruik van ijzer. Uit de vondsten blijkt dat bewerkte ijzeren voorwerpen steeds meer op de voorgrond treden. Volgens de archeologen kan men aannemen dat de ijzertijd in Griekenland in ± 1100 begon, waarbij men wel dient te bedenken dat het intensief gebruik van ijzeren voorwerpen pas later ingang vond.

Naast de breuk in de materiële cultuur veranderden ook de politieke en sociale verhoudingen. In de kleine gemeenschappen vormde zich een laag ‘aristocraten' die de dienst uitmaakte en wier macht en aanzien op grootgrond berustten. In de meeste gemeenschappen was er nog wel één man die zich ‘koning' liet noemen, maar zijn positie was niet te vergelijken met de van een Myceens vorst. Hij moet veel meer gezien worden als de eerste onder zijn gelijke mede-aristocraten. In geval van oorlog vochten de edelen in zware legeruitrusting tegen de aristocraten van de tegenpartij. Ook spraken ze recht bij conflictsituaties in de eigen gemeenschap. Ze hadden connecties met aristocraten in andere gemeenschappen via het uitwisselen van geschenken, onderlinge huwelijken en het gastrecht. Door elkaar rijkelijk te onthalen probeerden zij goodwill voor de toekomst te kweken. Uit deze bovenlaag van de Griekse dorpen ontwikkelde zich de elite die later het politieke leven van Griekenland voornamelijk zou bepalen. In de meeste plaatsen werd het koningschap officieel afgeschaft en werd de realiteit van de elkaar beconcurrerende edelen erkend. Persoonlijke macht werd hoog gewaardeerd in deze wereld; het gevoel voor status, voor eer, was allesoverheersend in het leven van de Griekse elite. Zo'n cultuur is wel eens een ‘shame-culture' genoemd; het gedrag van mensen wordt niet beheerst door een geweten, maar door het ontzag dat bij anderen wordt gewekt.

Behalve de aristocraten waren er ook ‘vrije' boerenfamilies, die een stuk grond bezaten, dat voldoende opleverde om in leven te blijven. Verder waren er nog landarbeiders die te weinig grond voor eigen levensonderhoud bezaten en daarom ook in loondienst moesten werken op het land van de beter bedeelden. Ten slotte waren er slaven en ‘Theten'. Die laatsten bezaten geen grond en hoorden daarom niet tot een gemeenschap. In tijden van nood konden ze op niemand terugvallen. Zij verhuurden zich in de oogstperiode aan de bezitters van land en hoopten met de beloning de winter door te komen. De Theet was er dan ook slechter aan toe dan de slaaf, want die kon namelijk op de bescherming van zijn heer terugvallen.

In deze gemeenschappen was men in tijden van tegenslag van elkaar afhankelijk. Bij misoogsten kon de minder zwaar getroffen rijke familie, die wat beter tegen tegenslag was opgewassen, de buurman helpen via een lening van zaaigoed. De armere lener moest maar afwachten of de natuur hem gunstig gezind was, zodat hij zijn lening kon aflossen. Anders moest hij als tegenprestatie werken op het land van de geldverstrekker.

De Archaische tijd (CA. 800-500 V. CHR.)

Na 8oo raakte de inmiddels weer gestabiliseerde maatschappij in onrust door nieuwe ontwikkelingen. De belangrijkste hiervan was waarschijnlijk de groei van de bevolking in de negende eeuw, waarvan de gevolgen op lokaal niveau doorwerkten. Toen het duidelijk was welke groepen mensen aanspraak maakten op welk gebied, was ook het grensconflict geboren. De bevolking van een regio begon zich te identificeren met een politieke eenheid. Conflicten binnen de regio tussen verschillende families moesten ook op een bepaalde manier worden opgelost. De inwoners van de nederzettingen waren georganiseerd op basis van verwantschap. Elke Griek hoorde tot een familie (oikos). Boven de familie stond een clan (genos), een aantal families die dezelfde voorvader meenden te hebben. Ten slotte hoorde men tot een phyle, de grootste groep. Bij gewapende conflicten stelde men zich in phylen op. Naast deze indeling naar drie niveaus was er ook nog de phratria, een aantal mannen, die zich strijdmakkers, broeders, noemden. Hoe de phratria in betrekking staat tot de oikos, genos en phyle is niet geheel duidelijk.

In de meest ontwikkelde streken creëerden de leidende families een politieke organisatie die los stond van de verwantschapsstructuur. De leiding was in handen van de adelraad. Daarnaast kwamen er ambten, die jaarlijks door anderen moesten worden vervuld. Zo'n gemeenschap, die zijn gebied wilde verdedigen in tijd van onenigheid en het gezag in theorie overliet aan de adellijke elite, noemen we een polis. De leden van die gemeenschap beschouwden zich als autonoom en regelden hun eigen zaken. Het bestuurswerk en het gemeenschapsleven in de nieuwe polis concentreerden zich op één punt binnen het gebied, meestal rond een heiligdom. Daar werden de grote feesten gevierd en verrezen de ge meenschappelijke gebouwen. Toen de economie gevarieerder werd, veranderde de aanblik van de stad, omdat naast de grootgrondbezitters en de kleine boeren groepjes handwerkslieden zich in aparte wijken gingen vestigen. Zo kende Griekenland rond 6oo een aantal poleis met een ontwikkeld stedelijk centrum.

Vanaf 8oo v.Chr. vormde de bevolkingsgroei een stimulans voor de landbouw. De opbrengsten moesten stijgen om het grotere aantal mensen in leven te houden. Men probeerde het landbouwoppervlakte te vergroten en de opbrengst per hectare te verbeteren. Het totale effect van de grotere inspanning en intensievere bewerking van de grond kan niet al te groot zijn geweest, omdat er geen ingrijpende wijzigingen op landbouwgebied uit deze tijd bekend zijn. Maar wel is bekend dat Griekenland geen land was dat overvloeide van melk en honing.

De elite beschikte over de meeste grond en profiteerde het sterkst van de stijgende vraag. Vooral onder druk van de bevolkingsgroei werden de tegenstellingen tussen Grieken onderling duidelijker zichtbaar. De elite kon meer gaan uitgeven dan voor heen, dit uitte zich vooral in de aanschaf van luxegoederen uit het Nabije Oosten. Niet alleen Phoenicische kooplui zorgden hiervoor; vanaf 8oo v.Chr. concurreerden Griekse handelaren met de handelaren uit het oosten. Al snel werd duidelijk dat Grieken ook zelf in staat waren luxegoederen te fabriceren. Door deze ontwikkeling, die eveneens rond 8oo gebeurde, werd de maatschappij in de Griekse steden gecompliceerder. Natuurlijk bleef het zwaartepunt liggen op de landbouw, maar er ontstonden geleidelijk groepen handelaren en handwerkers, wier leven anders was dan dat van de meerderheid. Politieke eisen hebbende nieuwe groepen nooit gesteld. Wel waren ze voor de staten interessant, omdat ze belast konden worden. De mensen die aan handel en ambacht veel geld verdienden, probeerden zich in het algemeen te verzekeren van land, omdat dat in een agrarische samenleving de sleutel was tot statusverwerving.

In deze zich ontwikkelende gemeenschappen bestond binnen de elite een voortdurende wedijver. Iedere aristocraat streefde er voortdurend naar de ander te overtreffen en te laten zien dat hij de beste, de schoonste, de machtigste was. Door zijn positie in de gemeenschap kon een aristocraat rekenen op een aantal aanhangers: leden van zijn familie, van zijn genos en phratria, en van andere vrijen uit het gebied waar zijn bezittingen lagen. In ruil voor de steun van zijn volgelingen zorgde zo'n aristocratische leider voor bescherming. Er bestond geen onafhankelijke rechtspraak, die zich met de privé-conflicten binnen het gebied bezig hield. Als er onenigheid heerste over eigendomskwesties waren machtige vrienden van doorslaggevend belang. De interne aristocratische wedijver is een voortdurend terugkerend verschijnsel in de Griekse samenleving.

Door de bevolkingsuitbreiding en het niet in staat te zijn van de Griekse economie om te groeien ontstond na 8oo een bevolkingsoverschot. Oplossing hiervoor was emigratie. Door de handel had men kennisgemaakt met de omringende wereld en wist men waar makkelijk toegankelijke gebieden waren. In het oostelijke deel van de Middellandse Zee waren de mogelijkheden voor nieuwe nederzettingen klein vanwege de aanwezigheid van goedgeorganiseerde rijken. Ook de Noord-Afrikaanse kust liet weinig inmenging toe, omdat Egyptenaren en Carthagers daar hun belangen verdedigden. Veel meer mogelijkheden lagen op Sicilië, in Zuid-Italië en aan de kusten van de Zwarte Zee.

De emigratie kende twee golven. Van 750 tot 650 v.Chr. richtten Grieken zich vooral op het westen van de Middellandse Zee, na 650 stond vooral het Zwarte-Zeegebied in de belangstelling. De kolonisatie werd meestal door één polis georganiseerd, maar het kwam ook voor dat inwoners van andere gebieden deelnamen aan zo'n kolonisatie. De nieuwe stichting trad op als een zelfstandige polis en onderhield alleen religieuze banden met de moederstad. Niet alle poleis hebben zich met kolonisatie beziggehouden. De meest actieve centra waren Chalkis en Eretria op Euboea, Milete en Phocaea in Klein-Azië en Korinthe op de Peloponnesus. Sparta en Athene daarentegen hebben bijna geen bemoeienis met deze beweging gehad. Daar had men blijkbaar andere mogelijkheden om de bevolkingsdruk op te vangen. De kolonisatie werd voornamelijk veroorzaakt door overbevolking, maar had grote gevolgen voor de handel, die profiteerde van het vergrote afzetgebied voor luxegoederen. Potten en vazen duiken in steeds grotere aantallen in het Middellandse Zeegebied op. Vanaf 750 begint echter de zegetocht van het Korinthische aardewerk, dat de producten van de concurrenten verre overtreft.

De emigratie bood naast een oplossing voor het probleem van de overbevolking, tevens de mogelijkheid verliezende adelfacties te lozen in den vreemde. Toch bleek de emigratie niet het tovermiddel voor alle problemen te zijn, zeker niet voor alle adelstwisten die zeer hoog konden oplaaien. Ook blijkt dat de adel zich in sommige gebieden in de loop van de zevende eeuw steeds harder ging opstellen tegenover de kleine boeren. Dit verschijnsel kennen we relatief het beste uit de geschiedenis van Athene.

In deze periode veranderde ook de strijdwijze ingrijpend. Voor 700 werd er eigenlijk alleen gevochten door aristocraten die hun collega's uitdaagden tot een gevecht dat meestal uiteenviel in een aantal duels tussen afzonderlijke helden. Ze beschikten over werpspiezen en zeer lange schilden. Hun bewapening was ook afgestemd op de eisen van een dergelijk gevecht. Vanaf700 v.Chr. maakte het grote schild plaats voor een kleiner en werden de werpspiezen verruild voor een lans. Daarmee deed de hopliet zijn intrede. Deze soldaten met hun nieuwe uitrusting vochten anders, niet meer in duelvorm, maar in linies (phalanx). Naast elkaar staand, waarbij iedereen de onbewaakte zijde van zijn buurman moest beschermen, vormden de soldaten van de phalanx een soort menselijke wal van schilden. Deze nieuwe manier van strijden vroeg om veel meer coördinatie, want een gat in de linie had rampzalige gevolgen, men was dan verloren. Er moest dus regelmatig geoefend worden. Aanvankelijk vormden alleen de aristocraten de phalanx, maar niet lang daarna gingen ook de wat rijkere boeren, die een hoplieten uitrusting konden betalen, meevechten. Het zelfbewustzijn van deze groep rijke niet-aristocraten nam daardoor toe.

[1] Een Hopliet [2] Een phalanx

Dit was ook de tijd van de grote wetgevers. Ineen aantal staten hoorde men de roep om optekening van de wetten, een stap vooruit in het staats vormingsproces, omdat iedereen nu wist waar hij zich aan te houden had, ook al was dat niet voor iedereen hetzelfde. In de wetten weerspie gelde zich immers een wereld die door aristocraten werd overheerst. Het principe van gelijkheid voor de wet bestond niet.

Een andere oplossing voor de problemen werd gevonden door een aantal edelen die de alleenheerschappij wisten te verkrijgen. Zo'n alleenheerser wordt tiran genoemd, een benaming die niet Grieks is, maar een leenwoord uit Klein-Azië. Een van de elkaar bestrijdende aristocraten verwierf zo'n grote machtspositie, dat hij alle concurrenten kon uitschakelen. Vooral in de laatste decaden van de zevende en in de hele zesde eeuw traden tirannen op. Voor de tiran telde in eerste instantie alleen het machtsaspect. Meestal brak hij de bestaande macht van de adel en werd zijn persoonlijke macht gelijk gesteld met die van de staat. De tirannie heeft in het staatsvormingsproces een belangrijke rol gespeeld, omdat de macht van de lokale machthebbers werd aangetast. Het optreden van de tiran is het best te volgen in de geschiedenis van Athene.

In de achtste eeuw ontstonden conflicten tussen poleis. De eerste oor log in Griekenland die we kennen is die tussen Chalkis en Eretria, in het laatste kwart van de achtste eeuw. Beide steden maakten in die tijd een bloeiperiode door, getuige ook hun grote aandeel in de Griekse kolonisatie. De oorlog wordt de Lelantijnse genoemd, naar de vlakte die beide poleis scheidde. Wat de oorzaken en aanleiding voor deze oorlog zijn geweest en wie als winnaar kan worden beschouwd, is niet bekend. Veel meer is bekend over de interne verhoudingen en buitenlandse politiek van de grotere staten van Griekenland: Korinthe, Sparta en Athene.

Korinthe

Korinthe was een polis die werd gevormd door een Dorisch Griessprekende bevolking. Een gesloten kaste van edelen, de familie der Bacchiaden, beheerste de polis. Alleen leden van deze groep konden ambten bekleden. Tijdens hun heerschappij hadden de Corinthiërs zich niet onbetuigd gelaten in de kolonisatie. Rond 8oo woonden er al mensen uit Corinthe op Ithaca en omstreeks 734 stichtten inwoners van Corinthe Syracuse en Corcyra. De Bacchiaden moeten bij deze kolonisatie betrokken zijn geweest. De Bacchiaden bepaalden de politiek door hun superioriteit die was gebaseerd op landbezit en traditie. Ook al hebben ze nooit een echte handelspolitiek gevoerd, ze kregen te maken met een samenleving waarin handel en nijverheid naar Griekse maatstaven een grote rol speelden. Corinthisch aardewerk werd een veelgevraagd artikel.

Aan de succesvolle dynastie (=vorstenhuis) van de Bacchiaden werd een einde gemaakt door een familielid, een half-Bacchiade, Cypselus. Tot de regels van de familie behoorde het verbod om buiten de clan te trouwen. Labda, een vrouwelijke Bacchiade, was mank en - in strijd met de bepalingen - uitgehuwelijkt aan Aëtion, een niet-Bacchiade, die wel wat aanzien moet hebben genoten. Hun zoon was Cypselus, die door de Bacchiaden naar het leven werd gestaan. Daarom verliet hij aanvankelijk Korinthe, maar keerde later terug om de Bacchiaden te verdrijven en een tirannie te vestigen. Waarschijnlijk heeft hij bij zijn geslaagde poging om in 657 v.Chr. een tirannie te stichten hulp gehad van andere aanzienlijke niet-Bacchiaden. Zoals vele andere grondleggers van tirannendynastieën had hij een goede reputatie, wat niet gezegd kan worden van zijn zoon en opvolger Periander, die werd beschouwd als ‘de zoon van de tiran'. Hij moest met harde middelen zijn gezag handhaven en wie zich tegen hem verhief, werd vernederd. Perianders zoon Psammetichus slaagde er slechts enkele jaren in aan het beheer te blijven en moest plaatsmaken voor een oligarchie met een raad van tachtig mannen, afkomstig uit verschillende aristocratische families.

Zeer waarschijnlijk zijn de troebelen in Corinthe aan de groep mensen buiten de elite voorbijgegaan. Het was de adel die om de macht vocht. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen voor een politiek ten bate van bepaalde groepen als handelaren en pottenbakkers of hoplieten. Dit betekent niet dat er geen bewuste buitenlandse politiek werd gevoerd. Die werd echter door andere motieven bepaald. Vriendschappelijke relaties tot andere vorsten, neiging tot machtsvertoon, et cetera speelden een belangrijke rol. Wat dit betreft was er onder de Cypseliden weinig veranderd in vergelijking met de Bacchiaden. Via de Corinthische kolonies langs de westkust van Griekenland had men veel belangen in het westen. Bovendien stichtte de polis onder de tirannie van Periander de stad Potidaia, in het noordoosten op de Chersonnesus.

Tempel van Apollo in Korinthe

Sparta

Oudste geschiedenis (1200-650)

In de Griekse literatuur en mythologie geldt Sparta (ook wel Lacedaemon genoemd) als een van de belangrijkste centra van de Myceense wereld. Dit wordt door de archeologie slechts ten dele bevestigd: er zijn wel sporen van verwoesting uit rond 1200 aangetoond, maar een Myceense paleisburcht heeft men er tot nu toe niet gevonden.

Met de komst van de Doriërs rond 1000 trad er een heel nieuwe fase in. De polis Sparta is ontstaan uit een synoikismos, een welbewuste aaneensluiting van nederzettingen tot een politieke eenheid, van vier dorpen. Rond 750 werd er na verwoede strijd nog een vijfde dorp, het voor-Dorische Amyclae, aan toegevoegd.

Tegen de tijd dat Sparta de gehele landstreek Laconië onder controle had, kan men hier drie categorieën bewoners onderscheiden: echte burgers waren alleen de Spartiaten. Zij noemden zich ,,de gelijken”. Een lagere sociale groep was die van de perioiken (,,omwonenden”): vrije onderdanen van Sparta, die politiek niet, maar economisch wel zelfstandig waren. Zij hadden geen eigen poleis en hadden dienstplicht in het Spartaanse leger. Sommige perioikengemeenschappen waren niet-Spartaanse dorpen zonder autonomie, andere waren wellicht Spartaanse kolonies. De derde en laagste categorie was die van de heloten. Deze groep is waarschijnlijk ontstaan doordat Sparta, na hen en hun grondgebied in een oorlog veroverd te hebben, hen permanent in de positie van krijgsgevangenen hield. Zij moesten het veroverde gebied, vroeger hun eigendom, bewerken voor de Spartiaten en hun de helft van de opbrengst afstaan. Het kan zijn dat de oorspronkelijke heloten bestonden uit de voor-Dorische bewoners van het latere Sparta.

Spoedig daarna volgde de Eerste Messeense Oorlog (735-716) met als inzet de vruchtbare vlakte van Messenië, dat inmiddels ook Dorisch was geworden. De bezetting van een deel van Messenië en de erop aansluitende helotisering en landverdeling hadden tot doel voor Sparta een oplossing te vinden voor de overbevolking, die elders in de Griekse wereld tot kolonisatie had geleid.

De staatsinstellingen

De constitutionele ontwikkeling van Sparta week af van het patroon elders in Griekenland doordat het erfelijk koningschap niet werd afgeschaft. Dat het niet werd afgeschaft hangt waarschijnlijk samen met het feit dat er twee koningshuizen en dus telkens twee koningen waren die - onderling naijverig - elkaar konden controleren. De oorsprong van dit dubbele koningschap is onbekend.

Behalve door hun onderlinge naijver werd de macht van de koningen verder in geperkt door de Raad van Ouden of Gerousia, die bestond uit 28 leden van 60 jaar of ouder (de geronten) plus de twee koningen. De geronten werden voor het leven door het volk bij acclamatie, bij algemene goedkeuring zonder stemmen, gekozen.

De volksvergadering bestond uit de volwassen Spartiaten (30 jaar en ouder). Dit lichaam was in theorie soeverein. De praktijk was echter anders, doordat er in de volksvergadering niet gedebatteerd kon worden en haar uitspraken pas rechtsgeldig waren als zij door de koningen en geronten werden overgenomen.

Uniek voor Sparta was het college van de vijf eforen (,,opzichters”). Het eforaat is waarschijnlijk ergens rond 675 naar voren gekomen als een college van behartigers van de belangen van het volk (de hoplieten) tegenover de koningen. Elke burger kon voor de tijd van één jaar tot efoor gekozen worden. Herverkiezing was niet toegestaan. De eforen namen een deel van de rechtspraak van de Raad van Ouden over en konden de koningen juridisch ter verantwoording roepen.

Door de combinatie van monarchale, oligarchische (Raad van Ouden) en democratische elementen (eforen en volksvergadering) is Sparta het voorbeeld van een polis met een zogenaamde gemengde constitutie (grondwet).

Sparta en de Peloponnesus (650-500)

Kort na de Eerste Messeense Oorlog stichtte Sparta zijn enige kolonie buiten Griekenland: Tarente in Zuid-Italië (706). De kolonisten waren waarschijnlijk half-Spartiaten uit vooral Amyclae en vormden daarmee binnen de gemeenschap van burgers een groep van rechtspositioneel ten achter gestelden.

In de eerste helft van de 7de eeuw werd de positie van Sparta ernstig bedreigd door de opkomst van Argos. De bezetting van het eerder voor een deel veroverde Messenië kwam in gevaar door een opstand van heloten daar, die bekend staat als de Tweede Messeense Oorlog. Maar na een moeizame strijd slaagde Sparta er in geheel Messenië te onderwerpen, het land te verdelen onder de eigen burgers en de oorspronkelijke eigenaren te helotiseren.

In het verdere verloop van de 7de en 6de eeuw werd Sparta voortdurend sterker, o.a. door de gelijktijdige achteruitgang van de rivaal Argos. In de buitenlandse politiek schakelde men door gebrek aan voldoende burgers-soldaten rond 560-550 over van annexatie en helotisering op een minder agressieve politiek van bondgenootschappen: Sparta werd de algemeen erkende leider (hègemoon) van de z.g. Peloponnesische Bond, een losse verzameling poleis, die ieder afzonderlijk door een bilaterale overeenkomst van wederzijdse militaire bijstand met Sparta waren verbonden. Daardoor was Sparta in 500 de machtigste polis in Griekenland. Zijn leidende positie binnen de bond betekende een rem op democratische ontwikkelingen in de lidstaten.

Interne ontwikkeling

In de periode 700-550 was Sparta vooral cultureel een centrum van de eerste rang. In de laatste vijftig jaren van de 6de eeuw kwam hier radicaal verandering in. Het leven in de polis kreeg een eenzijdig militair karakter. Deze beklemtoning van het militaire blijkt ook uit het Spartaanse opvoedingssysteem: kinderen werden op 7-jarige leeftijd aan de invloed van het gezin onttrokken en tot hun 18de jaar onder toezicht geplaatst van een volwassen Spartiaat. De leeftijdsgroep van de 20- tot 30-jarigen was belast met de militaire scholing van de 18- tot 20-jarigen. Bij het bereiken van de leeftijd van 30 jaar werd men als volwaardige burger in de gemeenschap opgenomen. Belangrijker dan het gezin, dat voornamelijk diende als instrument voor de instandhouding van de soort, waren de tent- en eetgenootschappen, een soort clubs van mannen die zowel thuis als te velde steeds gezamenlijk optrokken. Ieder, die tot een tent- en eetgenootschap behoorde, betaalde een vaste contributie in natura uit de opbrengst van het stuk land (de klèros), dat de staat hem na de veroveringen had toegewezen en dat door de heloten werd bewerkt.

De oorzaak van de toenemende militarisering moet zeer waarschijnlijk ook gezocht worden in het verlangen van Sparta om alle energie te concentreren op de veiligstelling van zijn hegemonie over een numerieke overmacht van heloten en andere onderworpenen en over de bondgenoten. Men slaagde er inderdaad in dit verlangen in vervulling te doen gaan, maar de prijs, die men daarvoor betaalde, was dat Sparta in de klassieke periode (500-300) cultureel een achtergebleven gebied werd. Sparta plaatste zichzelf vrijwillig in een isolement: het verlangen om de eigen bevoorrechte positie ten opzichte van de directe omgeving te handhaven leidde tot een afkeer van militaire avonturen ver van het thuisland en tot wantrouwen jegens alles wat niet uit Sparta kwam. De Spartaanse vreemdelingenhaat en de hardnekkige weigering om net als elders in de Griekse wereld over te gaan op het gebruik van gemunt geld kunnen beide beschouwd worden als exponent van de angst voor verandering: voor de Spartiaten was elke verandering per definitie een verslechtering.

Des te opmerkelijker is het daarom dat meerdere Griekse (en niet alléén Griekse) maatschappijfilosofen, onder wie Plato, Sparta beschouwden als een welhaast ideale polis. Men kan inderdaad zeggen dat het Griekse polis-ideaal van economische autarkie, militaire superioriteit en sociale en politieke gelijkheid door Sparta het dichtst is benaderd. De economische autarkie werd gerealiseerd door minimalisering van de behoeften, de militaire superioriteit van de Spartaanse falanx was tot in de 4de eeuw onbetwist als gevolg van het feit dat de hoplieten konden beschikken over heloten en dus niet zelf als boer het land hoefden te bewerken. De gelijkheid was echter grotendeels een mythe, maar in de archaïsche tijd waren er nauwelijks of geen Spartiaten die daarover treurden.

Athene

Oudste geschiedenis

In de tijd van bloei en ondergang van de Myceense beschaving was Athene een centrum van enig belang. In de archaïsche tijd begon het echter pas laat een rol te spelen en was het lange tijd de mindere van poleis als Chalcis, Eretria, Korinthe, Sparta, Milete. Zo had Athene ook geen actief aandeel in de grote archaische kolonisatiebeweging.

De geschiedenis van Athene wordt pas weer wat duidelijker vanaf de 7de eeuw. Athene was toen een aristocratisch bestuurde polis. De uitvoerende macht berustte bij een college van drie archonten, die werden gekozen uit de geboorteadel (de eupatriden) en in hun taak werden bijgestaan door een soort adviescollege van adellijke leiders, dat naar zijn plaats van samenkomst, een heuvel in de nabijheid van de Akropolis, de (Raad van de) Areopagus werd genoemd. Deze raad was oorspronkelijk het adviserend lichaam van de koning (basileus).

Het eenhoofdige, vrijwel absolute en erfelijke gezag van de koning was echter geleidelijk vervangen door het driehoofdige, door de Areopagus gecontroleerde en telkens voor een termijn van één jaar gekozen gezag van de archonten. De belangrijkste van dit drietal was de archoon eponymos, ook wel kortweg archoon of archont genoemd (eponymos betekent ,,naamgever”: de jaren werden van elkaar onderscheiden doordat elk jaar als ,,etiket” de naam van de archoon eponymos kreeg ,,opgeplakt”). Hij was de voorzitter van de Areopagus. De andere twee archonten waren de polemarchos (legeraanvoerder) en de basileus, die mét de naam tevens de religieuze functie van de koning had overgenomen. Ook de rechtspraak was in handen van de archonten en de Areopagus. Ter controle op een juiste naleving van het (ongeschreven) recht werd het college van drie nog uitgebreid tot negen door de toevoeging van zes thesmotheten.

Binnen de adel waren voortdurend conflicten tussen diverse facties, ieder met een eigen veelal lokaal bepaalde aanhang. Tegen deze achtergrond moet het op treden van Cyclon geplaatst worden: deze aristocraat deed rond 630 een mislukte poging een tirannie te vestigen. De familieveten laaiden hierbij zo hoog op dat enkele jaren later (621) bestaand gewoonterecht voor het eerst in Athene schriftelijk werd vastgeld door de thesmotheet Draco. Essentieel in zijn wetgeving was de vervanging van persoonlijke wraakoefeningen bij moord (bloedwraak) door een wettelijke procedure voor een staatsrechtbank, die schuld en straf vaststelde. Hoewel de kleine boer er door Draco's wetgeving niet zo op vooruit ging.

De hervormingen van Solon (594)

Rond 600 verkeerde Athene in een ernstige crisis. Deze had tegelijk een sociaal-economisch en een politiek karakter.
Het sociaal-economische aspect betrof vooral de situatie van de kleine vrije boeren. Een waarschijnlijke groei van hun aantal in de 7de eeuw had tot gevolg dat veel boeren niet langer van de opbrengst van hun eigen land konden leven en zich gedwongen zagen leningen (in natura) te sluiten bij rijkere landheren, met hun persoon als onderpand.

Aangezien deze leningen zuiver consumptief waren, dus niet het karakter hadden van een investeringskrediet ter verhoging van de productie, was terugbetaling praktisch onmogelijk en hoopten de schulden zich steeds meer op. Wanneer een boer zo ver verstrikt was geraakt in dit soort leningen dat de hoogte van de schuld gelijk stond met een totale gemiddelde jaaroogst van zijn eigen stuk land, werd dat land feitelijk bezit van de landheer. De boer zelf werd in een lager klasse geplaatst dat behoorde tot de status van hektemoros (,,zesdedeler”) en was als zodanig verplicht één zesdedeel van de opbrengst van zijn land af te staan aan de landheer. In een volgend stadium, dat mogelijk, maar niet noodzakelijk, intrad op het moment dat hij in gebreke bleef bij het afdragen van zijn zesdedeel, kon een hektemoros als schuldslaaf verkocht worden. Naarmate door het contact met het Oosten er meer luxeproducten op de markt kwamen, ging de adel er vaker toe over van hen afhankelijke hektemoren ook daadwerkelijk als schuldslaven buiten Athene te verkopen om zich zo te verzekeren van de nieuwe statussymbolen, die de handel aanvoerde.

Het politieke aspect van de crisis hing vooral samen met het feit dat er naast de politieke bovenlaag van adellijke families een economische bovenlaag was ontstaan van mensen, die hun rijkdom niet langer uitsluitend ontleenden aan het bezit van veel land, maar gedeeltelijk of voornamelijk aan andere bronnen van inkomsten, vooral handel. Deze groep wilde zijn economische macht ook omzetten in politieke macht.

In 594 werd Solon gekozen tot archont. Hij kreeg buitengewone bevoegdheden om door middel van een programma van wetgeving en hervormingen de harmonie in de staat te herstellen. Hoewel zelf van adellijke afkomst was hij door zijn kritiek op adellijke willekeur en hebzuchtigheid, door zijn activiteit als koopman en door zijn verzet tegen als overmatig beschouwde eisen van de benedenlaag een voor alle partijen aanvaardbare ,,middenman”

De schuldslavernij bestreed Solon door een algehele kwijtschelding van schulden. Schuldslavernij werd voor de toekomst verboden, de al verkochte schuldslaven werden voor zover mogelijk vrijgekocht. Hierdoor werd het bestaan van een vrije boerenstand althans in principe mogelijk gemaakt. Hij kwam daarmee voor de helft tegemoet aan de twee eisen van de voorstanders van een totale sociale revolutie: hun tweede eis, landverdeling, bleef onvervuld.

Zijn tweede belangrijke maatregel was de herindeling van de gehele burgerij in vier groepen, die werden samengesteld op basis van ieders vermogen, uitgedrukt in de jaarlijkse gemiddelde opbrengst van ieders land. Hoewel in de tijd van Solon adeldom en rijkdom nog in hoge mate samenvielen, werd met deze overschakeling van geboorte op vermogen als criterium bij de bepaling van iemands politieke rechten aan de nieuwe categorie niet-adellijke maar wel rijke burgers alle ruimte geboden om zich in de politiek meer te laten gelden. De hoogste twee vermogensklassen waren die van de pentakosiomedimnoi (,,vijfhonderdschepel-mannen”) en die van de hippeis (zij trokken te paard naar het slagveld, waar zij zich vervolgens als infanterist in de falanx opstelden). Alleen leden van deze twee klassen waren verkiesbaar voor het college van archonten.

De derde klasse was die van de zeugitai (term voor redelijk gegoede zelfstandige boeren: zij konden beschikken over een eigen span ossen, een eigen zeugos, om hun land te bewerken). Zij dienden in het leger als hoplieten en konden lagere politieke functies vervullen. De vierde klasse was die van de veelal landloze theten of ,,dagloners”. Militair speelden zij een te verwaarlozen rol. Zij konden dan ook geen politieke functies vervullen, maar zij kregen wel voor het eerst toegang tot de volksvergadering.

De volksvergadering kreeg nu ook voor het eerst een rechtsprekende functie, en wel als hof van beroep bij bepaalde zware vonnissen van de archonten. Wanneer de volksvergadering optreedt in deze rol van rechtbank wordt zij aangeduid met de term heliaia.

Om de volksvergadering in staat te stellen ook daadwerkelijk een grotere rol te spelen stelde Solon naast de Areopagus een nieuwe raad (boulè) in, die tot taak kreeg de beslissingen van de volksvergadering voor te bereiden (probouleutische functie). Dit was de Raad van 400: hij was samengesteld uit honderd leden per fyle.

De wetten van Draco werden voor het overgrote deel afgeschaft en vervangen door een geheel nieuw wetboek.

Economisch had Athene te kampen met een voedselgebrek. De voor de hand liggende oplossing zou zijn geweest kolonisatie en gebiedsuitbreiding: men was er echter alleen in geslaagd tijdelijk een nederzetting te vestigen in Sigeum, bij de ingang van de Hellespont. Dichter bij huis werd na langdurige conflicten met Aegina en Megara het eiland Salamis onder controle gebracht. Maar tegelijk zocht Solon naar een totaal andere oplossing van het voedselprobleem: hij legde de grondslagen voor een economisch systeem, dat gericht was op de import van primaire levensbehoeften en - ter financiering daarvan - de export van hoogwaardige agrarische en ambachtelijke producten. Zo verbood hij de export van graan en stimuleerde hij de overschakeling op de productie van wijn en olijfolie; ook werden handel en ambacht aangemoedigd. Pisistratus zou in dit spoor verder gaan.

Van Solon tot Pisistratus (594-561)

Door de afschaffing van de schuldslavernij konden kleine boeren, die in moeilijkheden kwamen te verkeren, niet langer rekenen op een lening of voorschot. Het aantal mensen per bedrijfje moest dus ingekrompen worden, er kwam een trek van het platteland naar de stad, waar men als theet door handel en ambacht in zijn onderhoud probeerde te voorzien. Door deze trek en door de geleidelijke accentverschuiving in de economie ging de stadsbevolking nu steeds meer een rol spelen.

Politiek werd de tijd na Solon gekenmerkt door een strijd tussen twee adellijke groeperingen: tegenover de groep van de vlakte, die onder leiding stond van eupatriden die de hervormingen van Solon te radicaal vonden, stond de groep van de kust, die onder leiding stond van de minder behoudend ingestelde adellijke familie van de Alcmaeoniden. Na enige tijd kwam er nog een derde groep, die van de hoogten. Deze groep stond onder leiding van Pisistratus, die als adellijk landheer bezittingen had in Oost-Attica en zich opwierp als de beschermer van de arme bevolkingsgroepen. Dit waren vooral de bewoners van de berggebieden (vandaar de naam ,,hoogten”) en de naar de stad getrokken landlozen. Pisistratus streefde openlijk naar tirannie. In 561 werd hij voor het eerst tiran met steun van de meerderheid van de volksvergadering. Militair was zijn positie echter vrij zwak, omdat hij niet de steun had van de meerderheid van de hoplieten. Na vijf jaar werd hij dan ook verdreven door een coalitie van de twee andere partijen. Pas in 546 wist Pisistratus zich blijvend als tiran te vestigen. In de jaren van ballingschap had hij als exploitant van goudmijnen in het Pangaeusgebergte in Thracië de beschikking gekregen over voldoende financiële middelen om er een huurleger op na te houden.

De tirannie (561-556 en 546-510)

Pisistratus liet als tiran de bestaande constitutie vrijwel ongewijzigd, maar hij zorgde er wel voor dat archonten, raad en volksvergadering door hem gecontroleerd werden. Nieuw is wellicht dat bij de indeling van de burgers in vier vermogensklassen nu ook rekening werd gehouden met andere inkomsten dan die uit het bezit van land. Sommige oppositionele eupatriden gingen vrijwillig in ballingschap. Het is niet onwaarschijnlijk dat het daardoor voor Pisistratus mogelijk werd land te verdelen onder theten, maar zeker is dit niet en na verloop van tijd accepteerde althans een deel van de adel de inperking van zijn machtspositie.

Andere maatregelen, die gericht waren op het doen ontstaan van een centrale overheid, betroffen de belasting (er kwam een belasting van 10% op agrarische producten) en de rechtspraak (officiële, door Pisistratus aangewezen rondreizende rechters namen de lokale rechtspraak van de adellijke heren over). Het nationaal bewustzijn werd versterkt door o.a. de bouw op de Akropolis van de eerste grote tempel voor de maagd (parthenos) Athene en de reorganisatie van het aan haar gewijde Panathenaeënfeest. De verering van Dionysus, de god van de wijn en van oudsher een meer ,,volkse” god, werd door de instelling van het feest van de Grote Dionysia de tweede belangrijke samengestelde deel in de staatsgodsdienst. Dit feest vormde het religieuze kader voor de theateropvoeringen aan de voet van de Akropolis.

De inkomsten uit mijnbouw en belasting stelden Pisistratus in staat de economische problemen van de kleine man te bestrijden door aan arme boeren een klein investerings- en overbruggingskapitaal (soort “subsidie”) te geven, waardoor zij konden overschakelen op de voor export bestemde productie van wijn en olijfolie en door in de stad via bouwprojecten een soort werkverschaffingspolitiek te voeren. Het succes van de economische vooruitgang is af te lezen uit de snel toenemende verspreiding van de Attische keramische producten over praktisch het hele gebied van de mediterrane wereld en uit de invoering van gemunt geld. Tegen het einde van de tirannie (ca. 525) werd de uil, attribuut van de stadsgodin Athena, als muntstempel geïntroduceerd. Het zilver voor deze munten werd gewonnen in de mijnen van Laurium in het zuiden van Attica.

Voor de geregelde aanvoer van graan uit Zuid-Rusland was het van belang dat Athene nu voor het eerst de beheersing kreeg over een deel van de toegangsweg tot de Zwarte Zee: Pisistratus zelf stichtte een nieuwe vestiging in Sigeum: Miltiades, in Athene een leidende figuur in de groep van de vlakte, bouwde zich met instemming van Pisistratus en met hulp van Atheense kolonisten een particulier rijkje op in de tegenover Sigeum gelegen Thracische Chersonesus.

In 528 werd Pisistratus opgevolgd door zijn zoon Hippias. De verhouding met de rest van de adel werd door een mislukte aanslag op Hippias in 514 opnieuw zeer gespannen: Hippias voelde zich bedreigd en verloor als argwanend alleenheerser het aureool van ,,weldoener”, dat hij van zijn vader geërfd had. In 5l0 werd hij verdreven. Het betekende het definitieve einde van de tirannie. Deze verdrijving was het werk van de gezamenlijke adellijke oppositie, die onder leiding van de Alcmaeonide Cleisthenes een gewapende tussenkomst van Sparta uitlokte. Hippias week uit naar Sigeum en genoot daar de bescherming van Perzië.

De hervormingen van Cleisthenes (508/7)

Onmiddellijk na het vertrek van de Spartanen herstelde zich het oude patroon van voor de tirannie van de twee onderling om de macht strijdende groepen van de vlakte en de kust. Cleisthenes slaagde erin deze strijd in zijn voordeel te beslissen doordat hij, toen hij overvleugeld dreigde te worden, de steun wist te krijgen van de stedelijke bevolking, de voormalige aanhang van de tirannen, die zich aanvankelijk niet in de onderlinge strijd van de adel had gemengd. Hij kon deze steun uiteraard alleen krijgen doordat hij het volk iets te bieden had. Zijn aanbod bestond uit een pakket hervormingsmaatregelen, die hem stempelen tot de grondlegger bij uitnemendheid van de Atheense democratie. De democratisering was waarschijnlijk eerder bedoeld als middel om voor de Alcmaeoniden een dominerende positie in de polis op te bouwen dan als doel op zichzelf. Dat neemt niet weg dat na de sociale en constitutionele maatregelen van Solon en de economische verbetering onder Pisistratus de hervormingen van Cleisthenes het derde belangrijke stadium vormen in de ontwikkeling van Athene in de richting van een volwaardige democratie.

Essentieel in deze hervormingen was het afbreken van de oude archaïsche verbanden van fractie en fyle: de structuur, waarbij de positie van de burgers werd bepaald door geboorte, werd vervangen door een territoriale structuur, waarbij deze positie werd bepaald door de plaats waar zij woonden.

Bij deze herstructurering werd het hele grondgebied van de polis verdeeld in drie delen: stad, kust en binnenland. In vergelijking met de oude driedeling in vlakte, kust en hoogten valt het op dat door de urbanisering in de tijd van de tirannen de stad nu als zelfstandige eenheid genoemd werd. Tegelijk werd dit hele gebied opgesplitst in - ten dele al bestaande - kleine eenheden: buurtschappen op het platteland, wijken in de stad. Deze kleine eenheden, meer dan honderd in getal, waren de demen. Uit het totale aantal demen werden 30 trittyes samengesteld. Dit waren dus grotere lokale eenheden, elk als regel bestaande uit meerdere, aangrenzende demen, hoewel het aantal demen niet voor elke trittyes hetzelfde was. Er kwamen l0 trittyes voor de stad, 10 voor de kust en 10 voor het binnenland. Vervolgens combineerde Cleisthenes 1 trittyes uit elk van de drie groepen stad, kust en binnenland in een grotere eenheid, die hij fyle noemde.

Op die manier ontstonden er 10 fylen, waarbij er voor gezorgd werd dat deze onderling in inwonertal globaal gelijk waren. De 10 nieuwe fylen kwamen in de plaats van de 4 oude fylen. Na Cleisthenes betekende fyle dus niet meer ,,stam”, maar was het een territoriaal begrip, met dien verstande dat het territorium van zo'n fyle niet een aaneengesloten gebied vormde.

Groepen burgers uit verschillende delen van Athene en Attica, die geen gemeenschappelijke lokale belangen hadden, werden in dit nieuwe systeem per fyle en soms ook per trittyes bij elkaar gevoegd. De politieke functie van de fractie werd overgenomen door trittyes en deme. Het democratische van de hele operatie was gelegen in het feit dat de demen een politieke functie kregen en dat binnen een deme alle burgers onderling gelijkgerechtigd waren. Dit democratische aspect kwam uiteraard meer tot zijn recht naarmate er meer voor gezorgd werd dat de officiële grenzen van de demen en de trittyes niet samenvielen met de grenzen van de fractie, omdat alleen op die manier de adel ook metterdaad van zijn traditionele aanhang werd afgesneden.

De deme werd de kleinste politieke eenheid in de polis: het was een soort polis in het klein, compleet met een lokale politiek en op lokaal niveau de drie geledingen van bestuurders, raad en volksvergadering. In de praktijk werd de deme daardoor een geschikt uitgangspunt om een begin van politieke ervaring op te doen. In de loop van de 6de eeuw uit hun fractie weggetrokken burgers waren tot aan Cleisthenes voor hun politieke rechten en hun politieke bescherming aangewezen gebleven op de leiders van hun oude fractie. Bij de herstructurering van 508/7 werden ze ingeschreven in de deme waar ze woonden. Tegelijk kon Cleisthenes een aantal vrije niet-burgers, metoiken - een gestaag groeiende groep van mensen die, doordat ze als niet-burgers geen land mochten bezitten in de polis voornamelijk werkzaam waren in de sector handel en ambacht - door inschrijving in een deme tot Atheense burgers maken.

Voortaan werd iedereen, wiens vader of moeder van Atheense geboorte was, op 18-jarige leeftijd als volwassen burger in een deme ingeschreven. Lidmaatschap van een deme was erfelijk, ongeacht een eventuele verhuizing na 508/7 naar een andere deme. Geboorte als criterium voor de plaatsbepaling van de burger verdween dus niet helemaal.

Een belangrijk resultaat van de overschakeling van het systeem van vier fylen op dat van tien fylen was de vervanging van Solons Raad van 400 door een nieuwe Raad van 500. In de Raad - al spoedig hét bolwerk van de democratie - zaten 50 raadsleden per fyle voor een termijn van 1 jaar. Verlenging van deze termijn was in principe niet mogelijk, hoewel het later voorkwam dat iemand twee keer (zij het niet twee keer achter elkaar) een jaar raadslid kon zijn. De 50 raadsleden per fyle werden geloot uit eerder in de demen van die fyle gekozen kandidaten. Het aantal raadsleden, dat elke deme mocht afvaardigen, was gekoppeld aan het aantal ingeschreven burgers van die deme. Formeel waren theten waarschijnlijk uitgesloten van lidmaatschap van de Raad. Verder moest men minstens 30 jaar oud zijn.

De Raad kwam vrijwel dagelijks bijeen en kende vele commissies. Zijn wezenlijke functie was probouleutisch: de Raad fungeerde als dagelijks bestuur en agendacommissie van de volksvergadering. De volksvergadering was weliswaar soeverein, maar alles wat in de volksvergadering aan de orde werd gesteld moest eerst de Raad passeren. Daardoor kreeg de Raad vanzelf ook controle op de bestuurders, omdat ook een bestuurder geen voorstel aan de volksvergadering kon voorleggen zonder preadvies (probouleuma) van de Raad en in het algemeen de samenwerking tussen bestuurders en volk via de Raad gerealiseerd werd.

De Raad kreeg zelf ook weer een bestuurscommissie, die de werkzaamheden van de 500 regelde en voorbereidde. De leden van deze commissie heetten prytanen. Alle 50 raadsleden uit één fvle vormden gedurende een tiende deel van het jaar het college van prytanen. Hun ambtstermijn in deze functie heette prytanie. Gedurende hun prytanie, waarvoor elke fyle bij toerbeurt en door loting aan de beurt kwam, wezen de 50 elke dag door loting een voorzitter (epistatès) aan. Er was elke dag een andere voorzitter. Deze was die dag ook voorzitter van de voltallige vergadering van de Raad van 500 en hij was bovendien (misschien wel tot zijn schrik) voorzitter van de volksvergadering, als deze op ,,zijn” dag bijeenkwam. (Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat het systeem van prytanen en epistatès pas is ingevoerd in 462 en dat de Raad voordien onder voorzitterschap stond van de archont.)

De uiteindelijke beslissing in alle politieke zaken lag bij het volk, dat later in de 5de eeuw minimaal 4 keer per prytanie bijeenkwam. In de praktijk zal de volksvergadering vaak ingestemd hebben met het preadvies van de Raad, maar men kon dit preadvies ook wijzigen of verwerpen. Elke burger kon in de volksvergadering het woord voeren. Het gemiddelde per zitting in de volksvergadering aanwezige aantal burgers wordt in de 5de eeuw getaxeerd op 6.000. De schattingen van het totale aantal stemgerechtigde, dus mannelijke volwassen burgers voor deze periode variëren van 35.000 in het jaar 480 via 43.000 in 431 en 29.000 in 425 tot 22.000 in het jaar 400.

In alle bestuurscolleges en commissies werd sinds Cleisthenes 10 het magische getal, opdat alle gelijk vertegenwoordigd zouden zijn. Vandaar dat ook het college van archonten met één man werd uitgebreid. In dit college konden alleen leden van de hoogste twee vermogensklassen gekozen worden. Nieuw was waarschijnlijk dat de taakverdeling binnen het gekozen college van archonten door loting geregeld werd: dit was bedoeld als remedie tegen de felle strijd om de functie van archon eponymos en betekende een verzwakking van het uitvoerende gezag. Functie en samenstelling van de Areopagus bleven ongewijzigd. In de loop van de tijd was waarschijnlijk al de gewoonte ingeburgerd dat de Areopagus werd samengesteld uit de ex-archonten.

Hoge geboorte en bezit van een groot vermogen bleven ook na Cleisthenes in de praktijk nog lang onmisbare voorwaarden voor het bekleden van politiek leidende functies in de polis. Maar de uitoefening van die macht was sinds Cleisthenes duidelijk gebonden aan het nieuwe democratische kader. Doordat er elk jaar 500 nieuwe raadsleden met een veelheid van politieke aangelegenheden werden geconfronteerd, was spoedig een vrij groot percentage van de politiek geïnteresseerde burgers ook inderdaad politiek ervaren. Deze in de Raad opgedane ervaring was uiteraard via de ex-raadsleden ook van invloed op het niveau van de volksvergadering en op het niveau van het politieke leven in de demen.

Als sluitstuk in de hervormingen van Cleisthenes ga ik het hebben over de instelling van het ostracisme of schervengericht. Het was bedoeld om politieke leiders (generaals) die men te machtig vond voor tien jaar te verbannen. Men probeerde zo waarschijnlijk al te grote tegenstellingen binnen de politieke gemeenschap (`polis`) te overbruggen. Jaarlijks werd aan de volksvergadering de vraag voorgelegd of men een ostracisme wilde. Als deze vraag bevestigend werd beantwoord, volgde het eigenlijke ostracisme. Hiervoor was een quorum vereist van 6.000 stemgerechtigden. Elk van de aanwezige burgers schreef de naam van een zijns inziens potentiële tiran op een ostrakon (potscherf) of hij liet dit doen. De man, die het hoogste aantal scherven met zijn naam bekrast zag, moest 10 jaar als balling buiten de polis doorbrengen. Hij bleef wel in het onverkorte bezit van al zijn eigendommen en kon na die 10 jaar als volwaardig burger terugkeren. Het eerste overgeleverde ostracisme dateert van 487. Op dat moment kon er al nauwelijks meer sprake zijn van een dreigende terugkeer van de tirannie. Het ostracisme was toen al niet meer, maar ook niet minder, dan een geducht wapen in de rivaliteit tussen politieke leiders. Het laatste ostracisme dateert van 417.

Binnen het verband van de nieuwe fyle werden de burgers niet alleen politiek, maar ook militair gehergroepeerd. Elke fyle leverde een regimenten. De tien regimenten stonden vanaf 501 elk onder commando van een gekozen strateeg. De instelling van dit democratisch gekozen college van 10 strategen betekende een verzwakking van de positie van de polemarchos.

DE KLASSIEKE TIJD: DE 5DE EEUW (CA. 500-404 V. CHR.)

De strijd tegen Perzië (499-479)

De Ionische opstand (499-494)

De voor vele Grieken onverwacht voorspoedige afloop van hun conflict met het

Perzische rijk is van grote invloed geweest op de verdere ontplooiing van begrippen als politieke vrijheid en democratie in de Griekse wereld in het algemeen en meer in het bijzonder op de maatschappelijke en culturele bloei van Athene. Het conflict begon met de opstand van Milete en een aantal andere Ionische steden in Klein-Azië. Sinds de val van Lydië (546) waren deze steden steeds meer onder Perzische druk gekomen. Deze druk werd vooral voelbaar nadat Darius I alle delen van zijn rijk in zijn nieuwe bestuurlijke en fiscale organisatie strakker onder zijn controle had gebracht en hij door zijn (wat hoofddoel betreft overigens mislukte) campagne van 513 tegen de Scythen ten noorden van de Donau ook de Thracische kust bij het Perzische rijk in grote geheel had opgenomen. Maar de hoofdoorzaak van de opstand moet niet zozeer gezocht worden in anti-Perzische gevoelens zonder meer als wel in het feit dat de Klein-aziatische Griekse steden zich niet als echte poleis konden ontplooien doordat zij bestuurd werden door tirannen, die veelal met Perzische steun in het zadel geholpen en gehouden werden.

Van de Europese Grieken toonden alleen Athene en het op dat moment al weinig betekende Eretria zich bereidt de opstandelingen enige steun te verlenen door het zenden van een klein vlooteskader. Ondanks een als succesvol beschouwde aanval op Sardis, die er toe leidde dat de opstand zich over de hele westkust van Klein-Azië uitbreidde, liep de onderneming echter op niets uit door de onderlinge onenigheid en de Perzische overmacht. De Atheners trokken zich al spoedig terug en de verwoesting van Milete in 494 betekende het definitieve einde van de opstand.

Bij de reorganisatie van het veroverde gebied werd weliswaar het systeem van Perzische controle via pro-Perzische tirannen afgeschaft, maar toch emigreerden veel Ioniërs naar Griekenland en de kolonies in het westen. Daarmee kwam een einde aan de grote tijd van economische en culturele bloei in Ionië.

De Eerste Perzische Oorlog (490)

In 493 werd Themistocles archoon eponymos. Hij was een afstammeling uit een adellijk geslacht van het tweede garnituur. Hij maakte als archont een begin met het verdedigingswerk van de drie natuur1ijke havens van de Piraeus: het was de eerste stap van Athene op de weg naar zijn latere heerschappij ter zee.

In hetzelfde jaar nam een aantal Griekse kolonisten van de Thracische Chersonesus onder leiding van Miltiades II, een neef van de gelijknamige stichter van de Atheense vestiging gelegen in Thracische Chersonesus, de vlucht naar Athene. Deze vlucht hield verband met de Perzische expeditie van 492, die primair het doel had de door de Ionische opstand besmette Thracische kust opnieuw onder Perzisch gezag te brengen. Dit doel werd ook gerealiseerd.

In 490 volgde een nieuwe Perzische expeditie, ditmaal gericht tegen een aantal eilanden in de Egeïsche Zee, die zich zonder veel strijd overgaven, en gericht tegen Athene. In de Atheense overlevering wordt deze tocht voorgesteld als een wraakmaatregel speciaal tegen Athene en Eretria vanwege hun steun aan de Ionische opstandelingen. Vanuit Perzisch standpunt bekeken was het waarschijnlijk eerder een poging om in aansluiting op de actie van 492, die - als men aanneemt dat deze ook tegen Griekenland gericht was - niet in alle opzichten geslaagd was, ook op de eilanden en in Athene steunpunten te verkrijgen in het belang van een doeltreffende controle over de Egeïsche Zee. Gezien het feit dat de in 510 verdreven tiran Hippias op de Perzische vloot meereisde, bestond in Athene het vermoeden dat het de bedoeling van de Perzen was via het terug invoeren van de tirannie Athene indirect aan Perzië te binden. In Athene had Miltiades zich intussen door zijn afkomst en zijn Perzische ervaring al snel zichzelf ter sprake gebracht als een man van gezag. Behalve slachtoffer van de Perzen was hij ook een persoonlijke vijand van Hippias. In 490 tot strateeg gekozen wist hij de meerderheid van de Atheners ondanks hun aarzeling en ondanks de tegenwerking hen over te halen tegemoet te treden aan de Perzen. Sparta toonde zich bereid de Atheners te helpen. Maar voordat de Spartanen hun belofte konden nakomen, waren de Perzen al aangekomen bij Marathon in Oost-Attica. De toen als opgeleverde slag leverde een even onverwacht als schitterende succes op voor de Atheense hoplieten. De kwaliteit van de falanx leverde meer succes op dan de grote hoeveelheid getalsterkte van de Perzen.

Niet alleen militair en psychologisch, maar ook politiek was de Atheense overwinning van grote betekenis: waren sommigen in het pas gebeurde verleden nog wel eens geneigd geweest tot samenwerking met Perzië, na Marathon kon hierover geen ruzie meer bestaan.

Tien jaren van spanning en inspanning (490-481)

Het is bepaald niet zo dat de Grieken zich van het begin af aan in deze jaren bezorgd maakten over een eventuele nieuwe aanval van de Perzen. In Athene werd het politieke toneel als vanouds beheerst door de rivaliteit tussen verschillende adellijke families en hun leiders. De herstructurering van Cleisthenes was in de eerste decenniën na 508 vooral van invloed op de verhouding en de politieke bewustwording aan de basis. Aan de top was de situatie in zoverre anders geworden dat de leiders elkaar nu moesten beconcurreren binnen het kader van de nieuwe grondwet en dat zij daardoor hun aanhang minder vast in hun greep hadden. In deze onderlinge strijd werden in de jaren 487-482 verschillende vooraanstaande door ostracisme (= volksvergadering om politieke leiders (generaals) die men te machtig vond voor tien jaar te verbannen) buiten spel gezet.

In 487 werd door een simpele maatregel de basis gelegd voor verdere democratisering: de archonten werden niet langer gekozen, maar geloot uit 100 in de demen gekozen kandidaten uit de hoogste twee vermogensklasse. Dit had, mede in verband met de toenemende militaire activiteiten in de jaren vanaf 480 op den duur tot gevolg dat het college van archonten in politiek gewicht minder machtiger werd door het tot dan toe op een na hoogste college, dat van de tien strategen. Voor dit laatste ambt vond geen loting plaats; bovendien kon men onbeperkt als strateeg herkozen worden. Een tweede gevolg was dat de Areopagus, waarin de ex-archonten voor de rest van hun leven zitting hadden, ook na verloop van tijd minder belangrijk werd.

In 483 nam Athene het voor het verdere verloop van zijn geschiedenis het beslissende besluit een oorlogsvloot van 200 schepen te bouwen. De stad werd daarmee in één klap de grootste vlootmacht in de Griekse wereld. Het initiatief hiertoe was uitgegaan van Themistocles. Hij wees de Atheners op het belang van een sterke marine met het oog op hun al jarenlang doorgroeiende conflict met Aegina. Zelf dacht hij daarbij waarschijnlijk ook al aan een te verwachten Perzische aanval, maar dat idee was in deze jaren voor de meeste Atheners niet meer dan een onwerkelijke droombeeld. De bouw van de vloot kon gefinancierd worden dank zij de ontdekking in hetzelfde jaar, van nieuwe en zeer rijke ertslagen in de zilvermijnen van Laurium.

De overschakeling van landmacht naar zeemacht zou economisch en politiek vérstrekkende gevolgen hebben. Een sterke vloot zou Athene in staat stellen zijn graanimport voldoende te beveiligen. De werkgelegenheid voor de theten werd enorm vergroot en aangezien de theten niet alleen bij de bouw en het onderhoud, maar ook bij de bemanning van de schepen nauw betrokken werden, was het te verwachten dat zij aan hun nieuwe militaire functie ook politieke aanspraken zouden gaan overnemen.

De Perzen van hun kant maakten zich na 490 niet direct op voor een nieuwe aanval. Opstanden in Egypte en Babylon en op opvolging van Darius door Xerxes (486) bezorgden de Grieken enkele jaren uitstel. Pas in 483 begon Xerxes voorbereidingen te treffen voor een grootscheepse aanval over land én over zee. Het doel was ditmaal zonder twijfel de volledige onderwerping van Griekenland. In 481 drong de ernst van de situatie tot de Grieken door. Doorslaggevend bij de bepaling van hun standpunt waren vaak de interne verhoudingen binnen de poleis en traditionele rivaliteiten tussen naburige poleis. De meeste namen een afwachtende houding aan. Vele stelden zich ook pro-Perzisch op. Slechts een minderheid besloot zich te verzetten. De kern van deze groep werd gevormd door Athene en Sparta met zijn bondgenoten van de Peloponnesus. Deze geallieerden verplichtten zich tot wederzijdse ondersteuning tegen de Perzen. Onderlinge ruzies werden uitgesteld, politieke ballingen werden teruggeroepen en men maakte een plan de campagne. Sparta kreeg officieel de leiding in de oorlog.

De Tweede Perzische Oorlog (480-479)

Het leger van Xerxes vormde een gemengde mengeling van Perzische elitetroepen en hulptroepen van diverse ondergeschikte gebieden. De Perzische vloot bestond voornamelijk uit Fenicische en Klein-aziatische Griekse schepen.

Deze strijdmacht kon via de Hellespont en de Thracische kust ongehinderd oprukken tot de pas van Thermopylae, waar een klein leger van voornamelijk Peloponnesiërs onder commando van de Spartaanse koning Leonidas de verdere opmars naar Centraal-Griekenland door heroïsch verzet tijdelijk tot stilstand te brengen, terwijl op dezelfde hoogte een Griekse vloot bij kaap Artemisium aan de noordpunt van Euboea de Perzische vloot bij haar doortocht door de zeestraat tussen Euboea en het vasteland zware schade toebracht. Maar toch werden de Grieken gedwongen zich terug te trekken. De bevolking van Athene werd op voorstel van Themistocles geëvacueerd naar Salamis, Aegina en Troezen aan de oostkust van de Peloponnesus.

De meerderheid van de Griekse geallieerden wilde het beslissende gevecht gelijktijdig te land en ter zee doen plaats vinden bij de Isthmus van Korinthe. Maar Themistocles wist door manipulatie en misleiding een zeeslag bij Salamis te forceren. Hier hadden de Griekse vloottroepen zich verzameld na de terugtocht bij Artemisium. Door de beperkte ruimte in de baai kon de Perzische vloot haar numerieke meerderheid niet benutten en behaalden de Grieken een schitterende overwinning. Xerxes keerde terug naar Klein-Azië, net als het restant van zijn vloot; zijn landmacht overwinterde in Thessalie.

Atheners tegenover Sparta dreigden dat zij op de Perzische voorstellen zouden ingaan als de Spartanen en hun bondgenoten zich niet zouden inzetten voor de verdediging van Attica, rukte uiteindelijk de gehele Peloponnesische strijdmacht op naar de noordgrens van Attica. Onder aanvoering van Pausanias, in Sparta regent voor de nog onvolwassen opvolger van de bij Thermopylae sneuvelde Leonidas, versloegen de Grieken in de slag bij Plataea ook de Perzische landmacht.

In dezelfde tijd heroverde de Griekse vloot de heerschappij over de gehele Egeïsche Zee door verwoesting van de Perzische marinebasis bij kaap Mycale aan de Klein-aziatische kust ter hoogte van Samos. Het was het begin van een nieuwe Ionische opstand.

Van de Perzische tot de Peloponnesische Oorlog (479-431)

Athene en de Perzen (479-449)

Na het succes van Mycale heroverde de Atheense vloot de Thracische Chersonesus. Geallieerde acties tegen o.a. Byzantium stonden in het begin nog onder leiding van Pausanias, maar toen Sparta zich kort daarna uit het opperbevel terugtrok omdat het te ver van huis was en dat zagen als een bedreiging voor zijn greep op de Peloponnesus, nam Athene op verzoek van een aantal eilanden voor de Klein-Aziatische kust de leiding over. Dit had als gevolg in 477 de oprichting van een als gemeenschappelijke verdedigingsorganisatie tegen de Perzen bedoelde bond, die tegenwoordig bekend staat als de Delisch-Attische Zeebond.

De bond omvatte de Ionische en Aeolische steden van Klein-Azië en het gebied van de Propontis, het merendeel van de eilanden in de Egeïsche Zee en de Griekse steden van Chalcidice en de Thracisçhe kust. Het lidmaatschap gold voor onbeperkte tijd. Men verplichtte zich elkaar tegen elke vijand bij te staan. Voorstellen voor gezamenlijke acties moesten goedgekeurd worden door een bondsraad, waar elke aangesloten polis één stem uitbracht. In de praktijk werd deze raad gedomineerd door Athene en speelde de raad nauwelijks een rol. De lidstaten verplichtten zich ook tot het leveren, naar draagkracht, van een jaarlijkse contributie (phoros) voor het in stand houden van een gezamenlijke vloot. Deze contributie kon voldaan worden door het leveren van schepen of het betalen van geld.

Men ging steeds meer over op de tweede mogelijkheid: dit was gunstiger voor de Atheense economie en gemakkelijker niet alleen voor de bondgenoten maar ook voor een effectieve Atheense controle op die bondgenoten. De bondsgelden werden gestort in een bondgenootschappelijk kas op het eiland Delos. Deze kas werd beheerd door een commissie van tien, de hellenotamen, die jaarlijks gekozen werden door en uit de Atheense burgerij.

Het uitblijven van een nieuwe Perzische aanval na 479 stelde de Atheners in staat de bond ook voor andere dan anti-Perzische aanvallen acties in te zetten. Waar dit stuitte op verzet en zelfs rebellie van de bondgenoten, werd veelal met harde hand ingegrepen. Op die manier werd de bond al in de jaren ‘70 een instrument van Atheense imperialisme. Tegen het eind van de jaren ‘60 voelden de Atheners zich ter zee zo sterk dat zij een grote expeditie uitzonden naar de Nijldelta ter ondersteuning van een Egyptische opstand tegen de Perzen. Hoewel deze vloot er in het begin in slaagde Memphis te bezetten, eindigde de onderneming zes jaar later met een zware nederlaag (460-454). De angst voor een Perzisch tegenaanval vormde een geschikt excuus om in 454 de bondskas te verplaatsen van Delos naar Athene. Enige tijd later (450) ondernamen de Atheners een aanval op de Perzische vlootbasis Cyprus. De Perzische vloot werd verslagen, maar Cyprus bleef Perzisch. In 449 kwam er met de vrede van Callias (zo genoemd naar de Atheense onderhandelaar) officieel een einde aan de Perzische oorlogen. De Egeïsche Zee en de doorgang naar de Zwarte Zee werden verboden gebied voor Perzische schepen, de gehele Klein-Aziatische kust werd over een breedte van drie dagmarsen landinwaarts (ca. 70 km.) vrijgemaakt van de aanwezigheid van militairen.. Athene moest afzien van verdere tussenkomsten op Perzisch grondgebied. De vrede van Callias had volgens sommigen onder de bondgenoten de Delisch-Attische Zeebond overbodig gemaakt. De Atheners stelden daar tegenover dat die vrede alleen door een duurzame gemeenschappelijke militaire en financiële inspanning gegarandeerd kon blijven en dat zij zelfs geschikt waren de contributies te besteden voor niet-militaire doeleinden (met name voor de uitvoering, in de jaren vanaf 449, van het grote bouwprogramma op de Akropolis met als bekendste object het Parthenon, de tempel voor de stadsgodin - en maagd - Athena Polias), zolang zij de contribuanten doeltreffend beschermden.

Athene en Sparta (479-446)

De ontwikkeling van Athene als de agressieve leider van een eigen bond werd met grote argwaan gevolgd door Sparta, dat zich in 478 niet zonder interne tegenwerking in een conservatief isolationisme (= het niet aangaan van internationale verplichtingen) had teruggetrokken en daarmee indirect de weg naar de macht voor Athene had vrijgemaakt.

De eerste tekenen van jaloezie maakten zich aanwezig toen nogmaals op initiatief van Themistocles de Atheners van hun stad een sterke vesting begonnen te maken om voor de toekomst een herhaling van een verovering als die van 480 door Xerxes te voorkomen en niet langer aangewezen te hoeven zijn op de steun of goedheid van de veel sterkere Peloponnesische landstrijdkrachten. De versterking van het fort was een logisch onderdeel in de politiek om van Athene op de eerste plek een zeemacht te maken en kreeg in 457 en 445 zijn sluitstuk met de bouw van twee evenwijdige muren van 6 km. lengte van Athene naar de Piraeus, waardoor stad en haven één grote vesting werden.

De tegenstellende opstelling tegenover Sparta werd tijdelijk onderbroken door de opkomst van Cimon, de zoon van Miltiades. Zijn afkomst, rijkdom en vaderachtige beminnelijkheid stempelden hem tot de meest gezaghebbende politicus in Athene in de jaren 478-461. Hij had een belangrijk aandeel in de uitbreiding van de Delisch-Attische Zeebond en bevond zich in dat opzicht op dezelfde golflengte als Themistocles. Maar anders dan Themistocles was hij een voorstander van een politiek van evenwicht tussen Sparta en Athene. Een ander verschil was dat de aristocratische Cimon niet de man was om stappen te ondernemen op weg naar verdere democratisering. De politieke en persoonlijke tegenstelling tussen beide rivalen werd in 471 door middel van een ostracisme in het nadeel van Themistocles beslist. Hij leefde een tijdlang als balling in Argos, dat in deze jaren mede waarschijnlijk door zijn invloed centrum werd van een beweging naar meer democratie, die zich in diverse poleis op de Peloponnesus deed voelen. Nadat in Argos de antidemocraten weer aan de macht waren gekomen en hij op aansporing van Sparta in Athene bij afwezigheid ter dood veroordeeld werd op de tegenstrijdige beschuldiging van verraad aan de Perzen, vluchtte hij uiteindelijk naar de Perzische koning, die hem vriendelijk ontving en hem tot stadhouder benoemde over Magnesia aan de Meander in Klein-Azië. Hij stierf omstreeks 462. In 464 brak er na een zware aardbeving op de Peloponnesus een grote heloten (slaven) opstand uit, die zijn centrum had in Messenië en daarom bekend staat als de Derde Messeense Oorlog (464-459). Sparta riep o.a. de hulp in van Athene, dat direct 4000 hoplieten (slaven) stuurde onder commando van Cimon. Ondanks hun persoonlijke aanwezigheid wantrouwde Sparta de Atheners en stuurde het de hoplieten naar Athene terug. Dit werd in Athene als een belediging opgevat en verschafte de tegenwerking de gelegenheid Cimon door ostracisme uit te schakelen.

In de jaren 461-446 bewoog de Atheense politiek tegenover Sparta en zijn bondgenoten zich weer meer in de agressieve lijn van Themistocles. In 459 sloot Megara zich, vanwege een grensconflict met Korinthe, vrijwillig aan bij de Atheense bond. Voor Athene was dit van groot belang omdat Megara over twee havens beschikte (Nisaea aan de Saronische Golf en Pagae aan de Korinthische Golf). Het overlopen van Megara betekende een gevaarlijke bedreiging voor Korinthe, dat nog steeds de meeste contacten had met het westen. De Atheners versterkte hun positie verder door diverse acties in de Korinthische Golf, waaronder de vestiging in Naupactus van een aantal Messeense heloten na de ineenstorting van hun opstand tegen Sparta. In 457 kwam een einde aan de oude blijvende vijandschap met Aegina door de gewelddadige inlijving van deze Spartaanse bondgenoot in de Delisch-Attische Zeebond.

Maar te land moest Athene zijn pogingen om Boeotië met hulp van de democraten ter plaatse onder controle te krijgen in 447 met een zware nederlaag boeten. Opstandigheid onder een aantal bondgenoten (waar onder Megara en Euboea) en dreigende Spartaanse opmars naar Attica leidden in combinatie met oorlogsmoeheid bij beide partijen tot de vrede van 446. Athene moest afstand doe van Megara en enkele andere bezette gebieden, beide machtsblokken erkenden en respecteerden elkaars invloedssferen verplichtten zich alleen nieuwe bondgenoten aan te nemen uit de kring van niet gebonden poleis en er kwam een afspraak tot arbitrage (= vorm van geschillenbeslechting waarbij nietde rechter, maar een of meer door de partijen zelf aangewezen scheidsrechters (arbiters) een uitspraak doen) bij conflicten.

Het Atheense imperialisme

De vrede van 446 bood Athene meer dan genoeg mogelijkheden tot verdere uitbreiding. Maar toch was de Atheense buitenlandse politiek in de periode 446-431 na de zware inspanningen van de ,,tweefrontenoorlog” van de jaren ‘50 eerder gericht op consolidatie (= samenvoeging).

Dit beleid moet vooral worden toegeschreven aan Pericles. Van 443 tot 429 (het jaar van zijn dood) werd hij jaarlijks als strateeg herkozen, terwijl hij dit ambt ook eerder al enkele malen had vervuld. De manier waarop het werd overgebracht doet vermoeden dat hij een nogal rationalistisch ingestelde en afstandelijke figuur is geweest, die daarom nog wel eens weerstand ondervond niet alleen van oligarchische opponenten, maar ook van goedburgerlijke en in hun ethische opvattingen traditionalistisch ingestelde democraten (zo was bijv. zijn scheiding, gevolgd door een verhouding - geen huwelijk - met een naar burgerlijke maatstaven al te geëmancipeerde en bovendien nog niet-Atheense vrouw, regelmatig geval van kritiek). Hij ontving meer gezag dan genegenheid, en dat gezag was vooral gebaseerd op de combinatie van adellijke afkomst, intellectuele overtuigingskracht en een grote welsprekende vaardigheid bij het bespelen van de volksvergadering. De belangrijke afwijking in het beleid van consolidatie was de stichting van de kolonie Ampipolis in 437 (eerdere pogingen, ondernomen in 497 en 465, waren mislukt). Amphipolis was zowel strategische als economisch van essentieel belang: de stad lag aan weerskante de monding van de Strymon, de grensrivier tussen Macedonië en Thracië en het voornaamste obstakel op de landroute van Griekenland via de Thracische kust naar de Hellespont, functioneerde als uitvoercentrum van Macedonisch hout voor de Atheense scheepswerven en van goud en zilver uit de mijnen van het naburige Pangaeusgebergte.

Voor het overige beperkte Athene zich tot de instandhouding van zijn positie in de Delisch-Attische Zeebond. Hoe dominerend deze positie was, blijkt o.a. uit het simpele feit dat in de officiële besluiten van de volksvergadering in plaats van het woord ,,bondgenoten” regelmatig de term , onderhorigen” werd gebruikt. De desnoods met geweld afgedwongen verplichting van de bondgenoten tot het betalen van contributie werkte uiteraard de door dit woordgebruik gereflecteerde situatie in de hand. De hoogte van de aanslag werd uitsluitend bepaald door de Raad van 500 in overleg met de strategen en werd in het begin elke vier jaar herzien. De bondgenoten hadden daarbij de mogelijkheid tegen een volgens hun te hoge aanslag in beroep te gaan bij de volksrechtbank. Maar over het algemeen ging het niet om overdreven bedragen en waren de vierjaarlijkse herzieningen van weinig belang. Pas in 425 vond er een drastische verhoging plaats. Deels was dit bedoeld ter correctie van inflatie-effecten, maar

meer nog was het een gevolg van de oorlogsstemming van dat jaar en van de noodzaak de door de oorlog snel minder wordende financiële middelen aan te vullen.

Bij de handhaving van zijn positie bediende Athene zich van de volgende instrumenten:

Gedurende het vaarseizoen patrouilleerde er voortdurend een vloot van 60 schepen in de Egeïsche wateren.

In elke polis bevond zich wel een proxenos. Een proxenos was iemand die in zijn eigen polis op basis van een particuliere afspraak als gastheer optrad en de belangen behartigde van (de burgers van) een andere polis. Het spreekt vanzelf dat een proxenos voor Athene een uiterst waardevolle informant kon zijn.
Processen in een geallieerde polis, waarbij Atheense politieke belangen op het spel stonden (bijv. een aanklacht ingediend tegen of door een proxenos), konden overgebracht worden naar de Atheense volksrechtbank. Op den duur was het waarschijnlijk zelfs zo dat geen enkele geallieerde rechtbank meer de bevoegdheid had op eigen gezag een doodvonnis uit te spreken.
Geallieerde poleis konden onder supervisie komen te staan van ter plaatse uitgezonden of rondreizende Atheense inspecteurs of, soms, van Atheense legerafdeling.
Er konden Atheense klerouchen (‘'landhouder”) op onteigend geallieerd grondgebied gevestigd worden. De vestiging van een klerouchie (wel te onderscheiden van een kolonie of apoikia: de klerouchen behielden het Atheense burgerrecht en vormden geen nieuwe polis) was meestal een maatregel voor het voorkomen of bestraffing van een opstand. Waar zich voor het uitloten van belangstellende vooral theten meldden, had de uitzending van een klerouchie zeker ook het effect - en wellicht soms ook het doel - op die manier theten te bevorderen tot de vermogensklasse van de hoplieten.
In poleis, die verzet hebben getoond, kon de oorspronkelijke bevolking verjaagd en/of gedood worden. Op het dan vrijgekomen land werd vervolgens een apoikia gevestigd van vooral Atheense theten, eventueel aangevuld met andere kolonisten.

Ondanks het hardhandige karakter van sommige van deze - overigens niet allemaal even intensief gebruikte - instrumenten was Athene bij de bondgenoten minder algemeen gehaat dan men op het eerste gezicht zou verwachten. Het oordeel van de bondgenoten was vooral sociaal bepaald: de bovenlaag in de meestal oligarchisch bestuurde poleis was in het algemeen eerder geneigd in de Atheense overheersing een aantasting te zien van de eigen autonomie, terwijl de economisch en sociaal zwakkeren de contributies en de beperking van de interne zelfbeschikking veelal minder als een aanslag op hun positie beschouwden en integendeel vaak zelfs politiek, juridisch en economisch profiteerden van de sterke arm van de Atheense democratie. Athene van zijn kant was er niet op uit zijn bondgenoten systematisch een democratisch regime op te leggen, zelfs niet wanneer men, zoals Samos in 440, tegen Athene in opstand was gekomen. Het Atheense beleid was er eerder op gericht de heersende elite bij de geallieerden een prijs te laten betalen voor voortzetten van haar positie en tegelijk haar door een stelselmatige controle voor al te hooghartig optreden tegenover de kleine man onder haar eigen burgerij te doen terugwijken. Op die manier werkte de Atheense supervisie verzachtend ten opzichte van interne tegenstellingen binnen de geallieerde poleis en dat was vaak ook in het belang van de plaatselijke oligarchen. Maar toch vormden deze oligarchen een altijd onzichtbare aanwezige bron van spanningen en rebellie. Maar zolang Athene ter zee algemeen erkend superieur was, konden eventuele rebellen hoogstens rekenen op niet echt uitingen van instemmingen van de kant van de Perzen of Spartanen en was hun verlangen naar volledige zelfbeschikking tot mislukken gedoemd.

Economisch was het imperialisme voor Athene van het hoogste belang sinds men al vanaf de tijd van Solon het oude ideaal van economische autarkie had opgegeven. Zonder dat de handel stelselmatig daartoe werd gedwongen werd de Piraeus automatisch het buitengewoon economisch centrum. De marine en de handel boden duizenden theten, metoiken en ,,gastarbeider” uit geallieerde poleis werk. Maar het is onjuist te menen dat het Atheense imperialisme een economisch imperialisme in moderne zin, gericht op de monopolisering van bepaalde grondstoffen- en/of afzetgebieden, zou zijn geweest. Imperialisme in politieke zin, “de eerste zijn”, was in het Griekse waardensysteem beslist aanvaardbaar als doel op zichzelf. De economische aspecten behoren daarom eerder tot de sfeer van de gevolgen van het imperialisme dan tot die van zijn oorzaken.

De Peloponnesische Oorlog (431-404)

Oorzaken van de Peloponnesische Oorlog

In 490 voor Christus vochten de Perzen tegen Athene. Athene versloeg de oorlogsvloot van de Perzen bij de Griekse stad Marathon. Toen de Perzische koning Darius stierf, stuurde zijn zoon Xerxes een grotere vloot en een groter leger naar Athene. De Atheners vluchtten de stad uit. De Perzen kwamen in een verlaten Athene aan en verwoestten de stad. De Atheners hadden na de eerste aanval zelf in de loop der jaren een grote vloot opgebouwd en wisten door een slim aanvalsplan te winnen van de Perzische schepen bij Salamis, een eiland vlak achter Athene. In 479 voor Christus verloor ook het Perzische landleger de strijd tegen Ahtene. Hoewel de Perzen waren verslagen bleven ze nog altijd een bedreiging voor Athene en de Perzische koloniën in Griekenland. Daarom besloot Athene met de koloniën samen te gaan werken. In 478 voor Christus werd door deze partijen de Delische bond opgericht. Daarop zocht ook Sparta bondgenoten en richtten de Peloponnesische bond op. Deze bond bestond onder andere uit Macedonië en het grootste deel van Peloponnesus.

In de vijfde eeuw voor Christus waren er dus twee machtsblokken in Griekenland: Athene en de Zeebond (of Delische bond) en Sparta en de Peloponnesische bond. De Zeebond was opgericht tegen de Perzische dreiging. Door de bijdragen van de bondgenoten aan de vloot van Athene ontwikkelde de bond zich tot een Atheense zeerijk.

De directe aanleiding van de oorlog was het conflict van Kerkyra (Corfu), een kolonie van Korinthe met zijn moederstad dat uitbrak in 433 v. Chr. Kerkyra vroeg en kreeg het de hulp van Athene. Korinthe werd op zijn beurt bijgestaan door de Peloponnesische Bond onder de leiding van Sparta, dat Athene de oorlog verklaarde. Potidaea, een Korinthische kolonie, maar die tot de Delische Bond behoorde zegde eenzijdig het bondgenootschap op, waarop de Atheners de stad belgerden en in 429 v. Chr. "heroverden", tot ergernis van Korinthe en Sparta.

Er waren echter ook dieper liggende oorzaken van het conflict. Allereerst de naijver en frustratie van Sparta en zijn bondgenoten om het groeiende imperialisme van Athene. Na de Perzische Oorlogen, waarin Sparta echter de grootse militaire rol had gespeeld, voerde Athene steeds meer een imperialistische politiek en slaagde de stadsstaat erin om de Delische Bond tot een Atheens Rijk uit te bouwen. Daarbij streefden beide grootmachten naar het militaire en economische overwicht in de Griekse wereld. Een tweede diepere liggende oorzaak was de politieke en militaire tegenstellingen tussen de interne staatsregelingen van Athene (democratisch, progressief en zeemacht) en van Sparta (aristocratisch, conservatief en een landmacht), die ieder bij zijn respectieve bondgenoten en aanhangers propageerde.

Dieperliggende oorzaken

* De na-ijver en frustratie van Sparta en zijn bondgenoten om het groeiende imperialisme van Athene. Na de Perzische oorlogen, waarin Sparta nochtans de grootste militaire rol te land had gespeeld, ging Athene steeds meer een imperialistische politiek voeren en slaagde erin om de Delische Bond tot een Atheens Rijk uit te bouwen. Daarbij streefden beide grootmachten naar het militaire en economische overwicht in de Griekse wereld.

* De politieke, militaire en etnische tegenstellingen tussen de interne staatsregelingen van het Ionische Athene (democratisch, progressief en zeemacht) en van het Dorische Sparta (aristocratisch, conservatief en een landmacht), die ieder bij zijn respectievelijke bondgenoten en aanhangers propageerde.

Aanleiding

* De Kerkyra-kwestie: toen Kerkyra (nu Corfu), een kolonie van Korinthe, in 433 v.Chr. in conflict kwam met de moederstad, vroeg en kreeg het de hulp van Athene. Korinthe werd op zijn beurt bijgestaan door de Peloponnesische Bond onder de leiding van Sparta, dat Athene de oorlog verklaarde.

* De Potidaea-kwestie: Potidaea was een Korinthische kolonie, maar behoorde oorspronkelijk tot de Delische Bond. Tijdens de Kerkyra-kwestie zegde Potidaea eenzijdig het bondgenootschap op, hetgeen de Atheners niet pikten. Als reactie belegerden zij de stad, die in 430 v.Chr. werd "heroverd", tot ergernis van Korinthe en Sparta.

* Het Megarisch besluit: een handelsboycot van Athene tegen Megara.

Hierop volgde het Peloponnesisch congres in Korinthe, waarna de oorlog tussen Sparta en Athene werd verklaard.

Verloop Peloponnesische Oorlog (431-404 v. Chr.)

Rond 430 voor Christus ontstond een conflict tussen Corinthe en zijn kolonie Corcyra, die in 433 een beroep deed op Athene. Het kwam tot een gevecht tussen een Corinthische vloot en de vloot van Corcyra versterkt met tien Atheense schepen, dat onbeslist eindigde. In 432 escaleerde het conflict tussen Corinthe en Athene, toen Potidaea, een Corintische kolonie én lid van de Zeebond, deze Bond wilde verlaten. Potidaea zocht na de bedreigingen van de kant van Corinthe hulp bij Athene. Dat kreeg de toezegging van Sparta dat het Attica zou binnenvallen als Athene Potidaea zou aanvallen. Bovendien beloofde Perdiccas, de koning van Macedonië, hulp. De Atheners zagen hun belangen in dit gebied nu serieus bedreigd worden en stuurden er een vloot en een leger op af.

Archidamische Oorlog (de eerste fase van de Pelopennesische Oorlog 431 - 421)

In 431 voor Christus brak er de Archidamische Oorlog uit (de eerste fase van de Pelopennesische Oorlog), genoemd naar de Spartaanse koning, die na lange aarzelingen in Sparta de invallen in Attica leidde. De Spartanen hoopten hiermee de Atheners tot een snelle overgave te dwingen. Pericles besloot om de bevolking van het Attische platteland binnen de muren te halen, waardoor de stad zeer dichtbevolkt raakte. Pericles koos voor deze afwachtende houding, omdat hij wist dat Athene over een vloot beschikte die voor de bevoorrading van de stad kon zorgen. De Spartanen konden daar niets tegenover stellen. Aan het einde van het seizoen trokken de Spartanen weer terug en ondernamen de Atheners enige acties van beperkte omvang in de naaste omgeving. Inmiddels duurde het beleg van Potidaea nog steeds voort. Het volgende jaar dreigde er een herhaling, maar er brak een pestepidemie uit in Athene, waardoor de stad grote verliezen leed aan mensenlevens. De Spartanen vertrokken snel uit Attica uit angst voor de ziekte waaraan Pericles zelf stierf. Zijn dood was een gevoelige slag voor Athene, omdat Pericles niet alleen de leidende figuur in de volksvergadering was, maar ook de opperbevelhebber. Na hem is geen politicus er meer in geslaagd beide functies te verenigen.

In het begin hielden de Atheners vast aan zijn strategisch plan, dat Atheners voorbestaan leverde, maar niet leidde tot een militaire doorbraak. Wel ondernamen de Atheners allerlei acties met hun vloot. Zelfs hielden ze het oog gericht op Sicilië, dat van belang was in de oorlog omdat het in de Spartaanse behoefte aan graan voorzag.

Een keerpunt in de oorlog was de zomer van 425, toen een Atheense vloot op weg naar het westen een kleine groep soldaten achterliet bij Pylos, aan de westkust van Peloponnesus. De Spartanen zonden er een leger heen, dat positie koos op Sphakteria, een eiland voor de kust van Pylos. De Spartaanse poging mislukte echter volkomen, want het leger werd ingesloten door de Atheners, die zich opmaakten voor een langdurig belegering. De Spartanen zagen de situatie zo donker in, dat ze de Atheners een vredesaanbod deden. Met name de nieuwe volksleider van Athene, Cleon, verzette zich sterk. Hij verweet de Atheense generaals een veel te slap optreden en kondigde aan de Spartanen binnen drie weken te verslaan. De snoevende Cleon kreeg gelijk. 292 zwaargewapende, onder wie 120 Spartiaten, werden weggevoerd naar Athene.

In 424 kondigde zich het Spartaanse herstel aan. Een Spartaans generaal, Brasidas, was met zevenhonderd zwaargewapend, vrijgelaten heloten (Spartaanse slaven) naar Thracië getrokken, waar hij Atheense vestigingen aanviel en bondgenoten tot afvalligheid probeerde te bewegen. Hij kon rekenen op de steun van de koning van Macedonië, die de Atheense infiltratie in het gebied tussen Macedonië en de kust met lede ogen had aanbeschouwd. Het hoogtepunt van zijn optreden was de inname van Amphipolis, waardoor Athene het beheer over de mijnen in dit gebied en over de aanvoer van de scheepsbout kwijtraakte. Naast deze tegenslag moest Athene een nederlaag tegen de Boeotiërs onder leiding van Thebe incasseren. Nu wensten beide partijen vrede. Om deze voor te bereiden werd in 423 een wapenstilstand gesloten, tot groot ongenoegen van Brasidas in het noorden, die op eigen initiatief de oorlog voortzette. Daarop zonden de Atheners een vloot onder bevel van Cleon. In de strijd, die Brasidas' troepen wonnen, sneuvelde zowel Cleon als Brasidas, die beiden voorstanders waren geweest van een krachtige voorzetting van de oorlog.

‘Vrede' van Nicias (421 - 413)

In 421 werd de vrede van Nicias gesloten, genoemd naar de Atheense onderhandelaar. Men besloot krijgsgevangenen uit te wisselen en de veroverde steden terug te geven. Vooral Athene was er goed van afgekomen.

In Athene speelde Nicias, de grondlegger van de vrede, naast de radicale leiders een matigende rol. Ook steeg de ster van een nieuwe leider, Alcibiades, een lid van een familie uit een oud geslacht, die alle technieken beheerste die een leider van de Atheense democratie in deze tijd nodig had, over het sluiten van de vrede was hij niet erg enthousiast geweest.

De demagogen, Alcibiades voorop, wensten een voortzetting van de uitbreiding van de macht in westelijke richting. De kans om zich te bemoeien met Sicilië deed zich voor toen de stad Segesta hulp vroeg tegen Selinus en Syracuse, de belangrijkste polis op het eiland. Toen in 415 in Athene werd gedebatteerd over een interventie op Sicilië, was Alcibiades een felle voorstander van de expeditie, maar probeerde Nicias de volksvergadering - tevergeefs - daarvan af te houden. De merkwaardige situatie deed zich voor dat beiden tot generaal werden benoemd.

Vlak voordat de vloot en het leger uit Piraeus vertrokken, werd de Atheense bevolking opgeschrikt door het zogeheten ‘Hermenschandaal'. Op vele plaatsen in Athene waren de beelden die met de god Hermes verbonden waren, de nacht voor het vertrek vernield. De meerderheid van de bevolking werd vervuld van vrees. Er heerste immers bij de meeste Atheners nog een sterk geloof in de samenhang van goddelijk bestuur en menselijk handelen. De naam van Alcibiades werd in dit verband als betrokkene genoemd. Toen men hem wilde arresteren, vluchtte hij en vond een warm onthaal bij de Spartanen.

Syracuse vroeg aan Sparta en Corinthe hulp tegen de Atheense agressie. De Spartanen, met Alcibiades als adviseur in hun midden, besloten te hulp te komen. In 413 zonden beide partijen grote troepenversterkingen. De gevechten op zee verliepen catastrofaal voor de Atheners. De vloot werd verslagen en de soldaten van het Atheense leger werden gedood of werden dwangarbeider in de Siciliaanse steengroeven. In een enkele expeditie was Athene alle troeven in de strijd kwijtgeraakt en was het militaire evenwicht ernstig verstoord.

Deceleïsche Oorlog (de laatste fase van de Pelopennesische Oorlog 413 - 404)

De laatste fase van de oorlog wordt de Deceleïsche Oorlog genoemd, omdat de Spartanen het Atheense fort Deceleia veroverden. Onder de Atheense bondgenoten was na de nederlaag bij Syracuse onrust ontstaan. Sommige vielen af en andere hoopten snel door de Spartanen ‘bevrijd' te worden. Deze bouwden met Perzisch geld een grote vloot. Ook de Atheners waren met een nieuwe vloot bezig. De uitgaven op andere posten werden sterk beperkt, want het zelfbehoud stond nu voorop. De radicale democraten, die verantwoordelijk werden gesteld voor de mislukkelingen, lieten toe dat een commissie van de wijze mannen (10) bij elke beslissing advies aan de Raad van 500 en de volksvergadering gaf.

Een beslissend voordeel voor de Spartanen vormde de steun van de Perzische heersers in Klein-Azië, die hun geld aanboden. De overgelopen Alcibiades was de aanvoerder van de Spartaanse strijdmacht en onderhield nauw contact met een van die heersers, Tissaphernes. Toen het hem duidelijk werd dat sommige groepen in Sparta hem kwijt wilden, vluchtte hij naar zijn nieuwe beschermer. Tissaphernes had gehoopt op een snelle Spartaanse zege, maar toen die uitbleef, wilde hij een evenwicht tussen de vechtersbazen creëren, dat hem vrijspel gaf in Klein-Azië zou geven.

Alcibiades legde contact met de officieren van de Atheense vloot die bij Samos lag, en stelde voor de Atheense constitutie in oligarchische zin te hervormen. Het gezuiverde Athene moest hem dan terugroepen. In ruil voor deze Atheense inschikkelijkheid werd de steun van Tissaphernes beloofd. Een van de vlootcommandanten vertrok naar Athene om het voorstel in de volksvergadering te verdedigen. De Atheners besloten in te gaan op het aanbod en bereidden een gezantschap voor. Inmiddels pleegden de oligarchen in Athene een staatsgreep zonder verder overleg af te wachten en stelden een oligarchisch systeem in. Het actieve burgerrecht werd beperkt tot de 5000 hoplieten, en de door Pericles ingestelde vergoedingen voor burgerlijke functies, een gruwel voor oligarchen, werden afgeschaft. Politiek werd weer een zaak van hen die wat te verliezen hadden. De werkelijke macht kwam in handen van een Raad van 400.

De hele affaire liep voor Alcibiades slecht af, omdat hij te weinig betrokken was geweest bij de ommekeer en omdat zijn toezeggingen over de bereidheid van Tissaphernes om de Atheners te steunen niet realistisch waren. Onmiddellijk greep hij de enige mogelijkheid aan die hem nog restte. Nu het oligarchische avontuur voor hem mislukt was, wierp hij zich op als democratische verlosser voor bemanningen van de Atheense schepen bij Samos, die zich verraden voelden door hun officieren. Nu was er een Atheense democratie op de vloot en een Atheense oligarchie thuis. Niet lang daarna zakte de oligarchie door onderlinge strijd ineen en keerde Athene terug naar de democratie.

Alcibiades kon de vloot niet naar Athene terug laten varen, omdat het Atheense gezag in het oosten met de vloot zou verdwijnen. Hij haalde in 411 een aantal klinkende overwinningen op de Spartaanse vloot. De Spartanen waren zo wanhopig over het uitblijven van succes door de bezetting van Deceleia en door de nederlagen van de vloot in de Aegeïsche Zee, dat ze vrede aanboden.

In 407 keerde Alcibiades in triomf terug naar Athene, waar hij het opperbevel kreeg over alle troepen. Na enige maanden vertrok hij weer naar het oosten, waar zich inmiddels een belangrijke verandering had voltrokken. Was het Perzische beleid in Klein-Azië tot nu toe ernstig verzwakt door de onderlinge concurrente van de heersers, nu verscheen Cyrus, een broer van de Perzische koning, als opperbestuurder van heel Klein-Azië ten tonele. Hij zette al zijn kaarten op de Spartanen. Atheense diplomaten konden geen wig meer drijven in dit verbond en Alcibiades slaagde er niet in een grote slag te winnen. De Spartanen vernietigden vijftien Atheense schepen, toen een vlootcommandant, tegen de bevelen van Alcibiades in, een zeeslag met de Spartanen was aangegaan. Daarop keerde het Atheense volk zich in paniek af van de man die slechts een jaar tevoren als de verlossing was binnengehaald. Alcibiades vluchtte en belandde ten slotte bij een Perzische heerser in Klein-Azië, waar hij in 405 op bevel van Cyrus werd vermoord.

Athene kreeg het steeds moeilijker. In 406 werd de nieuwe admiraal Conon met zijn vloot ingesloten in de haven van Mitylene, op het eiland Lesbos. Op zijn noodsignalen regeerde Athene nog eenmaal in grote stijl. Snel werd er een nieuwe vloot gebouwd die bemand werd met alles wat kon lopen en roeien; zelfs slaven werden op de vloot ingezet. Deze vloot wist de omsingeling ongedaan te maken in een zeer zwaar bevochten overwinning bij de Arginusische eilanden. Het jaar daarop viel echter de definitieve beslissing. Bij Aegispotamoi (op de Chersonnesus) werd de Atheense vloot vernietigd. De Atheners werden binnen hun muren teruggedrongen en door hongersnood en ellende op de knieën gebracht. De bondgenoten van de Spartanen wensten een volledige vernietiging van de stad en slavernij voor alle burgers, omdat de Atheners een aantal keren de overwonnen bondgenoten en steden van de Peloponnesische Bond op een dergelijke manier hadden behandeld. Sparta zelf was geneigd een soepeler houding aan te nemen. Ten slotte werd bepaald dat de muren gesloopt moesten worden, de vloot niet groten dan twaalf schepen mocht zijn, de (oligarchische) ballingen mochten terugkeren, en de Atheense buitenlandse politiek afhankelijk werd van Sparta.

DE KLASSIEKE TIJD: DE 4DE EEUW (CA. 404-312 V. CHR.)

De restauratie (404-355)

De “Dertig” en het herstel van de democratie in Athene

Na de oorlog hielp Sparta hier en daar bij de voormalige Atheense bondgenoten oligarchische regimes weer bovenop. Deze regimes hadden vaak de vorm van een “bestuur van tien” (dekarchie), dat werd beschermd door een militaire bezetting onder commando van een Spartaanse “verzoener” (harmost) en dat als belangrijkste taak had het innen van belasting ten behoeve van Sparta.

Onder persoonlijke druk van Lysander draagde de Atheense volksvergadering alle macht aan een commissie van dertig over, die formeel de taak kreeg orde te scheppen in de grote hoeveelheid van uiteenlopende wettelijke bepalingen, die er in de loop van de 5de eeuw op allerlei gebied bij volksbesluit tot stand waren gekomen. Al vlak voor de oligarchische revolutie van 411 had men hiermee een begin gemaakt, maar het project was door die revolutie en door de oorlog onvoltooid gebleven. De “Dertig” waren allemaal overtuigde vijanden van de democratie. Zij stonden onder leiding van de extremistische Critias (hij was een oom van Plato), die zonder omwegen de sofistische theorie van het recht van de sterkste in de praktijk bracht: democratische verworvenheden verdwenen, een groot aantal democraten en burgers en metoiken werd slachtoffer van een via schijnprocessen uitgeoefende terreur, die door Lysander stilzwijgend werd gedekt. Ook gematigde oligarchen moesten hun tegenstanders met de dood boeten.

Het herstel van de democratie werd mogelijk gemaakt doordat de Spartaanse koning Pausanias (een kleinzoon van de gelijknamige regent van de slag bij Plataea) en de meer conservatieven in Sparta zich bedreigd voelden door de politieke ambities van Lysander, die zelf geen koning was maar zich door zijn militaire successen en zijn relaties met Cyrus II een voor de interne Spartaanse verhoudingen gevaarlijke positie van “sterke man” had verkregen. De Atheense democraten waren intussen vanuit Thebe een verdedigende oorlog tegen de “Dertig” begonnen. Zij slaagden erin de Piraeus te bezetten. Critias was bij die actie gesneuveld. In de burgeroorlog, die daarna tussen Athene en de Piraeus ontstond, koos Pausanias in het geheim de kant van de democraten. Daarmee stond de uitslag vast. De democraten kondigden een politieke vrijverklaring af (in een antieke burgeroorlog iets zéér ongebruikelijks), het voorgenomen project van herziening van de wetten werd uitgevoerd(403).

Deze herziening kwam als volgt tot stand: de Raad van 500 wees 500 nomotheten (“wetgevers”) aan. Over de voorstellen van deze 500 nomotheten wat betreft een alles omvattend wetboek werd niet beslist door de volksvergadering, maar door de Raad van 500 samen met 500 andere, door de demen gekozen nomotheten. Nieuw in het geheel van democratische spelregels vanaf deze tijd was dat een bestaande wet niet zoals vroeger eenvoudig door een volksbesluit opzij schoven kon worden. Een keer per jaar werd in de volksvergadering de vraag aan de orde gesteld of de bestaande verzameling wetten aanvulling of wijziging nodig hadden. Was het antwoord bevestigend, dan werd een voorstel tot aanvulling of wijziging ter beoordeling voorgelegd aan een commissie uit de heliaia jury van nomotheten.

Deze regeling betekent dat “gewone” voorstellen aan de volksvergadering niet in strijd mochten zijn met de bestaande wetten. Was dat wel het geval, dan kon de indiener van dat voorstel aangeklaagd worden voor een juryrechtbank. Zo'n proces heette een graphè paranomoon. Een politicus, die drie keer in zo'n proces als beklaagde veroordeeld was, werd van zijn rechten als burger beroofd (maar een aanklager liep dit risico al na één vals bevonden beschuldiging). Het is duidelijk dat de graphè paranomoon een vertraging kon vormen op de invloed van de tot massa gerichte leiders en een vrijwillige beperking inhoudt van de soevereiniteit van de volksvergadering.

Het proces tegen Socrates (399)

Socrates was een Atheens burger uit de klasse van de hoplieten, die in de 2de helft de van de 5de eeuw sterk onder invloed stond van en tegelijk reageerde tegen de opvattingen van de sofisten. Sofisten zijn "beroepsdenkers" die hun encyclopedische vakkennis zoals wiskunde, literatuur, filosofie en vooral ook welsprekendheid, praktische staatkunde en recht, tegen (hoge) betaling dienstbaar maakten aan de opleiding van de rijpere jeugd uit de gegoede middenklasse. Hun bedoeling was hun leerlingen door middel van een soort assertiviteitstraining op te leiden tot geschikte mensen die een leidende rol zouden kunnen spelen in de gedemocratiseerde maatschappij. Formeel was Socrates geen sofist, omdat hij zich niet voor zijn “onderwijs” liet betalen. Maar toch is het beeld van Socrates als sofist in de zin van “ondermijner van traditionele waarden”, zoals dat is overgeleverd in de zogenaamde Oude Komedie van Aristophanes (een kunst vorm die tot op zekere hoogte te vergelijken is met tegenwoordige vormen van satirisch politiek cabaret), waarschijnlijk toch wel vrij vertegenwoordigt voor de Atheense publieke mening over de sofisten in het algemeen en Socrates in het bij zonder.

Net als de sofisten zette Socrates vragen bij alles wat deel uitmaakte van de nomos van de polis, maar hij ging niet zo ver dat respect voor de nomos bij hem plaats maakte voor verheerlijking van de oorsprong: het zelfverzekerde denken van sommige sofisten werd door hem evenzéér uitgespit. Hij had geen eigen “leer” en zag zichzelf vooral als iemand die door ironie, valse onwetendheid, en door het stellen van eenvoudige, maar steeds verder gaande vragen alle zekerheden als schijnzekerheden ontmaskerde en tegelijk door zijn methode van wat hij noemde “geestelijke verloskunde” mensen tot nadenken bracht. Typerend is dat hij daarbij op één aanspraak nadrukkelijk aanspraak maakte: ,,Ik, Socrates, ben de meest wijze van alle mensen, want ik ben de enige die weet dat hij niets weet.”

In 399 werd deze Socrates na een proces ter dood veroordeeld. Zijn aanklagers kwamen uit een milieu van overtuigde democraten Hij werd beschuldigd van asebeia (“goddeloosheid”) en van “het bederven van de jeugd”. Het lijkt niet onwaarschijnlijk dat het eerste punt van de aanklacht in verband gebracht moet worden met Socrates' eigen voortdurende verwijzing naar zijn daimonion (“godje”), dat hij omschreef als een soort innerlijke stem, die hem in alles raad gaf: een soort geheimzinnige, mystieke en irrationele macht. In de geestelijke crisis van de laatste jaren van de Peloponnesische Oorlog was de gewone man in Athene meer toegankelijk voor allerlei vormen van bijgeloof en magie en meer dan normaal vatbaar voor geloofsfanatisme en -hysterie. Het gevolg daarvan was dat in de voorstellingswereld van die gewone man de band tussen Socrates en zijn daimonion werd gezien als een soort pact met de duivel gericht op ondermijning van de polis.

Het tweede punt van de aanklacht moet zeer waarschijnlijk in verband gebracht worden met

het feit dat hoewel Socrates geweigerd had met de “Dertig” samen te werken hij als nog verantwoordelijk werd geacht voor de opvattingen van heren als Alcibiades en Critias, die als zijn leerlingen werden beschouwd. In het politieke en geestelijke klimaat van na 403, dat in hoge mate werd gekenmerkt door voorzichtigheid en behoefte aan traditionele zekerheid, was er voor een uitlokkende persoon van ongeoorloofd gedrag en die zich niet aan het leven aanpast als Socrates geen plaats.

Sparta en de Perzen (396-386)

Door het wegvallen van de Delisch-Attische Zeebond was in de Egeïsche wereld de politieke tegenstelling tussen oligarchen en democraten - een tegenstelling overigens die in de 4de eeuw steeds meer ging samenvallen met de sociale tegenstelling tussen rijk en arm - aanzienlijk verscherpt. De Spartaanse harmosten bezaten in het algemeen niet de vaardigheid de problemen werkelijk op te lossen, de in 431 door Sparta beloofde vrijheid bleek voor de bevrijden een desillusie. Ook de bondgenoten van Sparta, met name Korinthe en Thebe, voelden zich bekocht omdat ze niet deelden in de Spartaanse winst.

Sparta's koning Agesilaüs (399-360) begreep dat Sparta vooral behoefte had aan goodwill bij de Grieken. Dat probeerde hij te bereiken door Sparta's houding tegenover de geldschieter Perzië te wijzigen en de in 404 onder Perzisch gezag gekomen Klein-aziatische Grieken te bevrijden. Dit avontuur liep op een mislukking uit doordat Perzië weinig moeite had in Griekenland de ontevredenheid te bundelen in een anti-Spartaanse coalitie van o.a. Korinthe, Thebe, Argos en Athene. Perzisch geld stond daarbij borg voor de plotselinge herbewapening van Athene. In de door deze coalitie gevoerde Korinthische Oorlog (395-386) brokkelde de macht van Sparta steeds meer af, dat bij de zogenaamde Koningsvrede van 386 de Perzische koning weer meer naar Sparta neigde door Sparta aan te stellen als een soort waakhond, die in actie moest komen (en daarbij kon rekenen op Perzische steun) als de bepalingen van het vredesverdrag werden geschonden. Dit betrof vooral de bepaling betreffende het recht op vrijheid en autonomie voor alle poleis in Griekenland (de Klein-aziatische Grieken kwamen nu ook officieel onder Perzisch gezag). Van Perzisch standpunt uit bekeken was de autonomiebepaling uiteraard bedoeld om het ontstaan van eventuele nieuwe machtsblokken als de Atheense bond van de 5de eeuw onmogelijk te maken.

Sparta en Thebe (382-362)

Na 386 bleef de buitenlandse politiek van Sparta gekenmerkt door een agressieve bemoeizucht die - hoewel bepaald niet in overeenstemming met de autonomiebepaling van de Koningsvrede - neerkwam op een hier en daar steunen van oligarchische bewegingen en in 382 hoogtepunt bereikte bezetting van Thebe. Nadat deze bezetting in 379 door een omwenteling in Thebe met in het geheim steun van Athene ongedaan was gemaakt, volgde er in de jaren 378-371 een slepende oorlog van Sparta tegen Thebe en zijn bondgenoten. De bes1issing viel in 371 in de slag bij Leuctra in Boeotië: Sparta leed een verrassende en zware nederlaag tegen de hoplieten van de Thebaanse leider Epaminondas. De nederlaag betekende voor Sparta het begin van het einde.

De Thebaanse overwinning was vooral te danken aan de door Epaminondas geïntroduceerde tactische vernieuwing van de “schuine falanx”. Een schuine falanx is een falanx, die niet zoals een normale falanx over de hele breedte even veel rijen diep is, maar die op de linkervleugel veel meer rijen diep is dan op de rechtervleugel. Het gevolg van deze versterking van de linkervleugel was dat de bij de oprukkende beweging van de falanx optredende afwijking naar rechts, die veroorzaakt werd door de behoefte van de individuele hopliet om met de onbeschermde rechterkant van het lichaam beschutting te zoeken achter het schild van de rechterbuurman in de falanx, versterkt werd, waardoor vanzelf een soort draaiende beweging en daarmee een omsingelingseffect werd bereikt nadat de rechtervleugel van de tegenpartij door een versterkte linkervleugel was opgerold.

In de jaren na Leuctra beschouwde en gedroeg Thebe zich als de nieuwe leider van de Griekse wereld. In dat kader ondernam het diverse offensieve acties in de Peloponnesus. Dit had tot gevolg de vorming van een Arcadische Bond met de nieuw gestichte stad Megalopolis als centrum en de bevrijding van de Messeense heloten door middel van de vorming van een zelfstandig Messenië met de nieuw gestichte stad Messene als centrum. Sparta deed nog een wanhopige poging om het getij te keren en slaagde daar in zoverre dat het Thebe in de grote slag bij Mantinea van een tweede overwinning kon tegenhouden (362). Bij de vrede van 362 werden alle nieuwe bonden erkend, de Spartaanse hegemonie was door het verlies van Messenië definitief gebroken, maar in Thebe was de dood van Eparninondas (362) het begin van het uiteenvallen van de door hem rondom Thebe georganiseerde Boeotische Bond.

Athene: terugkijken in bewondering (395-355)

De herbewapening van 395 deed in Athene de hoop opleven op een herstel van de situatie van voor 431. Een sterk positie van Athene ter zee werd nog steeds beschouwd als noodzakelijk voor de overheidsinkomsten, de bevoorrading van de stad en de instandhouding van de democratie. Maar het probleem was dat de herbouw van de vloot en van versterking van de stad en het nieuwe verschijnsel van de invoering van presentiegeld voor aanwezigheid in de volksvergadering in de jaren ‘90 alleen mogelijk waren geweest dank zij de Perzische subsidies. Zodra het neo-imperialisme voor Perzië een bedreiging zou vormen, zou de subsidie ingetrokken worden. Het enige alternatief was dat de rijken in Athene zelf uit eigen middelen via triërarchieën en het betalen van eisphora het kapitaal zou opbrengen, dat eerst in militaire acties geïnvesteerd moest worden. De rijke bovenlaag was op dit punt verdeeld: sommigen meenden dat een dergelijke risico verantwoord was, anderen vonden dit te avontuurlijk. De twee groepen kunnen globaal aangeduid worden als resp. de (neo-)imperialisten en de “pacifisten”.

De oorlog tussen Sparta en Thebe bood de imperialisten kansen. Doordat Athene in 379 Thebe tegen Sparta gesteund had, had het alle reden zich door Sparta bedreigd te voelen. Deze bedreiging vormde in 378/377 de aanleiding voor de oprichting van de zogenaamde Tweede Attische Zeebond. Om niet in strijd te komen met de autonomiebepaling van de Koningsvrede én om de bondgenoten een garantie te bieden tegen een herleving van door hen als ongewenst beschouwde praktijken uit de tijd van de Delisch-Attische Zeebond werd bepaald dat een voorstel voor een gezamenlijke militaire actie van Athene en zijn bondgenoten pas door de volksvergaring in Athene kon worden goedgekeurd nadat het eerst was voorgelegd aan een bondsraad, waar elke aangesloten polis een stem had en waartoe Athene zelf niet behoorde. Een tweede verschil was dat uitdrukkelijk werd vastgelegd dat er ook geen vestiging van Atheense soldaten en klerouchen in het gebied van de bondgenoten mocht plaatsvinden. Athene mocht ook niet eigenmachtig contributies opleggen: de uiteraard wel noodzakelijke en ook verwachte bijdragen hadden een puur vrijwillig karakter. Deze afspraken maakten de bond eigenlijk al van tevoren ongeschikt als instrument voor Atheens neo-imperialisme.

Na 371 vormde Sparta niet langer een bedreiging. Officieel had om die reden de nieuwe Atheense bond geen bestaansreden meer. Maar hij werd niet opgeheven. Daarmee werden de dieper liggende Atheense bedoelingen duidelijker, in hoofdzaak gingen de Atheners nu meer openlijk en met geweld contributies gingen innen en zelfs vanaf 366 weer overgingen tot het uitzenden van klerouchen. Als gevolg daarvan kwam een aantal bondgenoten in opstand. Zij hadden succes dankzij de steun van de Perzische heerser Mausollus van Carië. Deze Bondgenotenoorlog (357-355) betekende het feitelijke einde van de Tweede Attische Zeebond.De neo-nimperialistische droom was op een mislukking uitgelopen.

Het einde van Sparta

De schijnbaar onverwachte ineenstorting van Sparta was meer dan alleen maar een kwestie van een nederlaag op een slagveld. Het was het logische gevolg van een geleidelijke uitholling van de interne verhoudingen in Sparta onder invloed van vooral de Peloponnesische Oorlog.

In de loop van de klassieke tijd was de sociale en politieke gelijkheid van de Spartiaten, de “gelijken”, steeds meer verzwakt. Het aantal “gelijken” was voortdurend gedaald en deze daling hing weer samen met een toenemende economische ongelijkheid. Naast Spartiaten, die geen andere inkomsten hadden dan die uit het stuk land, de kléros, die in het verleden aan elke familie was toegewezen en die werd bewerkt door de heloten, waren er andere Spartiaten, die door leidende functies in het leger in de gelegenheid waren geweest, vooral tijdens en na de Peloponnesische Oorlog, zich aanzienlijk te verrijken. Er vond nooit een automatische herverdeling onder alle Spartiaten van het door de heloten bewerkte land plaats. Eén klèros leverde slechts zo veel op dat twee Spartiaten (bijv. vader en één zoon) daarmee konden voldoen aan hun contributieverplichtingen tegenover hun tent- en eetgenootschap.. Als er méér zoons waren, terwijl men geen andere inkomsten had dan die uit de klèros, werd al spoedig het punt bereikt dat een aantal van hen niet in staat was de contributies te voldoen. Deze Spartiaten verloren daarmee hun plaats onder de “gelijken en in de elitefalanx van “gelijken”, zij gingen een nieuwe sociale groep vormen: zij werden “minderen”. De mogelijkheden om aan een dergelijke verlaging in de rang te ontkomen waren vrij beperkt: enkelen konden door huwelijk of adoptie terechtkomen in een familie zonder zoons (“erfdochters” waren dus zeer in trek); in andere gevallen leefden meerdere broers tegelijk op één k1eros met één vrouw (een te veel aan nakomelingen zou het “overschot” alleen maar vergroten).

In de 4de eeuw werd het de Spartiaten toegestaan hun klèros door schenking (in de praktijk kwam dit neer op schijnverkoop) weg te doen. Dit werkte in het voordeel van de kleine groep Spartiaten, die zich in de oorlogen verrijkt hadden en nu een mogelijkheid kregen hun illegale rijkdom te investeren in land. De “schenkers” konden door de verkoop van hun klèros hun verlaging in de rang mogelijk nog een tijdje uitstellen. Bovendien ontstond de gewoonte dat bij het uithuwen van een erfdochter niet meer in de eerste plaats werd gekeken naar de “overtolligen” en naar het belang van de instandhouding van het aantal “gelijken”, maar naar een bruidegom die zelf ook al het een en ander aan bezit had. Deze twee factoren leidden tot een opeenhoping van grondbezit en daarmee tot een daling van het aantal “gelijken” en een stijging van het aantal “minderen”. Politiek betekende het meer macht voor de kleine groep grondbezitters. Militair was het gevolg dat de kracht van de falanx minder werd en Sparta steeds meer gebruik moest maken van perioiken, heloten en huurlingen, zodat de gevechtskracht van een Spartaans leger in de 4de eeuw een stuk kleiner werd dan hij in de 6de en 5de eeuw was geweest.

Het einde van de Atheense democratie (355-321)

De sociale tegenstelling was in Athene niet zo groot dat huurlingenkapiteins zelfs maar een poging deden een tirannie te stichten. Dit hing vooral samen met het feit dat door de hele 4de eeuw heen de Piraeus het ideale trefpunt bleef voor de Griekse handel en dat er betrekkelijk weinig massale werkeloosheid was. Aan het begin van de 4de eeuw waren er van de naar schatting 30.000 mannelijke volwassen burgers ook niet meer dan 5.000 die in het geheel geen land bezaten.

De gevolgen van scheiding tussen burger en militair leidden in Athene wel tot een zekere verzelfstandiging van de strategen. Als de stad bijv. niet in staat of bereid was zijn huurlingen voldoende te betalen, plaatste dat de strateeg ter velde of ter zee vaak in een moeilijke positie: als gekozen bestuurder was hij verantwoordelijk tegenover raad en volksvergadering, die hem met een aantal huurlingen hadden uitgezonden met een bepaalde opdracht. Maar doordat

hem vaak te weinig geld was toegewezen, moest de strateeg ofwel uit eigen middelen een deel van de soldij betalen ofwel hij liet zichzelf de vrijheid toe zijn opdracht op eigen gezag te veranderen of zelfs te negeren. Een zoals genoemde eigenmachtig optreden kon tegenover de polis, de opdrachtgever, gerechtvaardigd worden door of terug te keren met een rijke buit, of gebruik te maken van de diensten van een spreker (bijv. Isocrates of Demosthenes), die op het thuisfront in de volksvergadering optrad als woordvoerder namens een strateeg tegen eventuele kritiek van andere burgers - vaak ook “beroepsredenaars” en vaak dezelfden, die in andere gevallen optraden als pleitbezorgers van andere strategen - die in de gang van zaken een aantasting van de democratie zagen. Kortom de benarde financiële situatie werkte nadelig voor een functioneren van de democratie en deze nadelige werking werd groter naarmate de ongelijkheid van de inkomens groter werd.

Na 355 was in Athene de situatie gunstig voor de “pacifisten”. Het argument van “de kost gaat voor de opbrengsten uit” van de neo-imperialisten was door de afloop van de Bondgenotenoorlog slecht gebleken: de kosten waren te hoog, de opbrengsten te laag. Het alternatief was verkleinen van de uitgaven, zo veel mogelijk afzien van oorlog, en bestrijding van de economische en financiële problemen door een optimale exploitatie en verdeling van de eigen middelen.

Het meest voor de hand liggende instrument tot dat doel was opvoering van de productie van de zilvermijnen van Laurium. Na de stopzetting van de exploitatie vanwege de Spartaanse bezetting van Deceleia in 413 was de mijnbouw in de eerste decenniën van de 4de eeuw maar voor een deel hervat. De verklaring hiervoor wordt wel gezocht in het feit dat mogelijke vertegenwoordigers hun geld liever ter beschikking stelden voor activiteiten voor de neo-imperialistische politiek en voor godsdienstige handelingen in de sociaal-religieuze omgeving (bijv. de koorleiding), die direct goede naam en daarmee politieke invloed opleverden. In de jaren 355-330 was er inderdaad sprake van een zekere opleving van de mijnbouw. De ineenstorting daarna wordt wel geweten aan de Atheense problemen met betrekking tot de graanimport, die er voor zorgde dat investeren in de graanhandel meer winst opleverde.

Een tweede manier om de staatsinkomsten op te verhogen was het verlenen van meer voorzieningen voor de handel in het algemeen. Deze voorzieningen lagen vooral in de richting van de particuliere kredietverlening, het handelsrecht en de rechtspositie van de metoiken, waardoor de scherpe scheidslijn tussen burgers en metoiken wat vervaagde. Hoe meer metoiken, hoe meer metoikenbelasting, en hoe meer handel, hoe meer havengelden. Verminderen van de staatsuitgaven in de sociale sector was politiek vrijwel onmogelijk. De democratie werd zelfs duurder, toen men ter bestrijding van de politieke onverschilligheid en de armoede onder de lagere groepen van de burgerij overging tot de uitkering van presentiegeld voor de volksvergadering. Dit presentiegeld werd enkele malen verhoogd. Bovendien werden er steeds meer bijstandsuitkeringen gedaan in de vorm van theorika. In oorsprong waren deze theorika bedoeld om alle burgers in staat te stellen de theaterfestivals bij te wonen, maar rond het midden van de 4de eeuw bestond er een wettelijke regeling, die bepaalde dat alle overschotten aan staatsgeld in de kas van de theorika gestort moesten worden.

Het spreekt vanzelf dat wat ik hierboven heb verteld de anti-Macedonische opstelling van de als imperialist gebrandmerkte Demosthenes niet bepaald algemeen instemmend was. Men kan zelfs zeggen dat doordat de Macedonische dreiging de Atheners toch opnieuw tot hoge militaire uitgaven dwong, de heel duidelijke resultaten van de vredespolitiek met één klap ongedaan werden gemaakt. Maar na 338 was de vredespolitiek helemaal de enig mogelijke weg. Nogmaals gingen dankzij de voorzichtige politiek van Lycurgus de staatsinkomsten omhoog, maar de bovenlaag toonde zich weinig bereid mee te werken aan een politiek van verdergaande inkomensnivellering met gelijktijdige instandhouding van de democratie. “Rijk” werd in toenemende mate identiek met “pro-Macedonisch” en “oligargisch”. Na een kort opstand tegen Macedonië (323-322) onder leiding van Demosthenes werd door Macedonisch ingrijpen de democratie voorgoed uitgeschakeld doordat in 321 het burgerrecht gekoppeld werd aan een bepaald vermogen. Tienduizend bezitloze en nu ook politiek rechteloze Atheners kregen het aanbod zich als kolonisten te vestigen op land dat Macedonië hen in Thracië ter beschikking had gesteld. Deze verborgen vorm uitzetting betekende voor de achtergebleven rijke Atheners een aangename vermindering van de sociale lasten.

De Atheense democratie, die in een tijd van relatief welvaart en bestaanszekerheid voor alle burgers had kunnen ontstaan als gevolg van de adellijke jaloezie, had daarmee zijn einde gevonden als gevolg van buitenlandse inmengingen in een tijd van welvaart voor enkele en bestaansonzekerheid voor vele burgers.

Bronnen:

Internetsites:

* http://www.scholieren.com/werkstukken/5512

* http://www.bertsgeschiedenissite.nl/ijzertijd/eeuw5bc/eeuw5grieken.html

* http://mediatheek.thinkquest.nl/~lld228/Griekoorlog.htm

* http://users.telenet.be/history/Klassieke%20oudheid/griekenland%20militair.htm

* www.wikipedia.nl

Boeken:

* Kagan, Donald
De Peloponnesische oorlog

* Thucydides
De Peloponnesische oorlog

* Thucydides
Een blijvend bezit

* H.M. Beliën & F.J. Meijer
Een geschiedenis van de Oude Wereld

* C.M. Bowra
Het oude Griekenland

* M. Huig & D.F. Lunsingh Scheurleer jr.
De Klassieke oudheid

* Peter Ackroyd
Reizen door de tijd

* Anton Powell
De Griekse wereld

* Peter Connoly
Leven in de Oudheid

* Moses I. Finley
De oude Grieken

* C.M. Stibbe
Sparta

* Xenefon
Griekse Oorlogen

* Robert Flaceliere
Zo leefden de Atheners ten tijde van Pericles

* Arnold Provoost
De Atheense politieke idealen in beeld