This dissertation has been submitted by a student. This is not an example of the work written by our professional dissertation writers.

Inleiding
Aanleiding

Het aantal jongeren in Nederland met overgewicht groeit (GGD HVB, 2007). In Oost- Brabant komen jongeren door hun gerichtheid op bepaalde vormen van tijdsbesteding (computer, tv, spelcomputer) steeds minder toe aan beweging. Het is om die redenen dat het van belang is dat jongeren in het dagelijks leven gestimuleerd worden meer te gaan sporten opdat het lichaamsgewicht past bij leeftijd en lengte en de lichamelijke fitheid op een goed niveau is.

In de beleidsnotitie ‘Gezondheid telt! in Oss' van de GGD Hart van Brabant (2007) wordt aangegeven dat een groot percentage van de jongeren uit Oss overgewicht heeft. In de nota wordt dit als volgt aangegeven: ‘In Oss heeft 15% van de kinderen (2 t/m 11 jaar) en 13% van de jongeren (12 t/m 17 jaar) overgewicht. Oss scoort voor deze beide percentages (samen met nog een enkele gemeente) het hoogst in de regio.' (GGD HVB, 2007, p.8)

Welke uitdagende bewegingsactiviteiten kunnen de concurrentie aan met de steeds dominantere plaats van de TV en (spel)computer in de maatschappij, en jongeren verleiden tot meer beweging? Met deze vraag is het idee ontstaan dat risicosporten wellicht kunnen helpen jongeren meer aan het bewegen te krijgen. Omdat jongeren gevoeliger zijn voor spanning en sensatie (Crone, 2008) zou het kunnen zijn dat zij zijn te motiveren tot deelname risicosporten. De spanning die gezocht wordt in tv- programma's en spelcomputers omzetten in spanning en inspanning in het echte leven: een idee, het onderzoeken waard!

Probleemstelling

Doelstelling:

Inzicht krijgen in de effecten van de uitbreiding van het bewegingsaanbod van sportstimuleringsprojecten voor jongeren van 12 t/m 17 jaar in de gemeente Oss met risicosporten om meer jongeren in beweging te krijgen.

Vraagstelling:

In hoeverre zijn jongeren van 12 t/m 17 jaar in de gemeente Oss gemotiveerd tot meer beweging bij een uitbreiding van het huidige bewegingsaanbod van sportstimuleringsprojecten met risicosporten?

Deelonderwerpen en deelvragen:

1. Bewegen en risicosporten

• Wat zijn risicosporten?

• Wat zijn kenmerken van risicosporten?

• Welke risicosporten zijn uit te voeren in de gemeente Oss? (inventarisatie)

• In hoeverre leveren risicosporten (intensieve) bewegingsmomenten op?

• Wat is de norm voor voldoende beweging bij jongeren van 12 t/m 17 jaar?

• Hoe kan er gemeten worden of jongeren van 12 t/m 17 jaar voldoende bewegen?

2. Jongeren en interesse

• Wat zijn gedragskenmerken (definitie) en interesse (definitie) van jongeren van 12 t/m 17 jaar, in het bijzonder in de gemeente Oss?

• Wat zijn kenmerken van de leefwijze/ leefstijl (definitie) van jongeren van 12 t/m 17 jaar, in het bijzonder in de gemeente Oss?

• Hoe kunnen de interesses m.b.t. vrijetijdsbesteding bij jongeren tussen de 12 en 17 jaar gemeten worden?

3. Motivatie en risicosporten

• Wat is motivatie?

• Wat zijn algemene motivaties om deel te nemen aan risicosporten?

• Wat zijn motivaties voor jongeren van 12 t/m 17 jaar om deel te nemen aan risicosporten?

• Hoe kunnen de motivaties van jongeren van 12 t/m 17 jaar gemeten worden

Doel onderzoek

Dit onderzoek zal licht werpen op de vraag of jongeren uit gemeente Oss volgens de Nederlandse beweegnormen daadwerkelijk te weinig bewegen. Er wordt gekeken of de risicosport- mogelijkheden in gemeente Oss bij kunnen dragen aan het halen van de beweegnormen bij jongeren. Via analyses van interesses van jongeren met betrekking tot vrijetijdsbesteding en motivaties om deel te nemen aan risicosporten, wordt gekeken of jongeren via risicosporten meer willen gaan bewegen. Gemeente Oss krijgt via dit onderzoek meer inzicht in de vraag of het slim is het bewegingsaanbod van sportstimuleringsprojecten voor jongeren uit te bereiden met risicosporten.

Werkwijze

Als eerste wordt uitgelegd wat er wordt verstaan onder risicosporten. De mogelijkheden tot het beoefenen van risicosporten in gemeente Oss worden geanalyseerd waarna de gezondheidsvoordelen bij uitvoering van deze mogelijkheden in kaart worden gebracht. Vervolgens worden de landelijke beweegnormen toegelicht en wordt via een meetmethode aangegeven hoe beweeggedrag gemeten kan worden. Interesses van jongeren worden hierna geanalyseerd aan de hand van de leeftijdsfase, het gedrag en de leefstijl. Via een meetmethode wordt er omschreven hoe de interesses van jongeren gemeten kunnen worden. Vervolgens wordt het begrip motivatie omschreven. Na de definiëring van de begrippen risicosporten, interesses van jongeren en motivatie wordt gekeken wat mensen motiveert om deel te nemen aan risicosporten, in het bijzonder jongeren. Tussen de resultaten uit de gevonden literatuur en het empirisch onderzoek worden verbanden gelegd, conclusies getrokken en aanbevelingen aan gemeente Oss gedaan.

Leeswijzer

In het eerste hoofdstuk zal eerst het begrip ‘risicosport' nader uitgelegd worden. De risicosport- mogelijkheden in gemeente Oss worden vervolgens uiteengezet. Hierna worden de verschillende gezondheidsvoordelen bij uitvoering van deze risicosporten in kaart gebracht. De verschillende Nederlandse beweegnormen worden omschreven, waarbij de voordelen van risicosporten, om aan deze beweegnormen te voldoen, naar voren komen. Op Nederlands niveau wordt vervolgens gekeken of jongeren aan de beweegnormen voldoen. Als laatste wordt er een meetmethode toegelicht waarmee bezien kan worden of jongeren uit gemeente Oss (on) voldoende bewegen.

In het tweede hoofdstuk worden de interesses van jongeren via een analyse van de leeftijdsfase, het gedrag en leefstijl in kaart gebracht. Hierbij wordt er bij de leefstijlanalyse ingegaan op de vrijetijdsbesteding en de gezondheid van jongeren. Er wordt een methode gegeven waarmee gemeten kan worden in hoeverre jongeren uit gemeente Oss behoefte hebben tot spanning en sensatie, kenmerkend voor risicosporten.

Naast een interesse test wordt ook gekeken of jongeren uit gemeente Oss daadwerkelijk deel willen nemen aan risicosporten. In hoofdstuk 3 wordt het begrip ‘motivatie' omschreven, waarbij een koppeling wordt gemaakt naar gedrag. Algemene motivaties voor deelname risicosporten worden uiteengezet. Vanuit de algemene motivaties en de interesses van jongeren (hoofdstuk 2) worden mogelijke motivaties gegeven waarom jongeren deel zouden willen nemen aan risicosporten. Tot slot wordt er een meetmethode geconstrueerd waarmee de motivaties van jongeren uit gemeente Oss, om deel te nemen aan risicosporten, in kaart gebracht kunnen worden.

Met de resultaten uit de gevonden literatuur en het empirisch onderzoek worden conclusies getrokken. Als laatste worden aan gemeente Oss aanbevelingen gedaan met betrekking tot de mogelijke uitbreiding van sportstimuleringsprojecten voor jongeren met risicosporten.

1. Bewegen en risicosporten

Dit hoofdstuk zal licht werpen op de vraag of risicosporten bij kunnen dragen aan gezond beweeggedrag van jongeren in gemeente Oss. Hiervoor wordt eerst het begrip ‘risicosport' duidelijk gemaakt. Vervolgens wordt uitgelegd welke risicosporten uit te voeren zijn in gemeente Oss. In hoeverre risicosporten intensieve beweegmomenten en gezondheidsvoordelen kent, wordt hierna omschreven aan de hand van enkele, in gemeente Oss realiseerbare, risicosporten. Aan de hand van beweegnormen wordt het beweeggedrag van Nederlandse jongeren geanalyseerd, waarbij ook de mogelijkheden van risicosporten hierin duidelijk wordt. Als laatste wordt aangegeven hoe het beweeggedrag van jongeren uit gemeente Oss gemeten kan worden middels een vragenlijst.

1.1 Omschrijving risicosporten

In het woordenboek wordt het begrip Risico aangeduid als ‘'gevaar voor schade of verlies; kwade kansen die zich bij iets voordoen'' (Vermeer, 1997, p. 354). Met dit gegeven kan het begrip risicosporten gedefinieerd worden als: sportactiviteiten met een grotere kans op gevaarlijke situaties.

Risicosporten worden vaak geassocieerd met extreme sporten, actiesporten of avontuursporten. Een definitie van extreme sporten wordt als volgt gegeven: ‘'any athletic endeavor considered more dangerous than others, such as bungee jumping, snowboarding; also called action sport.Extreme sports feature a combination of speed, height, danger and spectacular stunts'' (www.dictionary.reference.com).

De definitie van risicosporten is door marketingtrends in de loop van de jaren veranderd. Toen de term eind 80e jaren/ begin 90e jaren voor het eerst voorkwam, werd het gebruikt voor sporten zoals skydiving, parasailing, golf surfen, sport klimmen, skiën, waterskien, snowboarden, mountainbiking, alpinisme, diepzeeduiken en bungee jumping. Veel van deze sporten ondergingen in die tijd een enorme groei in populariteit. Het begrip wordt tegenwoordig meer gebruikt bij sporten voor jeugd zoals skateboarden, snowboarden en BMX- fietsen, en is met de marketing meer gericht op de jongere generatie (Zuckerman, 2006).

1.2 Kenmerken risicosporten

De term ‘risicosporten' is een breed begrip dat voor een groot aantal verschillende activiteiten gebruikt wordt, waardoor het moeilijk is te bepalen welke sporten er exact onder vallen. Wel zijn er verschillende overeenkomende kenmerken.

Bij risicosporten komen er relatief meer oncontroleerbare situaties voor dan bij gewone sporten. Beoefenaars van deze sporten strijden niet alleen tegen elkaar, maar ook tegen de natuurlijke obstakels en uitdagingen. Deze natuurlijke variabelen zijn vaak weer en terrein gerelateerd, zoals sneeuw, wind, water en bergen. Omdat deze variabelen bij verschillende situaties niet direct begrepen kunnen worden door de deelnemer is er een grote hoeveelheid ervaring, techniek en kennis nodig om de kans op gevaarlijke situaties te minimaliseren. Daarnaast zijn risicosporten vaak ook individuele sporten (Appleton, 2005).

Sporters bij traditionele sporten strijden tegen elkaar onder gecontroleerde omstandigheden. Bij risicosporten kunnen de externe variabelen voor de sporters niet gelijk gehouden worden. Ook de beoordelingscriteria bij wedstrijden zijn niet vergelijkbaar met traditionele sporten. Traditionele sporten kunnen worden beoordeeld door bijvoorbeeld afstand of tijd. Risicosportprestaties worden vaak beoordeeld met meer subjectieve criteria, zoals originaliteit en moeilijkheidsgraad van de prestatie (Appleton, 2005).

Het onderscheid tussen de risicosport en de traditionele sport heeft vaak te maken met de marketingtrends en hoe er gedacht wordt in hoeverre de sport gevaarlijke situaties kan opleveren. Een sport zoals rugby kan erg gevaarlijk zijn, maar wordt niet gecategoriseerd als risicosport. Dit omdat de sport een traditioneel karakter heeft, en elementen van risicosporten mist zoals hoge snelheid of spectaculaire stunts (Gottlieb, 2005).

1.3 Risicosporten in gemeente Oss

Risicosporten worden vaak geassocieerd met omgevingen van wilde rivieren of hoge bergtoppen. Appelton omschrijft dit als een strijd tegen natuurlijke obstakels en uitdagingen (Appleton, 2005). Gemeente Oss heeft weinig gunstige natuurlijke omgevingen voor risicosporten. Toch zijn er meerdere verschillende risicosporten in de gemeente Oss uitvoerbaar. Dit komt doordat er tegenwoordig steeds meer mogelijkheden zijn om risicosporten via kunstmatige voorzieningen uit te voeren. Naast bijvoorbeeld de sporten skaten of skateboarden kunnen de sporten klimmen, wildwater- kanoën/ raften, of skiën/ snowboarden in Nederland uitvoerbaar gemaakt worden via een kunstmatige klimmuur (een klimhal), een kunstmatige wildwaterbaan (bijvoorbeeld Dutch Water Dreams in Zoetermeer), of een kunstmatige skipiste (een skihal). Vaak worden deze sportvoorzieningen gebruikt voor trainingen om zo respectievelijk in het zomer of winterseizoen goed voorbereid de risicosport uit te voeren op de plaatsen waar de natuurlijke omgeving optimaal is voor de betreffende risicoport. Voor onervaren sporters kunnen deze risicosporten via kunstmatige voorzieningen echter ook ideaal zijn om de sport op een veilige en verantwoorde manier aan te leren.

Risicosporten die anno 2009 uitvoerbaar zijn in gemeente Oss:

* Klimmen

* Skien/ snowboarden

* Skaten/ skateboarden

* Mountainbiken

* Kanoën

Klimmen

In jeugdhuis ‘De Sprankel' in Schaijk (dichtbij Oss gelegen) is in 2008 een klimwand gerealiseerd. Via deze klimwand kan er op een veilige manier kennis worden gemaakt met de klimsport. Zowel scholen als verenigingen kunnen gebruik maken van deze klimwand (www.scoutingschaijk.nl).

Naast de klimwand in Schaijk kan gemeente Oss ook gebruik maken van mobiele klim- of boulderingwanden. De mobiele klim- of boulderingwand is een handig middel om bijvoorbeeld scholen kennis te laten maken met het klimmen. Doordat deze mobiele klimmogelijkheden overal neergezet kunnen worden zijn ze ideaal voor evenementen. Zo kan een mobiele klimwand bijvoorbeeld op het schoolplein opgesteld worden, hierdoor is het voor scholen erg makkelijk om de klimactiviteiten aan te bieden.

Skiën/ snowboarden

Bij Alpine Sports in Oss kan er geskied en gesnowboard worden op een rolbaan. Via een rollende baan blijft de skiër of snowboarder steeds op dezelfde plek. Er kan op deze manier ‘'eindeloos'' afgedaald worden. Doordat de instructeur steeds dichtbij is en er geen echte afdaling plaatsvindt, kunnen bijvoorbeeld scholen op een veilige manier kennis maken met de wintersport (www.alpinesports.nl).

Skaten/ Skateboarden

Skaten en skateboarden kan zoals in elke gemeente uitgevoerd worden. Via tochten over goed/ fijn asfalt kan er geskate of geskateboard worden. Ook kan er gebruik gemaakt worden van aangelegde skatevoorzieningen. Zo zijn er 5 skatevoorzieningen in de gemeente Oss; een skatepleintje in Megen, rolschaatsbaantje bij de Mettegeupelschool en Korneaerschool, en een Halfpipe/ Vert bij de Rusheuvel en Coornhertstraat. Voor de toekomst zijn er plannen om een overdekte skatehal te bouwen in OSS (Gemeente Oss, 2001).

Mountainbike

De discipline cross- country mountainbiken kan goed uitgevoerd worden in de bossen van Herperduin (gemeente Oss). Herperduin is heuvelachtig bosgebied dat uitdagende mountainbikeroutes heeft. Er kan goed gedifferentieerd worden met de moeilijkheidsgraad van de tocht. In het bos zijn genoeg mogelijkheden om extra moeilijke of juist makkelijke lussen te rijden (www.oss.nl).
Kanoën

Op verschillende wateren binnen de gemeente Oss kan gekanood worden. Bij de Maaslandse Kano vereniging (Macharen - gemeente Oss) kunnen kano's gehuurd worden. Via het kanaal bij Macharen kan er op de grotere rivier de Maas gevaren worden. Bij de rivier de Wetering in Macharen kan er ook een officieel slalomparcours gevaren worden (www.mkv-oss.nl).

1.4 Bewegingsmomenten bij risicosporten

In hoeverre er bij uitvoering van risicosporten gezondheidsvoordelen op kunnen treden, zal worden toegelicht aan de hand van de fysiologie van de sporten; klimmen, mountainbiken, skaten/ skateboarden, skiën/ snowboarden en kajakken. Uit de vorige paragraaf is gebleken dat deze risicosporten uitvoerbaar zijn in de gemeente Oss. Om deze reden worden de bewegingsmomenten bij deze risicosporten geanalyseerd.

1.4.1 Fysiologie risicosporten

Bij de klimsport wordt voornamelijk het anaerobe energiesysteem gebruikt (korte intensieve bewegingsmomenten). Er wordt een groot beroep gedaan op het bovenlichaam, spiercontracties in de onderarmen zijn typische intensieve beweging bij klimactiviteiten. Ook is er een belangrijke rol voor de onderste ledematen voor de opwaartse voortstuwing. Door het gebruik van een groot aantal verschillende spieren door heel het lichaam is klimmen ideaal om het lichaam op een uitdagende manier fit te houden (verbetering spierkracht, lenigheid en coördinatie). Ook wordt, weliswaar in mindere mate, het aerobe energiesysteem bij klimmen geactiveerd. Bij gevorderde klimmers werd er bij het indoor klimmen een VO2 waarde (zuurstof opname, kenmerkend voor het aerobe energiesysteem) gemeten dat overeenkwam met 45,6% van het VO2 max. (maximale zuurstof opname). Hierdoor wordt er tijdens het klimmen ook een bijdrage geleverd aan de algemene conditie (ademhalingssysteem) (Britisch Journal Of Sports Medicine, 2006).

Bij het mountainbiken binnen de cross- country discipline wordt intensief gebruik gemaakt van zowel het aerobe (langdurige continue bewegingsmomenten) als het anaerobe energiesysteem (korte intensieve bewegingsmomenten). Het cross- country mountainbiken kent, in tegenstelling tot de down-hill variant, een hoge intensiteit en een grote afwisseling in vermogen. Bij korte klimmetjes wordt een hoog vermogen geleverd (anaerobe), waarna het vermogen bij de afdaling zakt tot bijna nul. Het interval- patroon dat hiervoor kenmerkend is, is niet te zien bij de hartslagwaarden, deze blijft bij korte klimmen en afdalingen zo goed als gelijk (aerobe). Door de vele korte klimmetjes, die de crosscountry mountainbike discipline kent, moet men goed ‘in het rood' kunnen rijden. Bij het in het rood rijden wordt er een beroep gedaan op het anaerobe energiesysteem. Het gebruik van het anaerobe energiesysteem is gunstig voor de algemene fitheid van het lichaam. Een goed ontwikkeld uithoudingsvermogen is, gezien de constant hoge hartslagwaarden (+/- 60%-80% van de VO2 max.), ook erg belangrijk bij cross- country mountainbiken, en ideaal voor vetverbranding (cardiovasculair) (www.contest.nl).

Inline skaten (skeeleren) kan zowel aerobe als anaerobe getraind worden. Wanneer er langer aanhoudend geskate wordt zal voornamelijk het aerobe energiesysteem getraind worden. De energie voor snelle, korte skate- uitbarstingen worden voornamelijk geleverd door het anaerobe energiesysteem. Bij het Freestyle skaten of skateboarden, op aangelegde skatevoorzieningen zoals een Halfpipe, zal de energie geleverd worden door een combinatie van de twee genoemde energiesystemen. Door het interval karakter bij het Freestyle skaten wordt het aerobe energiesysteem gebruikt doordat de rustmomenten erg kort zijn waardoor de hartslag minimaal daalt (zoals bij cross- country mountainbiken). Daarnaast worden voor de snelle, korte sprintjes (bij bijvoorbeeld sprongen) meerdere verschillende spieren intensief gebruikt (anaerobe). Freestyle skaten kan hierdoor, wanneer de technieken enigszins eigen zijn gemaakt, ook goed zijn voor de algemene fitheid van het lichaam (www.skatetime.com).

Vlakwater kajakken wordt gekenmerkt door de hoge eisen aan het bovenlichaam. Deze sport vereist in het algemeen een hoog aerobe vermogen en, in mindere mate, een anaerobe vermogen. Ook hierbij geld dat het anaerobe energiesysteem actiever wordt wanneer er korter en intensiever gekajakt wordt (Journal of Sports Science and Medicine, 2008). De sporten skiën en snowboarden vereisen, in vergelijking met vlakwater kajakken, een groter anaerobe vermogen, en zijn meer belastend voor onderlichaam (www.sport-fitness-advisor.com).

1.4.2 Conclusie

Door de risicosporten op specifieke manieren uit te voeren kunnen verschillende gezondheidsvoordelen opgedaan worden. Voor de algemene conditie en vetverbranding (ademhalingssysteem, cardiovasculair) is het belangrijk om de bewegingsmomenten langdurig en continu uit te voeren. Voor de algemene fitheid (spierkracht, lenigheid en coördinatie) zijn korte intensieve bewegingsmomenten belangrijk. Het blijkt dat alle omschreven risicosporten tijdens de uitvoering zowel een bijdrage kunnen leveren aan de conditie (aerobe) als de algemene fitheid (anaerobe).

1.5 Norm voldoende beweging voor jongeren

In Nederland zijn 3 normen ontwikkeld om na te gaan of voldoende lichaamsbeweging plaatsvindt. Het betreft:

* de Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNBG)

* de Fitnorm

* de Combinorm

De Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNBG) is afgeleid van internationale richtlijnen en is in 1998 vastgelegd. Opvolgen van deze adviezen zou gezondheidswinst moeten opleveren met name op het gebied van het voorkomen van hart- en vaatziekten. Per leeftijdsgroep verschilt de norm, en is in het algemeen vastgesteld op 30 minuten matig intensief bewegen op ten minste 5 dagen in de week. Voor jeugd onder 18 jaar is een specifieke NNGB opgesteld: ‘dagelijks een uur matig intensieve lichamelijke activiteit, waarbij de activiteiten ten minste twee maal per week gericht zijn op het verbeteren of handhaven van lichamelijke fitheid (kracht, lenigheid en coördinatie)' (http://www.sportzorg.nl). De beweegnorm NNGB voor jongeren is dus strenger dan de algemene NNGB. Ook wordt het begrip ‘lichamelijke fitheid' meegenomen in de norm. Omdat bij risicosporten, zoals aangegeven in paragraaf 1.4, vaak een beroep wordt gedaan op zowel de kracht, lenigheid en coördinatie (anaerobe), als de continue intensieve beweging (aerobe), kunnen deze sporten een goede bijdrage leveren om aan deze beweegnorm te voldoen. Een andere, minder uitgebreide beweegnorm, is de Fitnorm. Deze norm gaat ervan uit dat voor gezond beweeggedrag drie maal per week tenminste 20 minuten intensieve lichaamsbeweging nodig is. Als laatste is de combinorm een combinatie van de eerder genoemde beweegnormen. Deze norm laat een combinatie van de twee normen zien waardoor een totaalbeeld gegeven kan worden (http://www.sportzorg.nl).

Het CBS (Rapportage Sport, 2006) geeft aan dat het percentage jongeren van 12 tot 17 jaar dat aan de NNGB beweegnorm in 2004 voldoet, 54% bedraagt en lager is dan de percentages voor de leeftijdsgroepen 18 tot 34 jaar, 35 tot 54 jaar en zelfs 65 tot 74 jaar. Als norm hanteert de algemene NNGB van 30 minuten matig intensieve lichamelijke beweging per dag op ten minste 5 dagen in de week (CBS, 2006). Het blijkt dus dat jongeren in 2004 minder vaak voldoen aan de algemene NNGB, terwijl de specifieke beweegnorm van de NNGB voor jongeren meer eisend is.

Uit het onderzoek van TNO (2008) blijkt, ondanks in 2008 meer jongeren ten opzichte van 2007 aan de beweegnormen voldoen, er in 2008 meer jongeren inactief zijn t.o.v. 2007 (zie tabel 1). Hieruit is te concluderen dat vooral jongeren die al aan sport deden meer zijn gaan sporten. In het rapport wordt ook aangegeven dat de sportstimulering in de komende jaren meer gericht moet zijn op de inactieve jongeren. Wanneer er gekeken wordt naar de specifieke leeftijdsgroep van 12 t/m 17 jaar valt het op dat er binnen deze groep een groot aantal meer jongeren niet aan de beweegnormen voldoet vergeleken met de jongere jeugd (4 t/m 11 jaar) (zie tabel 2). Ook zijn er binnen deze leeftijdsgroep meer jongeren die inactief zijn (6,6% meer dan bij de 4 t/m 11 jarige) (TNO, 2008).

Tabel 1. Percentage inactieve jongeren en jongeren die aan de beweegnorm voldoen (4 t/m 17 jaar)

Jaar

Inactief in procenten

NNGB jeugd

Fitnorm

Combinorm

2006

13,5

26,9

27,4

46,9

2007

13,1

19,2

29,4

43,3

2008

16,6

25,8

35,5

47,3

(TNO, 2008) Inactief: niet voldoende actief (minimaal 60 minuten) op 0-2 dagen in zomer en winter

Tabel 2. Percentage inactieve jongeren en jongeren die aan de beweegnorm voldoen per leeftijdsgroep (2006-2008)

Leeftijd

Inactief in procenten

NNGB jeugd

Fitnorm

Combinorm

4 t/m 11 jaar

10, 4

30,6

33,7

52,6

12 t/m 17 jaar

17

19

29,6

43,1

(TNO, 2008) Inactief: niet voldoende actief (minimaal 60 minuten) op 0-2 dagen in zomer en winter

1.6 Meetmethode norm voldoende beweging jongeren

In Nederlandse onderzoeken naar bewegingsgedrag van mensen wordt vaak de NNBG-norm gebruikt. Omdat men op bepaalde leeftijden meer of minder beweging nodig heeft, heeft de NNGB voor verschillende leeftijdsgroepen eigen beweegnormen opgesteld. Om te kijken of jongeren uit Oss voldoende bewegen wordt hierom gebruik gemaakt van de NNGB voor de jeugd (onder de 18 jaar). Deze norm is de meest specifieke beweegnorm voor de te onderzoeken leeftijdsgroep.

Of jongeren uit gemeente Oss voldoende bewegen wordt gemeten middels een vragenlijst. Om een goed beeld te krijgen dat te vergelijken is met andere onderzoeken wordt een gevalideerde vragenlijst gehanteerd die bij onderzoeken van het TNO met betrekking tot de NNGB voor de jeugd gebruikt wordt (TNO, 2007).
Vragenlijst

De volgende vragen gaan over lichaamsbeweging, zoals bijvoorbeeld wandelen of fietsen, sporten of bewegen op school. Het gaat om alle lichaamsbeweging die tenminste even inspannend is als stevig doorlopen op fietsen:

1. Hoeveel dagen per week in de ZOMER heb jij tenminste 30 minuten per dag zulke lichaamsbeweging?

2. Hoeveel dagen per week in de WINTER heb jij tenminste 30 minuten per dag zulke lichaamsbeweging?

3. Hoeveel dagen per week in de ZOMER heb jij tenminste 60 minuten per dag zulke lichaamsbeweging?

4. Hoeveel dagen per week in de WINTER heb jij tenminste 60 minuten per dag zulke lichaamsbeweging?

Samenvatting hoofdstuk 1

Risicosporten staan voor sportactiviteiten met een grotere kans op gevaarlijke situaties. Het begrip is een marketingterm, om aan te geven dat het over een sport gaat met hoge snelheid, grote hoogte of spectaculaire stunts (Zuckerman, 2006). Er is veel discussie over welke sporten er precies onder vallen, waardoor er geen algemeen erkende lijst met risicosporten bestaat. Wel zijn er, naast het risico, de hoogte, snelheid, speciale uitrusting en spectaculaire stunts overeenkomende kenmerken zoals de strijd tegen de natuurlijke uitdagingen, het individuele karakter van de sporten en de subjectieve beoordelingscriteria bij wedstrijden (Appleton, 2005).

Natuurlijke obstakels, waar risicosporten mee te maken krijgen kunnen binnen een stad ook nagebootst worden. Via kunstmatige obstakels kunnen risicosporten in steden ook steeds vaker uitgeoefend worden. Gemeente Oss heeft weinig gunstige natuurlijke omgevingen voor risicosporten. Toch kunnen in gemeente Oss de risicosporten klimmen, mountainbiken, kanoen, skiën/ snowboarden en skaten/ skateboarden uitgeoefend worden. Bij uitoefening van de risicosporten kan dit, wanneer er serieus met de sport omgegaan wordt, intensieve bewegingsmomenten opleveren. Omdat er beroep wordt gedaan op zowel het aerobe als het anaerobe energiesysteem zijn de sporten gunstig voor zowel de conditie (intensieve beweging, goed voor o.a. vetverbranding) als de algemene fitheid (kracht, lenigheid en coördinatie).

Om te kijken of jongeren van 12 t/m 17 jaar voldoende bewegen, zijn er verschillende bewegingsnormen te onderscheiden. De Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB), de Fitnorm en de Combinatienorm zijn de beweegnormen die in Nederland gehanteerd worden. De NNGB heeft een specifieke norm opgesteld voor jeugd onder de 18 jaar. Doordat risicosporten vaak inspelen op zowel de conditie als de algemene fitheid, kunnen deze sporten jongeren helpen aan de NNGB te voldoen. Uit het onderzoek van het CBS blijkt dat de leeftijdsgroep jongeren van 12 t/m 17 jaar in 2004 het minst vaak aan de beweegnormen voldoen. Voor de meting of jongeren van 12 t/m 17 jaar uit Oss voldoende bewegen wordt gebruik gemaakt van de NNGB voor de jeugd.

2. Jongeren en interesses

In het vorige hoofdstuk is duidelijk geworden dat een groot deel van jongeren tussen de 12 en 17 jaar onvoldoende beweegt. Het bleek dat risicosporten mogelijkheden bieden om aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen te voldoen. Om te weten of jongeren ook deel willen nemen aan risicosporten worden in dit hoofdstuk de interesses van jongeren geanalyseerd. Het begrip interesse wordt in het woordenboek omschreven als ‘belangstelling, belang' (Kramers, 1997, p. 189). Aan de hand van het gedrag en de leefstijl van jongeren wordt gekeken waar jongeren belangstelling voor, of belang bij hebben. Tot slot wordt een methode omschreven waarbij de interesses van jongeren gemeten kan worden.

2.1 Gedragskenmerken jongeren
2.1.1 De leeftijdsfase

De leeftijd van 12 t/m 17 jaar is een deel van de adolescentiefase. Het woord adolescentie stamt af van het Latijnse werkwoord ‘adolescere' wat ‘groeien naar volwassenheid' betekent (Wit de, 1995). In deze levensfase vindt de overgang plaats van kind naar volwassenen. Het is een erg dynamische levensfase, vóór deze fase zit de mens in de kindertijd en na deze fase is de mens volwassen. Craeynest geeft aan dat het moeilijk te bepalen is wanneer kinderen in de adolescentiefase terecht komen, en nog lastiger te bepalen is wanneer zij volwassen zijn. De adolescentie neemt bij de meest mensen ongeveer 10 jaar in beslag: van ongeveer 12 tot 22 jaar (Craeynest, 2005).

De Wit deelt de adolescentieperiode op in fases. Hierbij maakt hij een onderscheidt tussen de vroege- (12-14 jaar), midden- (14-16 jaar) en late adolescentie (17-22 jaar) (Wit de, 1995).

2.1.2 Gedrag en ontwikkelingspsychologie
Sociale ontwikkeling

In de adolescentiefase verschuiven de sociale interesses aanzienlijk. De adolescent gaat zich geleidelijk losmaken van de ouders. Craeynest heeft het over een steeds ‘horizontalere relatie' tussen de adolescent en de ouders (Craeynest, 2005, p. 251.). Hiermee verwerft de adolescent geleidelijk meer zelfstandigheid. Naast deze ontwikkeling gaat de adolescent zich tegelijkertijd steeds meer op leeftijdsgenoten richten. De mening van de leeftijdsgenoot wordt belangrijker dan de mening van de ouders. Hiermee kan de mening van leeftijdsgenoten erg veel invloed hebben op het gedrag van de adolescent (Wit de, 1995).

Dynamische- affectieve ontwikkeling

Dat de mening van de ouder steeds minder telt is ook een gevolg van de eigen te ontwikkelen identiteit. Erikson was de eerst die het belang van de identiteitscrisis onderstreepte. Hij geeft in zijn psychosociale identiteitstheorie aan dat de overgang van identiteitsverwarring naar een eigen verworven identiteit het kernconflict is van de adolescentieperiode(Craeynest, 2005). De oorsprong van bepaald gedrag van adolescenten kan dus te herleiden zijn uit hoe de adolescent zich wil profileren in de maatschappij.

Hoe adolescenten omgaan met de identiteitsproblematiek omschrijft Erikson met de term ‘moratorium'. Letterlijk verwijst het woord naar een uitstel of wachtperiode. Tijdens de adolescentie hoeft de jongere nog geen definitieve keuzes te nemen, waardoor de jongere eerst nog wat kan experimenteren met verschillende rollen(Craeynest, 2005). Experimenteren, het uitproberen van rollen en handelingen kan de reden van gedrag van adolescenten zijn.

2.1.3 Gedrag ontwikkelingsfysiologie

Hersenontwikkeling

Een kenmerk van de adolescentie is dat tijdens deze levensfase jongeren meer risicorolgedrag gaan vertonen. Hierbij wordt het risicogedrag verstaan als gedrag dat mogelijk negatieve gevolgen heeft. (Crone & Leijenhorst, 2008). Naast roken of drugsgebruik kan het deelnemen aan risicosporten hier ook een voorbeeld van zijn.

Lange tijd werd gedacht dat risicovol gedrag alleen het gevolg was van razende hormonen. Crone & Leijenhorst geven aan dat het inmiddels duidelijk is dat hormonen niet alleen verantwoordelijk zijn voor het adolescentengedrag. ‘'De verschillen tussen jongeren en volwassenen zijn het gevolg van een samenspel tussen de invloed van hormonen enerzijds, en de langzame rijping van de hersenen anderzijds'' (Crone & Leijenhorst, 2008, p. 4)

Crone geeft aan ‘al sinds de eerst beschrijvingen van adolescentie wordt risicogedrag als belangrijkste kenmerk van de periode aangegeven. Onderzoek met vragenlijsten heeft dan ook aangetoond dat adolescenten meer behoefte hebben aan spannende gebeurtenissen dan jonge kinderen' (Crone, 2008, p. 104).

Tijdens de levensfase van de adolescenten zijn de hersenen nog volop in de groei. Deze groei van de hersenen loopt niet helemaal evenwichtig. De systemen in de hersenen die verantwoordelijk zijn voor het verwerken van beloning, en de gebieden die belangrijk zijn voor de cognitieve controle, volgen verschillende ontwikkelingstrajecten. ‘ De langzame ontwikkeling van de hersengebieden die belangrijk zijn voor cognitieve controle en het inschatten van langetermijn consequenties, in combinatie met de piek in gevoeligheid in de beloningsgebieden, maakt dat er in de adolescentie sprake is van een kwetsbare balans tussen impulsen en controle' (Crone & Leijenhorst, 2008, p. 6). Hieruit blijkt dus dat de hersengebieden die verantwoordelijk zijn voor de cognitieve controle zich langzamer ontwikkelen dan de hersengebieden die verantwoordelijk zijn voor beloningen, waardoor het dus kan zijn dat adolescenten in een bepaalde periode de consequenties van hun gedrag niet goed kunnen inschatten (Crone & Leijenhorst, 2008).

Monoamine oxidase en hormonen

Risicogedrag is kenmerkend voor de adolescentiefase. Crone geeft aan dat via vragenlijsten is aangetoond dat adolescenten meer behoefte hebben tot spannende situaties dan jonge kinderen (Crone, 2008). Zuckerman gaat hierin mee en suggereert dat adolescenten de grootste risico- nemers (risk takers) en sensatiezoekers zijn (Zuckerman, 2006). Sensationseeking (of thrillseeking) is het zoeken naar spanning, opwinding of sensatie. Het enzym Monoamine Oxidase (MAO) en hormonen spelen een belangrijke rol bij de behoefte tot sensatie. De hoeveelheid MAO en hormonen in het lichaam tijdens de adolescentie zorgen er voor dat men tijdens deze leeftijdsfase een grotere behoefte heeft tot sensatie (Zuckerman, 1994). De sensatiebehoefte kan ervoor zorgen dat beloning bij bepaald gedrag belangrijker wordt gevonden dan de mogelijke risico's, dat het risicogedrag zou kunnen verklaren. In hoofdstuk 3 wordt hier verder op in gegaan.

2.2 Leefstijl jongeren

In de vorige paragraaf is er gekeken naar het gedrag van jongeren. Gedrag leidt tot een bepaalde manier van leven. Een leefstijl kan omschreven worden als ‘een consistente set preferenties (attitudes) en gedrag op leefgebieden zoals werk, gezin, vrijetijd en wonen' (Pinksteren en Van Kempen, 2003). In deze paragraaf wordt het gedrag gekoppeld aan de vrije tijd jongeren. Daarnaast wordt er ook ingegaan op de dimensie ‘gezondheid', dat kenmerkend kan zijn voor een leefstijl (van der Ploeg, 1998).

2.2.1 Vrijetijdsbesteding

Jongeren hebben veel vrije tijd. De Wit (1995) geeft aan dat zij veel tijd besteden aan vrienden/ vriendinnen, muziek, sport en aan TV en radio. Naast deze constatering maakt de Wit een onderscheid in leeftijden; jonge adolescenten (12-14) besteden meer tijd aan georganiseerd clubverband, midden adolescenten (14-16) vinden informele contacten belangrijker, en oudere adolescenten (17-22) krijgen meer belangstelling voor commerciële vormen zoals disco's (de Wit, 1995).

Ook van der Ploeg (1998) geeft aan dat jongeren veel tijd besteden aan leeftijdsgenoten. In de adolescentie ontstaan er veel verschillende groepen. Bepaalde groepen hebben een uitgesproken leefstijl, zoals de vele sub- culturen als Alto's of Gothics. Deze groepen zijn gemakkelijk herkenbaar doordat zij zich vaak op dezelfde wijze kleden en naar dezelfde soort muziek luisteren. Veel adolescenten rekenen zich niet tot zo'n groep. Wel wordt er door het grootste deel van de jongeren veel tijd doorgebracht in groepsverband. Van der Ploeg (1998) laat zien dat een kleine 70% van de jongeren onder elkaar zijn in een groep buiten de gevestigde instituten zoals het gezin of de school. Bij alle groepen wordt het gedrag van de adolescent sterk beïnvloed door de groep waar hij of zij bij hoort/ bij wil horen (van der Ploeg, 1998).

Door de opkomst van de PC, internet en spelcomputer is de vrijetijdsbesteding van jongeren de laatste jaren drastisch veranderd. Besteedden jongeren eind jaren '90 veel tijd aan muziek sport en TV, vormt tegenwoordig de PC en de spelcomputer een belangrijk instrument voor tijdsbesteding bij de jongeren (de Wit, 1995).

Het aantal uur dat jongeren van 12 t/m 18 jaar TV kijkt is gedaald. Het percentage van 12 t/m 18 jarigen dat meer dan 20 uur per week TV kijkt is van 34% in 1997 gedaald naar 21% in 2008. Deze daling hangt samen met de stijging van het aantal jongeren dat 1 tot 10 uur per week tv kijkt (van 23% naar 37%) (CBS, 2009).

91% van de jongeren van 12 t/m 25 jaar zit dagelijks achter een PC. Gebruikte in 2003 nog 38% van de jongeren van 12 t/m 25 jaar dagelijks internet, is dit aantal in 2009 opgelopen tot 89% (CBS, 2009). Dat jongeren veel op Internet zitten zou verklaard kunnen worden doordat dit medium tegenwoordig erg handig is om leeftijdsgenoten te ontmoeten. Jongeren besteden op internet veel tijd aan het communiceren met vrienden. De grootste groep leden van de bekende vriendensite Hyves zijn jongeren van 14 t/m 25 jaar (46%) (Volkskrant, 2008).

Het percentage jongeren van 13 t/m 16 jaar dat online spellen speelt is 89,7%. Van alle leeftijdsgroepen is dit het grootste percentage. Door deze 89,7% wordt gemiddeld 14,6 uur per week besteed aan het spelen van de online spellen. Naast spellen via internet zijn ook ‘offline' videospellen onder jongeren tegenwoordig erg populair. Door de snelle innovatie in de game- industrie is spelen van videospellen via steeds spectaculairder beeld en geluid, voor veel jongeren sensationeler dan TV kijken. 54,5% van de jongeren van 13 t/m 16 jaar speelt videospellen op de PC of spelcomputer (Wii, Xbox of Playstation). Deze jongeren besteden gemiddeld 6,3 uur per week aan het spelen van videospellen Thuis is het spelen van videospellen één van de meest sensationele activiteiten die jongeren kunnen uitvoeren (IVO, 2008). De grotere behoefte tot sensatie bij adolescenten zou kunnen verklaren dat deze leeftijdsgroep relatief veel tijd besteedt aan het spelen van videospellen.

Grafiek 1 laat zien dat het totaal aantal jongeren van 12 tot 18 jaar dat minimaal 1 uur per week sport vanaf 1997 is gestegen van 85% naar 89%. Zoals al in hoofdstuk 1 is aangegeven komt dit vooral doordat sportende jongeren meer zijn gaan sporten. Het aantal jongeren dat meer dan 5 uur per week sport is gestegen van 30% naar 40% (CBS, 2009). Uit deze grafiek kan niet worden geconcludeerd dat de meeste jongeren genoeg sporten. Uit hoofdstuk 1 bleek dat jongeren van 12 t/m 17 jaar het minst vaak voldoen aan de beweegnormen (CBS, 2006) (TNO, 2008). Ook bleek het aantal inactieve jongeren van deze leeftijdsgroep vrij groot (17%) (TNO, 2008). Ondanks dat niet gezegd kan worden dat jongeren in aantal uren minder zijn gaan sporten, kan het dus wel zo zijn dat jongeren in aantal personen minder zijn gaan bewegen.

2.2.2 Gezondheid

Het ministerie van VWS (Volksgezondheid , Welzijn en Sport) geeft in een monitorringonderzoek aan dat het percentage overgewicht/ obesitas bij 12 tot 14 jarigen in de perioden 1980 - 1997 - 2004 bij jongens is gestegen van 4% naar 8% naar 15% is gestegen en bij meisjes van 6 % naar 8% naar 16 % is gestegen (Ministerie VWS, 2009). Doordat jongeren tegenwoordig, weliswaar in iets minder mate, TV kijken en erg veel tijd besteden achter de PC (huiswerk, contact leeftijdsgenoten en het spelen van videospellen) zou het kunnen zijn dat het totale beweeggedrag (ook buiten het sporten) minder is geworden.

De GGD Hart van Brabant brengt in 2007 de nota ‘Gezondheid telt! in Oss' uit. Vooral het ongezonde gedrag van jongeren baart de GGD zorgen: ‘13% van de jongeren van 12 tot 17 jaar in Oss heeft overgewicht, bijna een kwart sport niet buiten schoolverband, 90% eet niet dagelijks groente en fruit en de alcoholconsumptie is zorgwekkend'(GGD Hart van Brabant, 2007, p.9). Het ongezonde gedrag bij jongeren zou een gevolg kunnen zijn van het niet goed in kunnen schatten van de risico's van gedrag of de grotere behoefte tot sensatie, zoals in paragraaf 2.1.3 is omschreven.

2.3 Meetmethode interesses jongeren
2.3.1 De doelgroep

Voor het verdere onderzoek wordt de leeftijdsgroep beperkt tot de midden- adolescentiefase (14-16 jaar). Jongeren van 12 tot 14 jaar hechten vaak nog veel waarde aan activiteiten in georganiseerd clubverband. Voor 14 tot 16 jarige worden informele gesprekken met leeftijdsgenoten belangrijker, en wordt de rol van ouders minder dominant (de Wit, 1995). Doordat jongeren gaan experimenteren met verschillende rollen worden jongeren tijdens deze leeftijdsfase zich meer bewust van de eigen keuzes die ze kunnen maken (Craeynest, 2005). Er kan vaak zelf beslist worden of er buiten schooltijd nog aan sport gedaan wordt. Hierdoor is het belangrijk om sportstimuleringsprojecten voor 14-16 jarigen goed af te stemmen op behoeften van deze leeftijdsfase. Of er tijdens het verdere leven nog regelmatig gesport wordt hangt sterk af van het sportgedrag tijdens de jeugd/ adolescentie (Stegemans, 2007).

2.3.2 De te onderzoeken eigenschap

Jongeren blijken volgens Zuckerman de grootste sensatiezoekers te zijn in vergelijking met andere leeftijdsgroepen (Zuckerman, 2006). Zuckerman geeft de definitie van de eigenschap ‘sensation seeking' als ‘de behoefte aan gevarieerde, nieuwe, complexe en intense sensaties en ervaringen en de bereidheid om fysieke, sociale, wettelijke en financiële risico's te nemen omwille van een dergelijke ervaring' (Zuckerman, 1994, p.27). De mate van behoefte tot sensatie kan bepalend zijn of iemand interesse heeft om deel te nemen aan risicosporten. Of jongeren van 14 t/m 16 jaar uit gemeente Oss hoge sensatiezoekers zijn kan gemeten worden middels een interesse- en preferentietest.

2.3.3 Methode

Zuckerman (1994) heeft een interesse- preferentietest ontwikkeld waarmee bepaald kan worden in welke mate iemand een sensatiezoeker is, genaamd Sensation Seeking Scale (ofwel SSS). De test is gebaseerd op 3 behoeften; sensatie zoeken, impulsiviteit en de behoefte tot sociaal gedrag. De uitkomst van de test is verdeeld over 4 schalen; Thrill and Adventure Seeking (TAS), Experience Seeking (ES), Disinhibition (Dis) en Boredom Susceptibility (BS). Bij TAS, de eerste subschaal, wordt er gemeten in hoeverre iemand behoefte heeft aan avontuurlijke risicovolle activiteiten, waarbij ongewone snelheden of hoogtes overwonnen moeten worden, zoals bij risicosporten. Bij de tweede subschaal, ES, wordt er gekeken in hoeverre iemand behoefte heeft tot nieuwe ervaringen/ sensaties via zintuigen of geest. Zowel nieuwe culturele (kunst, muziek etc.) als sociale ervaringen komen hierin voor. De derde subschaal (Dis) refereert aan de behoefte tot nieuwe sensaties die niet altijd legaal zijn, zoals het gebruik van alcohol of drugs. Als laatste representeert de vierde subschaal (BS) de mensen die een afkeer hebben in herhalende ervaringen, zoals de omgang met steeds dezelfde mensen (Zuckerman, 1994).

De originele test bestaat uit 40 vragen, 10 vragen per schaal. Omdat deze meting slechts een deel van de totale vragenlijst betreft wordt de test voor dit onderzoek beperkt tot 20 vragen (5 vragen per schaal). Bij elke vraag zijn er 2 antwoorden mogelijk; ja of nee. Wanneer een antwoord een behoefte tot een sensatie of ervaring aangeeft krijgt men 1 punt, wanneer een antwoord geen behoefte tot een sensatie of ervaring aangeeft krijgt men er 0 punten voor. Op deze manier kan er een beeld gegeven worden in hoeverre iemand een sensatiezoeker is. Daarnaast kan er onderscheid gemaakt worden wat voor sensatiezoeker iemand is via de verschillende subschalen.

2.3.4 Operationalisering vragenlijst

Eigenschap

Dimensie

Indicatoren

Sensation seeking:

‘De behoefte aan gevarieerde, nieuwe, complexe en intense sensaties en ervaringen en de bereidheid om fysieke, sociale, wettelijke en financiële risico's te nemen omwille van een dergelijke ervaring'

(Zuckerman, 1994, p.27)

Gevarieerde sensaties en ervaringen

Spanning en avontuur zoeken (TAS)*

Ervaring zoeker (ES)*

Ervaring zonder grenzen (Dis)*

Gevoelig voor verveling (BS)*

Nieuwe sensaties en ervaringen

‘'

‘'

‘'

‘'

‘'

‘'

‘'

Complexe sensaties en ervaringen

Intense sensaties en ervaringen

Fysieke risico's

Sociale risico's

Wettelijke risico's

Financiële risico's

Indicatoren

Vragen

Categorie

Spanning en avontuur zoeken (TAS)

A. Ik zou vaak willen dat ik een bergbeklimmer was

B. Ik snap mensen niet die hun leven riskeren om bergen te beklimmen

Nominaal

A. Ik zou het leuk vinden om de sport waterskiën op te pakken

B. Ik zou het niet leuk vinden om de sport waterskiën op te pakken

Nominaal

A. Ik zou het leuk vinden om golfsurfen te proberen

B. Ik zou het niet leuk vinden om golfsurfen te proberen

Nominaal

A. Ik zou het leuk vinden om een vliegtuig te leren besturen

B. Ik zou het niet leuk vinden om een vliegtuig te leren besturen

Nominaal

A. Een verstandig persoon vermijdt activiteiten die gevaarlijk zijn

B. Ik vind het soms leuk om dingen te doen die een beetje eng zijn

Nominaal

Ervaring zoeker (ES)

A. Ik prefereer de ‘down to earth' soorten mensen als vrienden

B. Ik zou het leuk vinden om vrienden te maken in de buitenliggende groepen zoals kunstenaars en punkers

Nominaal

A. Mensen zouden zich moeten kleden naar een bepaalde standaard van smaak, netheid en stijl

B. Mensen zouden zich op een individuele manier moeten kleden zelfs als het resultaat soms wat raar is

Nominaal

A. Ik vind het leuk om in mijn eentje een onbekende stad of deel van een stad te verkennen, zelfs als dit betekent dat ik verdwaal

B. Ik heb liever een gids wanneer ik in een stad ben die ik niet goed ken

Nominaal

A. Ik vind het leuk om nieuw voedsel te proberen welke ik nog nooit eerder geproefd heb

B: Ik bestel de gerechten waarmee ik bekend ben om zo teleurstelling en onplezierigheid te voorkomen

Nominaal

A. Ik zou het leuk vinden om op reis te gaan zonder een van tevoren geplande of definitieve route of tijdschema.

B. Wanneer ik op reis ga vind ik het fijn om mijn route en tijdschema redelijk zorgvuldig te plannen

Nominaal

Ervaring zonder grenzen (Dis)

A: Ik hou van ‘wilde' ongeremde feestjes

B: Ik hou meer van stille feestjes met een goed gesprek

Nominaal

A: Ik ben niet geïnteresseerd in een ervaring omwille van de ervaring zelf

B: Ik vind het leuk om nieuwe en opwindende ervaringen en sensaties te hebben zelfs als deze een beetje beangstigend of illegaal zijn

Nominaal

A: Veel drinken ruïneert vaak een feestje omdat sommige mensen luidruchtig en onstuimig worden

B: De glazen vol houden is de sleutel tot een goed feest

Nominaal

A: Ik voel me het beste naar het nemen van een aantal alcoholische drankjes

B: Er is iets fout met mensen die drank nodig hebben om zich goed te voelen

Nominaal

A: Ik vind ‘swingers' (mensen die ongeremd en vrij zijn op het gebied van seks) niet leuk

B: Ik geniet van het gezelschap van echte ‘swingers'

Nominaal

Gevoelig voor verveling (BS)

A: Er zijn een aantal films welke ik leuk vind om een tweede of zelfs een derde keer te zien

B: Ik kan het niet uitstaan om een film te zien welke ik al eerder gezien heb

Nominaal

A: Ik raak verveeld bij het zien van dezelfde bekende gezichten

B: Ik hou van de bekende gezichten van dagelijkse vrienden

Nominaal

A: Ik vind mensen die dingen doen of zeggen alleen om andere te shockeren of van streek te brengen niet leuk

B: Wanneer je bijna alles kan voorspellen van wat een persoon zal gaan doen of zeggen dan moet hij of zij wel saai zijn

Nominaal

A: Ik vind het leuk om home video's, video's of vakantiefoto's te kijken

B: Kijken naar iemands home video's, video's of vakantiefoto's vind ik verschrikkelijk saai

Nominaal

A: Ik vind het meestal niet leuk om een film of toneelstuk te zien waarbij ik van tevoren kan voorspellen wat er gaat gebeuren

B: Ik vind het niet erg om een film of toneelstuk te zien waarbij ik van tevoren kan voorspellen wat er gaat gebeuren

Nominaal

Samenvatting hoofdstuk 2

Jongeren tussen de 12 t/m 17 jaar bevinden zich in de adolescentiefase (Craeynest, 2005). Tijdens de adolescentie heeft de mening van leeftijdsgenoten veel invloed op het gedrag. Door het identiteitsprobleem als kernconflict willen jongeren in deze leeftijdsfase graag experimenteren met verschillende rollen. Door het experimenteren, kan de reden van bepaald gedrag van adolescenten dus ook zijn dat ze graag iets willen uitproberen (Craeynest, 2005). Jongeren gaan in de adolescentie meer risicogedrag tonen. De oorzaak van dit gedrag ligt voor een deel bij de hormonen, maar ook bij de onevenwichtige hersenontwikkeling, die tijdens de adolescentie nog in volle groei zijn (Crone & Leijenhorst, 2008). Zuckerman suggereert dat adolescenten de grootste sensatiezoekers zijn. De sensatiebehoefte wordt naast de hormonen beïnvloed door het Monoamine Oxidase (MAO) niveau in het lichaam (Zuckerman, 1994).

Jongeren hebben veel vrije tijd en gaan graag in groepsverband met leeftijdsgenoten om (de Wit, 1995). De afgelopen jaren heeft er een duidelijke verschuiving plaatsgevonden in de vrijetijdsbesteding van jongeren. Jongeren besteden tegenwoordig veel tijd aan internet, en zijn minder TV gaan kijken (CBS, 2009). Dat jongeren veel op Internet zitten zou verklaard kunnen worden door het feit dat dit medium tegenwoordig erg handig is om leeftijdsgenoten te ontmoeten. Ook zijn jongeren meer videospellen gaan spelen (IVO, 2008). Het aantal jongeren dat minder dan één uur tot 4 uur per week sport is verminderd, het aantal jongeren dat 5 uur of meer per week sport is vermeerderd (CBS, 2009). Of jongeren in het algemeen meer of minder zijn gaan sporten over de afgelopen jaren is niet helemaal duidelijk.

Uit een onderzoek van het Ministerie van VWS blijkt dat het aantal jongeren van 12 t/m 14 jaar in Nederland met overgewicht van 1980 tot 2004 met 15% is gestegen (Ministerie VWS, 2009). Ondanks het gegeven dat jongeren in het algemeen niet echt minder zijn gaan sporten, kan het dus wel zo zijn dat jongeren minder zijn bewegen. De GGD Hart van Brabant geeft in een rapport over de gezondheid in gemeente Oss aan zich zorgen te maken over het ongezonde gedrag van de jongeren. Hierbij worden voorbeelden gegeven als alcoholgebruik en eetpatroon (GGD HVB, 2007). Het ongezonde gedrag bij jongeren zou een gevolg kunnen zijn van het niet goed in kunnen schatten van de risico's van gedrag.

De mate van behoefte tot sensatie kan bepalend zijn of iemand interesse heeft om deel te nemen aan risicosporten. Voor het verdere onderzoek wordt de leeftijdsgroep beperkt tot de midden- adolescentie (14-16 jaar). Of jongeren van 14 t/m 16 jaar uit gemeente Oss sensatiezoekers zijn kan gemeten worden via de interesse- en preferentietest van Zuckerman, genaamd Sensation Seeking Scale (ofwel SSS) (Zuckerman, 1994).

3. Motivatie en risicosporten

In dit hoofdstuk wordt er gekeken of er verbanden zijn te leggen tussen jongeren en de motivatie om deel te nemen aan risicosporten. Hiervoor wordt eerst het begrip motivatie nader uitgelegd, waarbij er een koppeling wordt gemaakt met gedrag. Algemene motivaties voor deelname risicosporten worden vervolgens uiteengezet. Met deze gegevens wordt uiteindelijk naar de mogelijke verbanden gekeken tussen het gedrag en interesses van jongeren en motivaties om deel te nemen aan risicosporten.

3.1 Omschrijving motivatie
3.1.1 Definitie

In het woordenboek wordt het woord ‘motivatie' als volgt omschreven: ‘'het bepaald- zijn door motieven (van gedrag); bereidheid tot doelgerichte inspanning'' (Kramers, 1997, p.266).

Het begrip motivatie is afgeleid van het Latijnse woord ‘movere', dat ‘bewegen' betekent. Bewegen slaat op de beweegredenen of drijfveer, de redenen om iets te doen of te laten (Wijsman, 2001). Wijsman omschrijft motivatie als volgt: ‘'motivatie is het totaal van beweegredenen of motieven, te weten oorsprong, intensiteit en duurzaamheid van gedrag en emoties en behoeften dat op een bepaald ogenblik werkzaam is binnen een individu'' (Wijsman, 2001, p.88).

3.1.2 Motivatie en gedrag

Om te kunnen achterhalen wat iemand motiveert is het belangrijk om te kijken naar het gedrag van de persoon. Het gedrag is de sleutel tot de motivatie. Door het gedrag van iemand in bepaalde situaties te analyseren kan zijn/ haar motivatie achterhaald worden. De ware motivatie van iemand kan ook anders zijn dan wat door het gedrag van iemand duidelijk wordt (Wijsman, 2001). Zo kan een jongeren graag een keer gaan skiën om een keer iets nieuws te proberen, maar de ware motivatie is eigenlijk om de kick van die sport te beleven.

Geluk beweert ook dat gedrag de sleutel is tot de motivatie. Zijn definitie van motivatie is: ‘'de oorsprong, intensiteit en duurzaamheid van gedrag'' (Geluk, 1999, p. 16). Met de oorsprong bedoelt Geluk hetgeen dat iemand gemotiveerd heeft tot zijn gedrag. Met de intensiteit bedoelt Geluk hoe graag iemand wil slagen in zijn/ haar doel, en met de duurzaamheid wordt bedoelt hoe lang het gedrag mee gaat. Als de intensiteit hoog is zal de duurzaamheid waarschijnlijk ook groot zijn; als iemand iets heel graag wil zal hij/ zijn gedrag hier ook langer naar vertonen.

Kenmerkend aan gemotiveerd gedrag is dat het doelgericht is. Iemand wil iets bereiken (het doel). Geluk verdeelt het proces tot het komen van gedrag middels motivatie in drie stappen:

Een doel stellen dat de persoon nastreef
Een gedragslijn kiezen die naar het bereiken van het doel leidt
De gekozen gedragslijn uitvoeren

Voor elk doel dat een individu stelt wordt er een gedrag gekozen om te komen tot dit doel. Vervolgens wordt het gekozen gedrag uitgevoerd (Geluk 1999).

3.2 Algemene motivaties voor risicosporten
3.2.1 Psychologische motivatie tot risicosporten
De invloed van de massamedia

Celsi (2003) heeft aan de hand van een onderzoek onder skydivers een model ontwikkeld om de motivatie te verklaren voor deelname van risicosporten. Volgens dit model is het zoeken naar risico's het gevolg van de massamedia. De media overspoelt de mensen met een dramatische kijk op het leven via films, boeken of televisieprogramma's waardoor dit een stimulerend effect kan hebben op mensen tot het zoeken naar drama in het leven. Een manier om drama te zoeken in het leven is door deelname aan risicosporten (Creyer, E.H. e.a., 2003).
Inter-/ intra-persoonlijke motieven

Celsi (2003) geeft daarnaast een aantal inter- en intra- persoonlijke motieven die invloed hebben op de deelname aan risicosporten:

* Inter- persoonlijk: Als eerste heeft de mening van andere veel invloed bij deelname aan risicosporten. Als het binnen een bepaalde groep de norm heerst risicogedrag te vertonen is dit erg stimulerend om ook dit gedrag te vertonen.

* Intra- persoonlijk: Als tweede heeft de mens behoefte aan self-efficacy (op een efficiënte en doeltreffende wijze handelen). Als men via risicosporten nieuwe vaardigheden leert en op succesvol kan handelen binnen risicovolle situaties van de sport kan dit de zelfwaardering vergroten.

* Intra- persoonlijk: Als laatste kan succesvol zijn binnen risicosporten gewoon als erg plezierig worden ervaren (Creyer, E.H. e.a., 2003).

Wanneer we kijken naar de al eerder aangeven oorsprongtheorieën van motivatie kan het 1e motief gekoppeld worden aan intrinsieke motivatie. De behoefte aan sociaal contact en waardering spelen hierin een rol. Het 2e motief kan gekoppeld worden aan de prestatie- theorie, hier komt de behoefte tot presteren naar voren. Bij het laatste motief komt emotie naar voren als oorsprong, de mens ervaart risicosport als plezierig.

Zelfregulatie: vluchtgedrag en compensatie

Taylor & Hamilton (1997) suggereren dat deelname aan risicosporten een vorm is van zelfregulatie waarbij er sprake is van compensatie of vluchtgedrag voor negatieve ervaringen uit het dagelijks leven. Dit wordt aangegeven als vluchtgedrag van eigen bewustzijn. Een voorbeeld hiervan is het niet goed kunnen afronden van een studie (Taylor & Hamilton, 1997).
Emotionele zelfregulatie

Woodman & Lescanff (2007) zijn van mening dat de emotionele zelfregulatie de bron is van sensatiezoekend gedrag. De theorie geeft aan dat deelnemers van risicosporten afstand willen nemen van moeilijke interne gevoelens. Als compensatiegedrag probeert de deelnemer van een risicosport externe emoties onder controle te krijgen. Deze externe emoties, zoals angst, zijn beter controleerbaar waardoor de deelnemer er een goed gevoel aan overhoudt (Woodman & Le Scanff 2007).

3.2.2 Fysiologische motivatie risicosporten

Zuckerman geeft aan dat, door lichamelijke verschillen, de ene mens meer behoefte heeft aan spanning en sensatie dan anderen (Zuckerman, 1994). In hoofdstuk 2 werd aangegeven dat het enzym MAO en hormonen invloed hebben op de sensatiebehoefte. MAO is een enzym dat functioneert als een regulator, het enzym houdt de neurotransmitters in balans. Een vorm van MAO genaamd type B is in het bijzonder gerelateerd aan sensation seeking. Dit type MAO reguleert Dopamine. Dopamine is een neurotransmitter dat de plezier- en beloningsgebieden in de hersenen controleert. Het MAO gehalte in het bloed is laag bij hoge-sensatiezoekers, en hoog bij lage- sensatiezoekers. Dat het MAO- gehalte in het bloed laag is bij hoge- sensatiezoekers impliceert de lagere regulatie Naast het MAO enzym veronderstelt Zuckerman ook dat de mannelijke hormoon testosteron invloed heeft op de behoefte tot sensatie (Zuckerman, 1994).

3.3 Motivaties deelname risicosporten bij jongeren
3.3.1 Psychologische motivatie deelname risicosporten jongeren

In hoofdstuk 2 komt naar voren dat jongeren tijdens de adolescentie- fase zich meer op leeftijdsgenoten gaan richten. De mening/ normen en waarden van leeftijdsgenoten worden belangrijker (de Wit, 1995). Wanneer er bij adolescenten binnen een groep, of door een belangrijk persoon binnen de groep veel waarden gehecht wordt aan uitdagende of stoere sporten (bijvoorbeeld klimmen of snowboarden) is de kans groot dat andere jongeren uit de groep ook nieuwsgierig raken naar de sporten. Of adolescenten gaan deelnemen aan een bepaalde sport zal voor een groot deel afhangen van het imago en participatie in de sport bij leeftijdsgenoten.

Naast het gegeven dat de mening van leeftijdsgenoten belangrijker wordt, blijkt in hoofdstuk 2 dat adolescenten te maken krijgen met de identiteitscrisis (Craeynest, 2005). Het experimenten met rollen en handelingen kan er voor zorgen dat jongeren alternatieve sporten willen uitproberen, zoals risicosporten. In hoofdstuk 3 is aangegeven dat een kleine 70% van de jongeren onder elkaar zijn in een groep buiten de gevestigde instituten zoals het gezin of de school. Jongeren willen zich graag identificeren aan een sub- cultuur of informele groep. Risicosporten worden tegenwoordig vaak geassocieerd met interesses van jongeren. Bij het definiëren van de risicosport in hoofdstuk 1 bleek dat de term vaak wordt gebruikt bij populaire alternatieve sporten voor jongeren, zoals skateboarden of snowboarden (Zuckerman, 2006). Bij risicosporten als skaten en snowboarden is een kenmerkende leefstijl te zien. Het zijn vaak hoge- sensatiezoekers, die zich op dezelfde wijze kleden en gedragen. De sporten en bijbehorende leefstijl kunnen, mede door de massamedia (Creyer, E.H. e.a., 2003), aantrekkelijk zijn voor jongeren.

3.3.2 Fysiologische motivatie deelname risicosporten jongeren
Hersenontwikkeling

In hoofdstuk 2 wordt aangegeven dat hersengebieden die verantwoordelijk zijn voor de cognitieve controle zich langzamer ontwikkelen dan de hersengebieden die verantwoordelijk zijn voor beloningen, waardoor het dus kan zijn dat adolescenten in een bepaalde periode de consequenties van hun gedrag niet goed kunnen inschatten. Bij de analyse van de leefstijl van jongeren in hoofdstuk 2 bleek dat jongeren uit gemeente Oss risicogedrag vertonen op het gebied van alcoholgebruik (GGD Hart van Brabant, 2007). Onderzoekers hebben de balans tussen emotiesystemen en controlesystemen verder onderzocht (Crone, 2008). De ontwikkeling van deze systemen gebeurt in de sub- corticale (diep in de hersenen liggende) basale ganglia, met daarin een beloningscentrum: de nucleus accumbens. Crone geeft aan dat ‘niet alleen het krijgen van een beloning, maar ook het antiperen op een mogelijke beloning resulteerde in een toename van activiteit in de nucleus accumbens' (Crone, 2008 p. 110). Het blijkt dat Jongeren (en dan vooral jongeren in de midden- adolescentiefase) extra gevoelig zijn voor beloningen. ‘Deze overgevoeligheid in de hersenen zou ook kunnen verklaren waarom adolescenten spannende situaties opzoeken' (Crone, 2008 p. 111).

Monoamine oxidase en hormonen

Het enzym MAO en de mannelijke hormoon testosteron hebben invloed op de sensatiebehoefte van de mens (zie paragraaf 3.2.2). Een grotere hoeveelheid testosteron correleert aan een grotere behoefte tot sensatie. Zowel mannen als vrouwen bezitten deze hormoon, waarbij de aanwezige hoeveelheid bij mannen groter is. Dat het niveau MAO over de jaren toeneemt en de hoeveel testosteron vanaf het 20e levensjaar verminderd kunnen redenen zijn dat jongeren een grotere behoefte hebben tot sensatie dan volwassenen (Zuckerman, 1994). Een grote behoefte tot sensatie kan ervoor zorgen dat men meer interesse heeft voor spannende/ sensatiesporten, zoals risicosporten. Of jongeren uit gemeente Oss een grote behoefte hebben aan sensatie wordt via de interesse en preferentietest van Zuckerman gemeten (zie paragraaf 2.3.2).

3.4 Meetmethode motivaties tot deelname risicosporten bij jongeren
3.4.1 Doelgroep, eigenschap en methode

In hoofdstuk 2 is aangegeven dat er interesse- test gedaan wordt onder jongeren van 14 t/m 16 jaar uit de gemeente Oss. Via deze test kan er gekeken worden in hoeverre deze doelgroep sensatiezoekers zijn. Om te weten of jongeren ook echt deel willen nemen aan risicosporten zal er naast de interesse test ook een motivatietest worden afgenomen. Vanuit de definitie van het begrip ‘motivatie' is een vragenlijst geconstrueerd. Via deze vragenlijst kunnen de motivaties van jongeren om deel te nemen aan risicosporten gemeten worden. Gekozen is voor gesloten vragen (kwantitatief). In de constructie van de vragen zijn ook de gegevens uit het literatuuronderzoek betrokken. Bij deze gesloten vragen is vooral een vijfpuntschaal gebruikt. Bij de vijfpuntschaal zijn meerdere antwoorden mogelijk waardoor de deelnemer genoeg keuzemogelijkheden heeft. Er is niet gekozen voor oriënterende vragen, omdat voldoende bekend is over het onderwerp van het onderzoek. De vragen zijn zodanig opgezet dat de doelgroep, jongeren van 14 t/m 16 jaar, de vragen en de mogelijke antwoorden begrijpen.

3.4.2 Operationalisatie vragenlijst

Eigenschap

Dimensie

Indicatoren

Motivaties tot deelname aan risicosporten:

het totaal van beweegredenen of motieven, te weten oorsprong, intensiteit en duurzaamheid van gedrag en emoties en behoeften, voor deelname aan risicosporten dat op een bepaald ogenblik werkzaam is binnen een individu (Wijsman, 2001)

Oorsprong van gedrag, behoefte en emotie

Presteren

Nieuwsgierigheid

Identiteit/ zelfbeeld

Invloed van anderen

Plezier

Uitdaging

Angst

Vluchtgedrag

Intensiteit en duurzaamheid van gedrag

Keuze alternatieven

Zekerheid keuzes

Indicatoren

Vragen

Categorie

Presteren

Ik doe graag aan risicosporten omdat ik mijzelf hier graag in wil verbeteren.

a. Niet/ geen (ordinaal)

b. In geringe mate

c. Neutraal/ gemiddeld

d. In redelijke mate

e. In zeer sterke mate

Ik vind het belangrijk dat ik snel vooruitgang boek met de risicosport.

a. Niet/ geen (ordinaal)

b. In geringe mate

c. Neutraal/ gemiddeld

d. In redelijke mate

e. In zeer sterke mate

Nieuwsgierigheid

Ik heb deelgenomen aan risicosporten.

a. Nooit (ordinaal)

b. Één maal

c. Eens in het aantal jaren

d. Vaker per jaar

Ik heb interesse om deel te nemen aan een risicosport.

a. Ja (ordinaal)

b. Nee

c. Misschien

Ik heb aan risicosporten deelgenomen of ik zou aan risicosporten deel willen nemen omdat ik graag nieuwe dingen uitprobeer

a. Ja (ordinaal)

b. Ja, samen met andere redenen

c. nee, ik zou door een andere reden willen deelnemen aan risicosporten

d. nee, ik zou niet deel willen nemen aan risicosporten

Identiteit/ zelfbeeld

Ik doe graag aan risicosporten omdat ik mij daar aan wil identificeren.

a. Niet/ geen (ordinaal)

b. In geringe mate

c. Neutraal/ gemiddeld

d. In redelijke mate

e. In zeer sterke mate

Ik doe graag aan risicosporten omdat de subcultuur en leefwijze die hier aan verbonden is mij erg aanspreekt.

a. Niet/ geen (ordinaal)

b. In geringe mate

c. Neutraal/ gemiddeld

d. In redelijke mate

e. In zeer sterke mate

Invloed van anderen

Ik doe graag aan risicosporten omdat vrienden/ kennissen dit ook doen

a. Niet/ geen (ordinaal)

b. In geringe mate

c. Neutraal/ gemiddeld

d. In redelijke mate

e. In zeer sterke mate

Ik zou graag een keer deel willen nemen aan risicosporten omdat vrienden/ kennissen hier erg positief over zijn

a. Niet/ geen (ordinaal)

b. In geringe mate

c. Neutraal/ gemiddeld

d. In redelijke mate

e. In zeer sterke mate

Plezier

Ik doe graag aan risicosporten omdat ik de sport als erg plezierig ervaar

a. Niet/ geen (ordinaal)

b. In geringe mate

c. Neutraal/ gemiddeld

d. In redelijke mate

e. In zeer sterke mate

Angst

Ik doe aan risicosporten omdat ik mijn angsten graag wil overwinnen

a. Niet/ geen (ordinaal)

b. In geringe mate

c. Neutraal/ gemiddeld

d. In redelijke mate

e. In zeer sterke mate

Vluchtgedrag

Ik doe graag aan risicosporten omdat behoefte heb om mij van het dagelijks leven af te wenden

a. Niet/ geen (ordinaal)

b. In geringe mate

c. Neutraal/ gemiddeld

d. In redelijke mate

e. In zeer sterke mate

Als ik tegen problemen aan loop in dagelijks leven zoek ik uitdagingen op in vorm van risicosporten

a. Niet/ geen (ordinaal)

b. In geringe mate

c. Neutraal/ gemiddeld

d. In redelijke mate

e. In zeer sterke mate

Keuze alternatieven

Ik doe liever deelnemen aan risicosporten dan aan traditionele sporten

a. Niet/ geen (ordinaal)

b. In geringe mate

c. Neutraal/ gemiddeld

d. In redelijke mate

e. In zeer sterke mate

Zekerheid keuzes

Ik betaal graag iets meer voor deelname aan risicosporten in plaats van deel te nemen aan de goedkopere traditionele sporten

a. Niet/ geen (ordinaal)

b. In geringe mate

c. Neutraal/ gemiddeld

d. In redelijke mate

e. In zeer sterke mate

De kans op gevaarlijke situaties die voor kunnen komen bij risicosporten beïnvloed de keuze of ik deel wil nemen aan deze sporten negatief.

a. Niet/ geen (ordinaal)

b. In geringe mate

c. Neutraal/ gemiddeld

d. In redelijke mate

e. In zeer sterke mate

Dat er bij risicosporten de kans bestaat op gevaarlijke situaties vind ik juist aantrekkelijk.

a. Niet/ geen (ordinaal)

b. In geringe mate

c. Neutraal/ gemiddeld

d. In redelijke mate

e. In zeer sterke mate

Samenvatting hoofdstuk 3

Motivatie is het totaal van beweegredenen of motieven dat op een bepaald ogenblik werkzaam is binnen een individu. Aan het gedrag van iemand kan er te zien zijn wat de motivatie is. De ware motivatie kan echter ook anders zijn dan dat er doet blijken uit het gedrag.

Als eerste speelt de massamedia een grote rol bij de keuze tot deelname aan risicosporten. De media overspoelt de mensen met een dramatische kijk op het leven via films, boeken of televisieprogramma's waardoor dit een stimulerend effect kan hebben op mensen tot het zoeken naar drama in het leven. Daarnaast heeft de medemens veel invloed op de keuze tot deelname aan risicosporten. Het kan ook zijn dat de mens behoefte heeft aan self-efficacy. Als laatste kan de mens ook gewoon plezier beleven aan het beoefenen van risicosporten. Een andere kijk op de motivatie is dat deelname aan risicosporten vluchtgedrag kan zijn uit het echte leven. Weer een andere kijk op de motivatie is dat de emotie de bron zelf is van het sensatiezoekend gedrag. Hierbij kunnen de moeilijke interne gevoelens plaats maken voor de beter te controleren externe emoties.

Naast het gegeven dat de mening van leeftijdsgenoten belangrijker wordt, blijkt in hoofdstuk 2 dat adolescenten te maken krijgen met de identiteitscrisis (Craeynest, 2005). Bij het definiëren van de risicosport in hoofdstuk 1 bleek dat de term vaak wordt gebruikt bij populaire alternatieve sporten voor jongeren. (Zuckerman, 2006). Bij risicosporten als skaten en snowboarden is een kenmerkende leefstijl te zien. Het zijn vaak hoge- sensatiezoekers, die zich op dezelfde wijze kleden en gedragen. De sporten en bijbehorende leefstijl kunnen, mede door de massamedia (Creyer, E.H. e.a., 2003), aantrekkelijk zijn voor jongeren.

In hoofdstuk 2 werd al aangegeven dat hormonen en het enzym MAO invloed hebben op de behoefte tot sensatie. Het mannelijke hormoon testosteron blijkt gerelateerd te zijn aan sensatiezoekend gedrag. Een grotere hoeveelheid testosteron is gecorreleerd aan een grotere behoefte tot sensatie. Dat het niveau MAO over de jaren afneemt en de hoeveel testosteron vanaf het 20e levensjaar verminderd kunnen redenen zijn dat jongeren een grotere behoefte hebben tot sensatie dan volwassenen (Zuckerman, 1994)

4. Resultaten

5. Conclusies

6. Aanbevelingen

7. Discussie

8. Bronnenlijst

* Alpinesports (z.j.). Voordelen van de rolbaan. Oss, van het World Wide Web gehaald op 28 december 2009: http://www.alpinesports.nl/voordelen-van-de-rolbaan.

* Appleton, J. (2005). What's so extreme about extreme sports? New York, van het World Wide Web gehaald op 17 februari 2009: http://www.spiked-online.com/Articles/0000000CADe26.htm.

* Britisch Journal Of Sports Medicine (2006). Physiology of sport rock climbing. Van het World Wide Web gehaald op 8 januari 2010: http://www.horoftvs.cz/sheel_physiology_of_sport_rock_climbing.pdf

* CBS (2006). Rapportage Sport. Den Haag, van het World Wide Web gehaald op 6 januari 2010: http://www.nisb.nl/dossiers/ruimte/rapportage_sport_2006.pdf

* CBS (2009). Vrije tijd; Sport. Heerlen, van het World Wide Web gehaald op 15 december 2009: http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=60029ned&D1=1-2,9-10,20-21&D2=a,!3-11,!17-47&D3=l&HD=080519-1106&HDR=T&STB=G2,G1

* Craeynest, P. (2005). Psychologie van de levensloop. Leuven, Acco.

* Creyer, E.H. e.a.(2003). Risky recreation: an exploration of factorsinfluencing the likelihood of participationand the effects of experience. Leisure studies, 22, (239-253).

* Crone, E. & Leijenhorst, K. (2008). Het adolescentenbrein: inzichten in risicovol gedrag in de adolescentie uit de cognitieve neurowetenschappen. Neuropraxis, 1, (3-7).

* Crone, E. (2008). Het puberende brein. Amsterdam, Bert Bakker.

* De Maaslandse kano vereniging (z.j.) Over de MKV. Oss, van het World Wide Web gehaald op 11 januari 2010: http://mkv-oss.nl/info

· Sports Fitness advisor (z.j.) Ski Training Section. Southport, van het World Wide Web gehaald op 6 januari 2010: http://www.sport-fitness-advisor.com/ski-training.html

* Geluk, H. (1999). Motivatie, een sociaal-psychologische benadering. Baarn, Intro.

* Gemeente Oss (2001). Skaten in Oss. Oss, van het World Wide Web gehaald op 4 januari 2010: http://www.oss.nl/dsc?c=getobject&s=obj&!sessionid=1K78L9!zmM!2Az1JIodvhoUlCp3M4eGxJl@OuGE@@hWdpz8XH1!b8xG1jif1WxRz&objectid=9335&!dsname=ossextern

* Gemeente Oss (2005). Uitvoeringsprogramma Herperduin. Oss, van het World Wide Web gehaald op 11 januari 2010: http://www.oss.nl/dsc?c=getobject&s=obj&!sessionid=17M4aGBJhXOuKEXXlWdpD8XL5Wf8xK1jmf5WBNDecGa59bs1WzcV!js3tW8jhb9o&objectid=261981&!dsname=ossextern&getastype=PDF

* GGD Hart van Brabant (2007). Gezondheid telt! in Oss. 's-Hertogenbosch, van het World Wide Web gehaald op 20 december 2009: http://www.ggdhvb.nl/doclink/Document/binaries/Informatie_voor/gemeenten/Volksgezondheid/oss.pdf

* Gottlieb, M. (2004). Rugby: An Extreme Traditional Sport, Or Is It A Traditional Extreme Sport? Los Angeles, van het World Wide Web gehaald op 18 februari 2009: http://media.www.theseahawk.org/media/storage/paper287/news/2004/02/05/ExtremeSports/Rugby.An.Extreme.Traditional.Sport-597340.shtml.

* IVO (2008) Videogames en Nederlandse jongeren. Rotterdam, van het World Wide Web gehaald op 4 januari 2010: http://www.ivo.nl/UserFiles/File/Publicaties/2008-11%20Factsheet%20videogames.pdf

* Journal of Sports Science and Medicine (2008). The metabolic demands of kayaking: A review. Lidcome, van het World Wide Web gehaald op 27 december 2009: http://www.jssm.org/vol7/n1/1/v7n1-1pdf.pdf

* KNWU Wieler Magazine (z.j.) De fysiologie van het mountainbiken. Van het World Wide Web gehaald op 10 januari 2010: http://www.contest.nl/wm07-3-MTB.pdf

* Ploeg, J.D. van der (1998). Gedragsproblemen: ontwikkelingen en risico's. Rotterdam, Lemniscaat.

* Scouting Schaijk (z.j.). Werkgroep klimwand. Schaijk, van het World Wide Web gehaald op 28 december 2009: http://www.scoutingschaijk.nl/klimwand.htm.

* Skatetime School Programs (z.j.) Physiology of Inline Skating. Van het World Wide Web gehaald op 4 januari 2010: www.skatetime.com/all_inline.pdf+physiology+skating&hl=nl&gl=nl&pid=bl&srcid

* Taylor, R.L. & Hamilton, J.C. (1997). Preliminary evidence for the role of self-regulatory processes in sensation seeking. Mississippi, van het World Wide Web gehaald op 19 februari 2009: http://www.informaworld.com/smpp/content~db=all~content= a778316094? words=sensation*|seeking*.

* TNO (2008). Bewegen in Nederland 2000-2008. Leiden, van het World Wide Web gehaald op 20 december 2009: http://www.tno.nl/downloads/KvL-L.09-10.785Mu_laag1.pdf

* Vermeer, P.S. (1997). Compactwoordenboek Nederlands. Amsterdam, Reed business information.

* VWS (2007). Kiezen voor gezond leven 2007-2010. Den Haag, van het World Wide Web gehaald op 16 december 2009: http://www.minvws.nl/notas/pg/2006/kiezen-voor-gezond-leven.asp

* VWS (2009). Nota Overgewicht. Den Haag, van het World Wide Web gehaald op 15 december 2009: http://www.minvws.nl/notas/vgp/2009/nota-overgewicht.asp

* W.J.H. Mulier Instituut (2007). Effecten van sport en bewegen op school. ‘s- Hertogenbosch, van het World Wide Web gehaald op 12 januari 2010: http://sport.cda.nl/Portals/568/docs/Effect_van_sport_en_bewegen_op_school.pdf

* Webster's New Millennium Dictionary of English (z.j.). Definitie extreme sports. Washington, van het World Wide Web gehaald op 22 februari 2009: http://dictionary.reference.com/browse/extreme%20sport

* Wijsman, E. (2001). Psychologie en sociologie. Groningen, Noordhoff.

* Wit, J. de (1995). Psychologie van de adolescentie. Baarn, HB.

* Woodman, T., Scanff, C. le (2007). 12th European congress of sport psychology. Why do people engage in high-risk activities? An emotional control model. Symposium 27, paper 1.

* Zuckerman, M. (1994). Behavioral expressions and biosocial bases of sensation seeking. New York, Cambridge University Press.

* Zuckerman, M. (2006). Sensation Seeking and Risky Behavior. Washington, American Psychological Association.

9. Bijlagen
Bijlage I Onderzoeksopzet
Eenheid

De respondenten

Jongeren van 14 t/m 16 jaar uit gemeente Oss.

De onderzoekpopulatie

Het totaal aantal jongeren van 10 tot 15 jaar uit gemeente Oss is 4665. Het totaal aantal jongeren van 15 tot 20 jaar uit gemeente Oss is 4795. Opgeteld zijn er 9460 aantal jongeren van 10 tot 20 jaar in gemeente Oss (CBS, 2008). De te onderzoeken leeftijdsgroep bestaat ongeveer uit 30% van het vorig aangegeven totaal, dat uitkomt op 2838 jongeren. Hieruit kan worden verondersteld dat het totaal aantal jongeren van 14 t/m 16 jaar uit gemeente Oss niet meer dan 4000 is.

In het voortgezet onderwijs in de gemeente Oss zit 56% van de jongeren op het HAVO/ VWO, en 44% op het VMBO (gemeente Oss, 2009). Het is van belang om een soortgelijke verdeling te krijgen in het schoolniveau van de respondenten om een betrouwbaar beeld te krijgen van de jongeren in het voorgezet onderwijs in gemeente Oss.

Grootte steekproef

Er is gekozen voor een betrouwbaarheidsmarge van 90% en een steekproefmarge van 5% bij een populatiegrootte van 4000. Dit betekent dat er minimaal 254 enquêtes moeten worden afgenomen.

(www.allesovermarktonderzoek.nl)
Plaats en tijd

Methode onderzoek

Kwantitatief - enquête

Plaats en tijd

- Tijd: 11-01-‘10 t/m 22-01-‘10

- Middelbare scholen in het voortgezet onderwijs in gemeente Oss

- Er wordt op verschillende middelbare scholen in het voortgezet onderwijs tijdens lesuren in klassen gevraagd of de leerlingen een enquête willen invullen. De deelnemende scholen krijgen een kopie van het onderzoeksrapport.

Scholen

* Het Mondriaan College Oss

- Goedgekeurd door Dhr. T. van den Hoogen

- Contactpersoon: Dhr. T. van den Hoogen

- Functie contactpersoon: Teamleider VMBO- afdeling

- Tijd: in week 2 2010: 15 minuten aan het begin van de lessen tijdens lesuren

- Wie: leerlingen van zowel VMBO als HAVO en VWO

- Totaal aantal leerlingen: +/- 1400 leerlingen

- Aantal af te nemen enquêtes: 146 binnen het HAVO/ VWO (56% van 261), en 55 binnen het VMBO

· Hooghuislyceum Ravenstein (gemeente Oss)

- Goedgekeurd door Dhr. T. van de Broek

- Contactpersoon: Dhr. T. van de Broek

- Functie contactpersoon: Locatiemanager

- Tijd: in week 3 2010: 15 minuten aan het begin van de lessen tijdens lesuren

- Wie: leerlingen van het VMBO

- Totaal aantal leerlingen: +/- 350

- Aantal af te nemen enquêtes: 60

Onderzoeksdimensies/ operationalisering naar indicatoren en vragen naar vragenlijst

- Bewegen

- Interesses

- Motivaties

Onderzoeksvragen

1. Bewegen jongeren van 14 t/m 16 jaar uit de gemeente Oss voldoende volgens de Nederlandse norm gezond bewegen?

2. Waar liggen de interesses van jongeren van 14 t/m 16 jaar uit de gemeente Oss m.b.t. vrijetijdsbesteding en sport?

3. In hoeverre zijn jongeren van 14 t/m 16 jaar uit gemeente Oss gemotiveerd deel te nemen aan risicosporten?
Eigenschap

Beschrijvend onderzoek.
Technieken

Type onderzoek

Enquete (zelfstandig in te vullen)

Onderzoeksmethode

Kwantitatief (gesloten vrage

Bijlage II Definitieve vragenlijst

Beste leerling,

Het doel van deze enquête is meer te weten komen over de motivaties van jouw om deel te nemen aan risicosporten. De enquête bestaat uit een interesse, motivatie- en beweegtest.

In deze enquête zal gebruik worden gemaakt van meerdere antwoordcategorieën. Elke vraag zal bestaan uit 2 tot 6 keuzemogelijkheden.

Geef in de enquête aan welke van de keuzes het beste bij jou past of op jou van toepassing is door in het rondje hiervoor een kruisje te zetten. Er is slechts één antwoord per vraag mogelijk.

In de vragenlijst zal vaak het begrip ‘'risicosporten'' voorkomen. Dit zijn sportactiviteiten met een grotere kans op gevaarlijke situaties. Voorbeelden van risicosporten zijn golfsurfen, klimmen, skiën/ snowboarden, mountainbiken, kanoën, skaten/ skateboarden, BMX- fietsen etc.

Het kan zijn dat je een vraag niet bij je vindt passen. Probeer dan toch het antwoord aan te kruisen dat het best voor jou van toepassing is. Het is belangrijk dat je geen vragen overslaat. Wanneer je een kruisje hebt gezet bij een keuze en je denkt dat een andere keuze toch beter bij je past, maak het verkeerd aangekruiste vakje dan helemaal zwart, en zet een nieuw kruisje bij de juiste keuze.

Ik ben geïnteresseerd wat jij van iets vindt. Geef een eerlijk beeld van jezelf. Er zijn geen goede of foute antwoorden mogelijk.

Alvast bedankt voor het invullen!!

Jasper van den Hoogen

Student Fontys Sporthogeschool

Algemeen

1. Wat is je leeftijd?

(als je ouder of jonger bent dan de aangegeven leeftijden hoef je de enquête niet in te vullen)

o 14

o 15

o 16

2. Ik ben een

o Jongen

o Meisje

3. Welke schoolniveau doe je?

o VMBO basis beroepsgerichte leerweg

o VMBO kader beroepsgerichte leerweg

o VMBO gemengde leerweg

o VMBO theoretische leerweg

o HAVO

o VWO

Interesse test

1.

o Ik zou vaak willen dat ik een bergbeklimmer was

o Ik snap mensen niet die hun leven riskeren om bergen te beklimmen

2.

o Er zijn een aantal films welke ik leuk vind om een tweede of zelfs een derde keer te zien

o Ik kan het niet uitstaan om een film te zien welke ik al eerder gezien heb

3.

o A: Ik raak verveeld bij het zien van dezelfde bekende gezichten

o B: Ik hou van de bekende gezichten van dagelijkse vrienden

4.

o A: Ik hou van ‘wilde' ongeremde feestjes

o B: Ik hou meer van stille feestjes met een goed gesprek

5.

o Ik vind het leuk om in mijn eentje een onbekende stad of deel van een stad te verkennen, zelfs als dit betekent dat ik verdwaal

o Ik heb liever een gids wanneer ik in een stad ben die ik niet goed ken

6.

o Ik vind mensen die dingen doen of zeggen alleen om andere te shockeren of van streek te brengen niet leuk

o Wanneer je bijna alles kan voorspellen van wat een persoon zal gaan doen of zeggen dan moet hij of zij wel saai zijn

7.

o Ik zou het leuk vinden om de sport waterskiën op te pakken

o Ik zou het niet leuk vinden om de sport waterskiën op te pakken

8.

o Ik vind het leuk om home video's, video's of vakantiefoto's te kijken

o Kijken naar iemands home video's, video's of vakantiefoto's vind ik verschrikkelijk saai

9.

o Ik ben niet geïnteresseerd in een ervaring omwille van de ervaring zelf

o Ik vind het leuk om nieuwe en opwindende ervaringen en sensaties te hebben zelfs als deze een beetje beangstigend of illegaal zijn

10.

o Ik vind het meestal niet leuk om een film of toneelstuk te zien waarbij ik van tevoren kan voorspellen wat er gaat gebeuren

o Ik vind het niet erg om een film of toneelstuk te zien waarbij ik van tevoren kan voorspellen wat er gaat gebeuren

11.

o Een verstandig persoon vermijdt activiteiten die gevaarlijk zijn

o Ik vind het soms leuk om dingen te doen die een beetje eng zijn

12.

o Ik zou het leuk vinden om een vliegtuig te leren besturen

o Ik zou het niet leuk vinden om een vliegtuig te leren besturen

13.

o Ik prefereer de ‘down to earth' soorten mensen als vrienden

o Ik zou het leuk vinden om vrienden te maken in de buitenliggende groepen zoals kunstenaars en punkers

14.

o Veel drinken ruïneert vaak een feestje omdat sommige mensen luidruchtig en onstuimig worden

o De glazen vol houden is de sleutel tot een goed feest

15.

o Ik zou het leuk vinden om op reis te gaan zonder een van tevoren geplande of definitieve route of tijdschema.

o Wanneer ik op reis ga vind ik het fijn om mijn route en tijdschema redelijk zorgvuldig te plannen

16.

o Ik vind het leuk om nieuw voedsel te proberen welke ik nog nooit eerder geproefd heb

o Ik bestel de gerechten waarmee ik bekend ben om zo teleurstelling en onplezierigheid te voorkomen

17.

o Ik voel me het beste naar het nemen van een aantal alcoholische drankjes

o Er is iets fout met mensen die drank nodig hebben om zich goed te voelen

18.

o Mensen zouden zich moeten kleden naar een bepaalde standaard van smaak, netheid en stijl

o Mensen zouden zich op een individuele manier moeten kleden zelfs als het resultaat soms wat raar is

19.

o Ik zou het leuk vinden om golfsurfen te proberen

o Ik zou het niet leuk vinden om golfsurfen te proberen

o Ik vind ‘swingers' (mensen die ongeremd en vrij zijn op het gebied van seks) niet leuk

o Ik geniet van het gezelschap van echte ‘swingers' Motivatietest

4. Ik heb deelgenomen aan risicosporten.

o Nooit

o Één maal

o Eens in de aantal jaren

5. Ik heb interesse om deel te nemen aan een risicosport.

o Ja

o Nee

o Misschien

6. Ik doe/ zou deel willen nemen aan risicosporten omdat ik graag nieuwe dingen wil ervaren.

o Niet/ geen

o In geringe mate

o Neutraal/ gemiddeld

o In redelijke mate

o In zeer sterke mate

7. Ik doe/ zou deel willen nemen aan risicosporten omdat ik mijzelf hier graag in wil verbeteren.

o Niet/ geen

o In geringe mate

o Neutraal/ gemiddeld

o In redelijke mate

o In zeer sterke mate

8. Ik doe/ zou deel willen nemen aan risicosporten omdat ik mij daar aan wil identificeren.

o Niet/ geen

o In geringe mate

o Neutraal/ gemiddeld

o In redelijke mate

o In zeer sterke mate

9. Ik doe/ zou deel willen nemen aan risicosporten omdat de subcultuur en leefwijze die hier aan verbonden is mij erg aanspreekt.

o Niet/ geen

o In geringe mate

o Neutraal/ gemiddeld

o In redelijke mate

o In zeer sterke mate

10. Ik doe/ zou deel willen nemen aan risicosporten omdat vrienden/ kennissen dit ook doen.

o Niet/ geen

o In geringe mate

o Neutraal/ gemiddeld

o In redelijke mate

o In zeer sterke mate

11. Ik zou graag een keer deel willen nemen aan risicosporten omdat vrienden/ kennissen hier erg positief over zijn.

o Niet/ geen

o In geringe mate

o Neutraal/ gemiddeld

o In redelijke mate

o In zeer sterke mate

12. Ik doe/ zou deel willen nemen aan risicosporten omdat ik mijn angsten graag wil overwinnen.

o Niet/ geen

o In geringe mate

o Neutraal/ gemiddeld

o In redelijke mate

o In zeer sterke mate

13. Ik doe/ zou deel willen nemen aan risicosporten omdat ik behoefte heb mij van het dagelijks leven af te wenden.

o Niet/ geen

o In geringe mate

o Neutraal/ gemiddeld

o In redelijke mate

o In zeer sterke mate

14. De kans op gevaarlijke situaties die voor kunnen komen bij risicosporten beïnvloed de keuze of ik deel wil nemen aan deze sporten negatief.

o Niet/ geen

o In geringe mate

o Neutraal/ gemiddeld

o In redelijke mate

o In zeer sterke mate

15. Dat er bij risicosporten de kans bestaat op gevaarlijke situaties vind ik juist aantrekkelijk.

o Niet/ geen

o In geringe mate

o Neutraal/ gemiddeld

o In redelijke mate

o In zeer sterke mate

De volgende vragen alleen invullen als je al ooit een keer hebt deelgenomen aan risicosporten.

16. Ik doe aan risicosporten omdat ik de sport als erg plezierig ervaar.

o Niet/ geen

o In geringe mate

o Neutraal/ gemiddeld

o In redelijke mate

o In zeer sterke mate

17. Ik betaal graag iets meer voor deelname aan risicosporten in plaats van deel te nemen aan de goedkopere traditionele sporten.

o Niet/ geen

o In geringe mate

o Neutraal/ gemiddeld

o In redelijke mate

o In zeer sterke mate

18. Ik doe liever deelnemen aan risicosporten dan aan traditionele sporten.

o Niet/ geen

o In geringe mate

o Neutraal/ gemiddeld

o In redelijke mate

o In zeer sterke mate

19. Als ik tegen problemen aan loop in dagelijks leven zoek ik uitdagingen op in vorm van risicosporten.

o Niet/ geen

o In geringe mate

o Neutraal/ gemiddeld

o In redelijke mate

o In zeer sterke mate

Beweegtest

De volgende vragen gaan over lichaamsbeweging, zoals bijvoorbeeld wandelen of fietsen, sporten of bewegen op school. Het gaat om alle lichaamsbeweging die tenminste even inspannend is als stevig doorlopen op fietsen:

1. Hoeveel dagen per week in de ZOMER heb jij tenminste 30 minuten per dag zulke lichaamsbeweging?

...............................

2. Hoeveel dagen per week in de WINTER heb jij tenminste 30 minuten per dag zulke lichaamsbeweging?

...............................

3. Hoeveel dagen per week in de ZOMER heb jij tenminste 60 minuten per dag zulke lichaamsbeweging?

.................................

4. Hoeveel dagen per week in de WINTER heb jij tenminste 60 minuten per dag zulke lichaamsbeweging?

................................

Writing Services

Essay Writing
Service

Find out how the very best essay writing service can help you accomplish more and achieve higher marks today.

Assignment Writing Service

From complicated assignments to tricky tasks, our experts can tackle virtually any question thrown at them.

Dissertation Writing Service

A dissertation (also known as a thesis or research project) is probably the most important piece of work for any student! From full dissertations to individual chapters, we’re on hand to support you.

Coursework Writing Service

Our expert qualified writers can help you get your coursework right first time, every time.

Dissertation Proposal Service

The first step to completing a dissertation is to create a proposal that talks about what you wish to do. Our experts can design suitable methodologies - perfect to help you get started with a dissertation.

Report Writing
Service

Reports for any audience. Perfectly structured, professionally written, and tailored to suit your exact requirements.

Essay Skeleton Answer Service

If you’re just looking for some help to get started on an essay, our outline service provides you with a perfect essay plan.

Marking & Proofreading Service

Not sure if your work is hitting the mark? Struggling to get feedback from your lecturer? Our premium marking service was created just for you - get the feedback you deserve now.

Exam Revision
Service

Exams can be one of the most stressful experiences you’ll ever have! Revision is key, and we’re here to help. With custom created revision notes and exam answers, you’ll never feel underprepared again.