In dit hoofdstuk gaan we uitzoeken waarom mensen zeerovers werden in de tijd 1400 v. Christus tot 500 na Christus. Voorheen waren er nog amper activiteiten van zeerovers, maar ineens rond 1400 v. Christus begon zeeroverij langzamerhand aan zijn opmars.

Waarom werden mensen zeerover in de Oudheid?

De oorsprong van de piraterij valt samen met het begin van de scheepvaart. Met de steeds verder uitbreidende overzeese handelsvaart breidde zeeroverij zich snel uit. Vijftien eeuwen lang hebben handel en scheepsvaart kunnen bestaan, voordat het eerste zeeroversschip zijn haven verliet. Het was toen nog rustig op zee, de zee was zo groot en de mogelijkheden waren zo veelzijdig, dat men elkaar niet hoefde dwars te zitten.

Het verschil tussen het leven op het vaste land en zeerover zijn is groot. Als zeerover had je absolute vrijheid. Je leefde niet onder strenge regels, want je was je eigen baas en hield daardoor de touwtjes in eigen handen. Er was niemand die jou de les kon lezen, zelfs niet de kapitein want de besluiten werden met de hele groep gemaakt. De groepen waren klein, waarin iedereen dezelfde rechten had. Hij wou zijn eigen groep uitkiezen, en elk moment de keuze kunnen maken om de groep te verlaten. De dag zag er elke dag weer anders uit, omdat de echte piraat van afwisseling hield.

De zee was oncontroleerbaar. Hierdoor je eigen gang kon gaan, en niet hoefde te leven naar het modelgedrag van de steden en staten. Alle piraten hadden ergens iets gemeens in hun karakter. Ze hadden andere opvattingen over het leven en andere droombeelden en verlangens. Hun verlangen was om op zee rond te zwerven en nu en dan aan land te komen om buit te verkopen, voorraden in te slaan en in de kroegen toch de vrouwen te beminnen. Daarna kwam toch snel weer het verlangen om terug de zee op te gaan.

Jason was de eerste met name bekende zeerover uit de geschiedenis. Jason kreeg van de koning de opdracht om Het Gulden Vlies te halen. Dit was de zwaar bewaakte schat van koning Aietes van Klochis, wat uiteindelijk het doel van de reis was. Wat later meer bekend stond als pure zeeroverij! Jason haalde alle (stout)moedigste avonturiers en vechtersbazen uit Griekenland en verzamelde al gauw 55 man. Het schip voer weg uit de haven en op het eerste eiland waar ze aankwamen, ontstond gelijk al het eerste bloedige gevecht. De eilandbewoners kwamen aangerend in de veronderstelling dat er zeerovers aangespoeld waren. Dit bleek achteraf een grote vergissing, en het bewijst maar weer dat men vroeger niemand vertrouwde die van zee kwam, en er liever meteen op los sloeg in plaats van eerst naar je naam te vragen.

De zeevolkeren waren één van de eerste zeerovers rond 1200 v. Christus. Ze kwamen uit het Middellandse zeegebied, ze zorgde samen voor heel wat politieke onrust. Deze zeevaarders werden ook wel de Doriërs genoemd, en begonnen hun slag bij Griekenland. Rond 1800 v. Christus trokken uit het Noorden stammende volkeren het Middellandse Zeegebied binnen en vestigde zich in Griekenland. Het waren wilde, roofzuchtige volksstammen die leergierig, snel van begrip en erg arme mensen waren, maar met het voornemen om snel rijk te worden, slechts uit op eigen gewin. Het beste bewijs dat dit volk heeft bestaan is te zien in de tempel in Karnak, en de graftombe van Rameses III in Medinet Habu. Deze inscripties laten ons zien dat er een grote zeeslag heeft plaats gevonden in 1186 v. Christus bij de Nijl. De inscripties in de tempel

De Grieken werden door de Romeinen veroverd rond het jaar 146 v. Christus. De Romeinen verwoesten het Carthaagse Rijk. Carthago, provincie van Afrika, werd een onderdeel van het Romeinse Rijk. De verslagen Grieken waren wel sterker als de Romeinen op zee. Ze hadden veel verstand van de zeevaart, in tegenstelling tot de Romeinen. De Romeinen lieten het vervoer op zee over aan de volkeren die onder hun macht dienden. Zij vervoerden enorme hoeveelheden voedsel, kostbare oosterse waren en luxe goederen heen en weer naar de Romeinse rijksdelen.

Uit Sicilië kwamen nu ook zeerovers op. Ze trokken met kleine boten langs de eilandjes van Griekenland. Dit leverde zoveel op dat ze hierdoor machtiger werden en in aantal toenamen. In de eerste eeuw voor Christus bereikten ze hun hoogtepunt. Dit kwam doordat Rome in een burgeroorlog zat. De zeerovers konden hier volop van profiteren, ze gingen volledig hun gang.

Hoe zag het leven van een zeerover eruit in de Oudheid?

Democratie

Over het algemeen was er op het piratendek een soort van democratie. De beslissingen werden in ieder geval samen genomen. De plannen werden met de hele groep gesmeed. Soms werd er gestemd. Als de minderheid het niet met de beslissing eens was, hadden zij de mogelijkheid om de groep te verlaten en een eigen piratenclubje te stichten. Geen enkele piratenkapitein kon zijn wil aan de rest van de bemanning opdringen. Het zijn ten slotte piraten. Ze zijn ook deels piraat geworden omdat niet meer wilden dat hen regels werden opgelegd. Als de kapitein toch zijn eigen wil door dreef, had hij een grote kans door zijn bemanning verlaten te worden. Alleen tijdens een achtervolging of entering mocht de kapitein zijn bevel laten gelden.

Slimme listen

Zeerovers zijn minder bloeddorstig als je denkt. Ze willen hun doel niet door middel van vechten bereiken. Hoewel dit er toch wel af en toe bij komt kijken zijn ze het liefst voor een vreedzame strijd. Dit lukte ook vaak want schepen gaven zich al snel over als ze een piratenschip in zicht hadden. De piraten waren vaak sluw. Ze waren een groots fan van de verrassingsaanval. Deze verrassingsaanval had vaak veel effect want het bezorgde de slachtoffers al zo'n grote schrik dat ze aan de grond stonden genageld. Ook was de piratenvlag een bekend middel. Ze hezen niet meteen de piratenvlag. Als er een schip naderde met een franse nationaliteit , hezen de piraten de Franse vlag. Hiermee vermoedde het schip wat de piraten wouden overvallen nog helemaal niks. De piraten naderde en vroegen soms zelfs nog met een simpele smoes om een tonnetje water. Om vervolgens met veel lawaai het schip te overvallen. De slachtoffers wisten in dit geval meestal ook niet wat hen overkwam, en gaven zich hierdoor snel over. De piraten waren altijd uit op een snelle overgave. Ze waren dan wel in de minderheid, maar door hun angstaanjagende gedrag deerde dit niet.

Piraten aan wal

Nadat de piraten een rooftocht op zee hadden gehad, waren ze hard toe aan ontspanning. Deze ontspanning vonden ze op het land, vooral in de vorm van drank. Ook waren ze niet vies van de vrouwen. Ze maakten de mensen aan het land rijk want ze gaven veel geld uit aan gokken, rum, wijn en verder voedsel. Ze gaven al het geld wat ze met hun rooftochten hadden verdiend, gelijk dan ook weer allemaal uit. Het leven op het land was voor de piraten een pleziertje. Maar er moest ook nog gewerkt worden. Ze moesten nieuwe goederen inladen, onder andere water en voedsel. Ook het schip had enig onderhoud nodig. Want na een lange reis zat er aan de bodem allemaal zeewier en puin gehecht. Als ze het schip droog lieten vallen, konden ze dit er afkrabben. Ook was er na een gevecht meestal enige schade aangericht. Deze schade konden ze ook aan het land herstellen.

De Cillicische piraten hebben een heuse piratenstaat gehad op de zuidkust van Turkije, Sicilië.

Schepen

Wat meestal verwacht wordt is dat de piraten op grote schepen voeren. Maar in tegendeel, de piraten gaven de voorkeur aan kleine schepen. Kleine schepen waren handig omdat je jezelf er snel mee kon verplaatsen, het makkelijk te verstoppen was en je niet snel vast kwam te zitten in ondiep water. Schepen moesten aan twee dingen voldoen, in elk werelddeel en tijdperk. De schepen moesten snelheid hebben en wendbaar zijn.

Van de zeevolkeren is bekend dat zij op lichte, dunne en kleine schepen voeren.

De schepen van

het oude Egypte

De Romeinen voeren op het vroege prototype van galeien. Deze galeien hadden twee rijen met riemen. Ook voeren ze op lembussen. Dit waren een soort vissersschepen. Het had geen riemen en zeilen. Hij was smal en licht, waardoor het een makkelijk manoeuvreerbaar oorlogsschip. In totaal kon hij vijftig man dragen. Ook werd er gevaren op een drakoforos en een levut. Deze schepen hadden zeer waarschijnlijk dierenkoppen aan het kop van het schip. De trireme en bireme waren ook schepen die in deze tijd veel voorkwamen. Er konden veel mannen inzitten en was soms wel tachtig meter lang. Het had een groot vierkant zeil.

Romeinse galei

Wapens

Ook de wapens verschillen per werelddeel en tijdperk. De technologische vooruitgang speelt hierin een grote rol.

In de Oudheid werd er gevochten met messen, dolken, lansen, pijl en boog, bootshaken en strijdbijlen. Bijlen werden alleen gebruikt om langs de wanden van een hoog schip jezelf omhoog te hijsen en de zeilen en het touwwerk stuk te slaan. Voordat ze aan boord gingen werden er vaak Griekse vuurbommen op het dek gegooid. Hierna werd er gebruik gemaakt van de korte las. Dit was een kort, vlijmscherp en krom zwaard. Het had een eenzijdig scherp lemmet om op de vijand in te hakken, maar je kon er ook prima mee steken. Het was eigenlijk de opvolger van de jachtmessen. Als aanvulling kwam een dolk in de gordel erbij, of nog in de andere hand. Met de langere degens en sabels vochten de piraten niet want je kan jezelf indenken dat dit niet verstandig was met al het touwwerk om je heen. Ook was het zogenaamde Griekse vuur heel bekend. Het ontbrandbare mengsel werd in vuurpotten verwerkt. Het werd met een pomp naar de vijand gespoten. Dit was een mengsel van brandende olie en teer. De zeevolkeren gaven de voorkeur aan lange zwaarden, helmen en pijl en boog.

Het Griekse vuur

Vlaggen

Als je denkt aan een piratenvlag denk je al snel aan de zwarte vlag me een doodskop. Nou is deze vlag niet kenmerkend voor de piraten voor 1700. De piraten voor 1700 vaarden met een rode vlag, ook wel de Jolly Roger genoemd. Deze naam komt waarschijnlijk niet van het franse jolie rouge, het vrolijke rood. De naam komt waarschijnlijk van het woord Roger. Deze term is uit Engeland afkomstig en staat voor de seksuele gemeenschap. Deze naam is meer waarschijnlijk omdat van piraten bekend was dat ze vrouwelijk gevangenen niet goed behandelde en ze overboord gooide. De rode vlag is waarschijnlijk nog meer gevreesd geweest dan de zwarte vlag met botten. De vlaggen hebben in het begin ook nog wel eens variatie gehad in kleur. Ze varieerden tussen rood, zwart of wit. De kleur wit betekende over het algemeen een achtervolging, waarbij de slachtoffer de kans had zichzelf over te geven. Rood gaf aan dat iedereen die in opstand kwam gedood werd en voor de rest alles werd meegenomen. De zwarte vlag was nog gunstiger want deze betekende dat je nog tijd had om jezelf over te geven, maar er werd vaak wel direct aangevallen. De zwarte vlag had ook nog een andere betekenis. Het kon ook betekenen dat gevangen een kans kregen om te worden bevrijd en meegenomen te worden.

Honger en dorst

Piraten sloegen voordat ze aan een volgende toch begonnen genoeg voedsel in. Piraten namen op zee vaak ingezouten runderen en varkensvlees, gerookte of gepekelde vis, scheepsbeschuit, zuurkool, rozijnen, gedroogde pruimen, erwten, rijst, tonnen met water, vaatjes met granen en sterke drank mee. De varkens die ze meenamen op dek, mestte ze helemaal vet. Lang niet altijd overleefde de varkens het, en gingen ze vroegtijdig onvolgroeid dood. Als de voedselvoorraden er te lang liggen gaat het rotten en schimmelen als het vochtig wordt.

Toch raakt de voedselvoorraad op den duur op. Als deze voedselvoorraad op was gingen de piraten aan land om hem weer bij te vullen. Maar ze hadden niet altijd de mogelijkheid hiertoe. Als de piraten lang van huis weg waren op rooftocht of als de piraten achterna werden gezeten door oorlogsbodems en ze zichzelf een tijdje gedeisd moesten houden. De mannen rookten pijp aan dek. Deze rookten ze om de honger te stillen als ze een aantal dagen geen eten hadden. De een rookt uit een stenen pijp. En de ander neemt snuiftabak wat veiliger was op een houten schip met explosieve aan boord. Ook werden er in tijden van honger de ratten van het dek gevangen. Hiervan werden dan de kop, staart, poten en ingewanden van afgehakt en gevild. Deze kookten ze hierna in water met misschien nog wat rijst en specerijen. In de ergste gevallen aten ze zelfs honden en katten. Of nog erger; bladeren, gras, schoenen en de schedels van de dolken.

Er was een kok mee aan dek. Hij had zijn eigen plekje in de kombuis. Hij beschikt daar over een stenen fornuis. Dit fornuis is draaibaar, aangezien de windrichting ook continue draait. Hij stookt het op met brandhout. Er staat ook altijd een emmer zand bij om de keukenbrandjes snel te kunnen blussen.

Bemanning

Veel mensen denken nog steeds dat het leven op zee een eitje is. Maar in tegendeel, een gevangenis heeft nog meer ruimte en betere voeding, dit volgens Doctor Samuel Johnson die dit ooit aan boord van een houten schip schreef. Het zeemansleven was alles behalve comfortabel. Hij woonde onder het dek in een schemerige ruimte, met ratten en kakkerlakken in overvloed. En ook over het sanitair was geen goed woordje uit te brengen. Het was allemaal erg primitief en overal waren rotte plekken, en de geur van ongewassen lichamen maakte het ook niet veel beter. Van privacy had hij nog nooit gehoord, want met man of tweehonderd per ruimte was dit onmogelijk. Het maakt niet uit of een schip behoorde tot de piraten, de handelaren of de Royal Navy, elk schip had bemanning nodig. De meerderheid van de bemanning bestond uit koopvaarders of kwamen van de marine schepen af. Bijvoorbeeld de matrozen, zij hadden al enige ervaringen met de verschillende rangen aan boord van het schip. En natuurlijk hoe de werking van het vaartuig was. Wanneer een piraat toegetreden was tot de bemanning van het schip, werd ieder lid van de raad. Geen belangrijke beslissingen werden genomen zonder hun toestemming. Natuurlijk had je ook nog de 'speciale' bemanningsleden zoals de koks, kwartiermeester etc. Een kok moest al enige ervaring hebben met koken, en een kwartiermeester moest kunnen rekenen en schrijven. Dit was nodig om de gevangen buit bij te houden, en om iedereen een gelijk deel van het eten en drinken uit te delen. Ook werden de chirurg en muzikanten gezien als zeer gewaardeerde bemanning. Een chirurg was maar zelden aan boord van een schip, hij had daarom ook speciale taken. Zo moest hij naast het verzorgen van de wonden en uitvoeren van amputaties, geslachtsziekten behandelen en besluiten of eten en drinken geschikt was om te consumeren. De bemanning ging onderling heel verschillend met elkaar om. Het werd afgewisseld tussen solidariteit maar toch ook hardheid. Samenwerking was ook een belangrijke eigenschap. Stel je maar voor als je het soms wel duizend kilo zware anker moet binnenhalen, is daar meer mankracht voor nodig. Het vereiste goeie samenwerking wouden ze deze ankers omhoog krijgen. Want als dit niet gebeurde dan kon er zo iemand in het water duvelen. Deze samenwerking gold ook voor de zeilen. Solidariteit was nodig in de levensbedreigende situaties. Als er storm was, moesten een aantal piraten de taak op zich nemen om de gevaarlijke plekken in het want te beklimmen. Door de leefomstandigheden ontstond er ook een groot saamhorigheidgevoel. Maar het constant bij elkaar zijn, leverde ook irritaties op. Je kon er niet op rekenen dat je privacy had. Je zat met een man of 120 in een schip van 25 meter dicht op elkaar. Je ging je snel aan elkaar irriteren, en dan werd er geschreeuwd, gevloekt en ruzie gemaakt. Je moest voor je eigen hachje zorgen. Als je geen bestek meer had, moest je maar zien hoe je het eten wou opeten. Als je geen droge kleding meer had, moest je er niet van uitgaan dat een collega jou een nieuw stel kleding te leen gaf. Om voor jezelf goed te zorgen was er hardheid en onverschilligheid nodig. Er zat dus iets tegenstrijdigs in de omgang met elkaar. Aan de ene kant konden ze op elkaar rekenen als het ging om samenwerking. Maar aan de andere kant leende ze niet eens een paar sokken aan de ander uit. Soms werden sommige bemanningsleden aangewezen voor een taak, bijvoorbeeld voor het schoonmaken van de wapens. De kapitein werd gekozen op basis van ervaring, moed, aanvalslust en zijn kennis van de omgeving en scheepvaartroutes. Hij stond niet hoger dan de andere bemanningsleden, en alleen tijdens een aanval waren de bemanningsleden verplicht om zijn bevelen op te volgen.

Kleding

De kleding van piraten verschilt natuurlijk per tijdperk. Meestal had een bemanningslid slechts één stel kleding. Dit bestond uit een katoenen hemd, een donker gekleurde, warme wijde jas en een wijde katoenen broek, waarin ze zich makkelijk konden bewegen. Ze knoopten een doek om hun hoofd tegen vuil en stof en een halsdoek gebruikten ze voor het zweet. Hun schoenen waren van leer. Wel kon het zijn dat het bemanningslid nog een stel kleren had, deze had hij dan gestolen van een van zijn slachtoffers. Deze kleding verschilde niet van zijn eigen paar zeemanskleding. De piratenkapiteins waren over het algemeen hetzelfde gekleed als de bemanning. Dit was omdat ze op de kleine schepen gemakkelijke kleding droegen, omdat zij net zo goed moesten meehelpen met het werk op dek. Toch waren er ook piraten die zichzelf rijk en modieus wouden kleden. De kleding die zij dan droegen waren vaak afgekeken van de marine of militaire mode. De kleren waren gemaakt van zijde, katoen, damast en brokaat.

Wat waren de consequenties voor buitenstaanders, en hoe ging de overheid om met zeeroverij in de Oudheid? Zeeroverij was zeer gevreesd in de oudheid. De belangrijke steden werden hiervoor extra beschermd. De Grieken hielden bijvoorbeeld zelfs het land aan de kusten bij Noord-Afrika en Sicilië onbebouwd, uit voorzorg.

In 1186 voor Christus heeft er een grote zeeslag plaatsgevonden, waar de zogeheten zeevaarders bij betrokken waren. Hierbij zou Rameses III de zeevolkeren hebben verslagen. Deze zeevolkeren zouden zich nog bij de vijanden van Egypte hebben aangesloten, Libië en Palestina. Maar Rameses III heeft dit al weten tegen te houden voordat ze zelfs een aanval konden uitvoeren. Dit is waarschijnlijk een belangrijk moment geweest, want vanaf dat moment zijn de zeevolkeren vrijwel niet meer genoemd in de geschiedenis.

De Kretenzen die waren een bedreiging voor de Grieken. Het zeilen werd in de Archaïsche tijd, van ongeveer 800 tot 480 voor Christus, als een gevaarlijk beroep gezien. Je kon niet veilig meer de zee op.

Philip V maakte gebruik van de Kretenzen. Philip V was de machthebber van Macedonië. Zijn bondgenoten waren de Kretenzen, Aetolianen en de Spartanen. Hij wou het Griekse eiland Rhodes uitschakelen omdat hij de macht er in handen wou nemen. Rhodes was een bondgenoot van Macedonië. Maar Rhodes was ook een bondgenoot van de Romeinen. De Romeinen waren een grote vijand van Philip. Om Rhodes in te nemen was er wel wat nodig want Rhodes had de grootste en sterkste zeevlot in het Middellandse zeegebied. Hij bedacht hierop dat hij met de hulp van zijn bondgenoten, het eiland zou kunnen uitschakelen op zee. De Kretenzen hadden al ervaring op het gebeid van piraterij. Nu gingen ze met zijn alleen als piraten te werk. De bondgenoten werkten mee omdat ze een groot deel van de winst was beloofd. In 205 voor Christus kwam het ervan omdat de Rhodese op het moment al leidde onder de piraten. Alleen heeft uiteindelijk het eiland Rhodes het overwonnen.

De Rhodesen hadden een code gemaakt in 900 voor Christus. Het Rhodaanse recht van de zee, ook wel lex Rhodia genoemd. Dit recht bevatte bijvoorbeeld dingen over verzending van goederen, rechten en het gedrag van kapiteins, goederen die werden gedumpt en het vrijkopen van piratenschepen. Dit was het recht van de zee.

Op een Griekse vaas uit 400 voor Christus is te zien dat de Grieken de piraten die ze te pakken kregen kielhaalden. De Cillicische piraten roofden niet alleen op de zeeën. Zij vielen ook de dorpjes en steden bij de kust aan. Ze namen de mensen mee als slaven. Alleen de rijkere mensen werden alleen gegijzeld voor een hoge losgeldprijs. Er werden ook mensen mee aan dek genomen die werden gegijzeld op een ander soort manier. Zij kwamen aan dek en er werd aan hen gevraagd of ze Romeinen waren. De piraten vroegen dit omdat ze altijd draak probeerden te steken met de Romeinen. Als ze het antwoord kregen dat het een Romein was vielen ze op de knieën voor hem neer en gedroegen zich nederig tegenover de gegijzelde een poos. Hier werd de Romein overtuigd van de oprechtheid van de piraten. Er werd vervolgens een touwladder uitgehangen waarop de piraten zeiden dat de Romein zijn vrijheid terug kreeg. Hij kreeg dit terug door al tegenstribbelend overboord te springen. Dit ging tijden door, totdat de Romeinse expansie groter werd. Op een gegeven moment hadden de piraten zelfs Julius Caesar gavangen. Hij was op dit moment nog niet aan de macht, en de piraten wisten niet wie zie op dat moment op het dek hadden. Hij werd gegijzeld voor een losbedrag van 20 talenten. Caesar vond dit bespottelijk laag, en verhoogde het naar 50 talenten. Caesar keek totaal niet op tegen de piraten. Hij was meer de leider van de boot, dan de gegijzelde. Als hij bijvoorbeeld wou slapen, en het was luidruchtig op het dek, beval hij de piraten stil te zijn, en ze luisterden. 38 dagen lang was Caesar aan dek. Hij ging met de piraten mee zonder zorgen te hebben. Hij vergezelde de piraten bij alle activiteiten. Hij schreef speeches en gedichten, en las ze voor aan de piraten. Als de piraten ze niet mooi vonden, zei Caesar dat hij ze later zal kruisigen. Toen hij weer op vrije voeten was, ging hij de piraten meteen achterna. Hij vond ze bij hun schuilplaats en de meeste gevangen, 350 piraten. Hij bracht ze naar de gevangenis. Toen vroeg die aan de gouverneur van Azië, of hij mocht zien hoe ze gemarteld werden. De gouverneur moest hierover nadenken. Caesar nam zelf het heft in handen en kruisigde de meeste piraten, zoals hij eerder al weleens tegen hen had gezegd. Alleen omdat de piraten zo vriendelijk tegen hem waren geweest, liet hij eerst de kelen doorsnijden van de piraten.

In de Romeinse tijd was zeeroverij een slechte zaak. Ze probeerden de zeeroverij te bestrijden. De Romeinen waren van huis uit niet de beste zeelieden en wisten niet goed hoe ze het moesten aanpakken. Inmiddels was de zeeroverij wel een groot probleem geworden. De Romeinse handelstransporten kregen namelijk veel te maken met de Cillicische piraten. De zeerovers kwamen van de vijandige volken. De zeerovers blokkeerden de Italiaanse havens, en gingen hierdoor langzamerhand over een eigen zeemacht beschikken. Hierdoor dreigde de Romeinse staat in de eerste eeuw voor Christus ten onder te gaan. Daarom werd in 101 voor Christus de Lex Gabinia de piratis persequendis ingevoerd, dit was de anti-piratenwet . Deze wet hield in dat de piraten niet langer konden handelen met de havens in het Romeinse rijk. Deze wet was als inscriptie gevonden in Delphi. De Senaat moest er iets aan doen, en stelde daarom in 67 voor Christus de veldheer Pompeius aan. Pompeius was een bevelhebber van een enorme vloot. Hij kreeg bij deze aanstelling een zogeheten ''imperium'' aangeboden. Het was de bedoeling dat hij de Middellandse zee ging zuiveren van de piraten. Onder de anti-piratenwet viel zijn werk. Dankzij deze wet kreeg Pompeius vergaande bevoegdheden. Hij kreeg zesduizend talenten, talent was toentertijd de munteenheid. En als militaire krachten kreeg hij 120000 troepen en 500 schepen. Hij kreeg zelfs ook nog het recht om het aantal militairen te verhogen, als hij deze nodig had. De Senaat gaf zo veel aan hem toe, dat het wel aangaf hoe belangrijk de bestrijding piraterij was in deze tijd. Hij verdeelde de Middellandse zee in dertien districten. Bij elk van de districten benoemde hij een bevelhebber. Ze roeide stuk voor stuk de gebieden uit. De piraten die ze gevangen hadden, ondervroegen ze waar de andere piraten zich schuil hielden. Als de piraten eenmaal gevangen waren, gaf hij ze een stuk land om een nieuw leven op te bouwen. Hij dacht voor het uitroeien drie jaren nodig te hebben. Maar het bleek veel gemakkelijker te zijn. Pompeius had binnen drie maanden zelfs al de hele Middellandse zee gezuiverd van de zeerovers. Nu stond de Romeinse handel weer ongehinderd in de bloei. Ze hadden er ook nog eens veel oorlogsbuit aan overgehouden; vierhonderd schepen waren veroverd en dertienhonderd waren vernietigd; 150 piratennesten waren veroverd; tienduizend piraten waren gedood en twintigduizend waren gevangengenomen. Het grootste deel van de buit was voor Pompeius zelf. Maar de piraten bleven toch ook deels bestaan. De gevluchte piraten gingen nu ergens anders heen om hun activiteiten voort te zetten. Ze gingen nu met name naar Pontus. Dit is een kustgebied rond de Zwarte zee bij Pompeius Klein-Azië. Dit gebied werd bestuurd door koning Mithridates. Het gebied is een gevaarlijke vijand van de Romeinen, er waren al twee Mithridatische oorlogen geweest. Nu de gevluchte Cillicische zeerovers naar deze koning waren gevlucht zag hij weer een kans om met hun hulp de Romeinen aan te vallen. Hij sloot bondgenootschappen met de piraten, en viel hierna de Romeinen aan. Maar in 66 voor Christus rekende Pompeius voorgoed met hem af. In 74 voor Christus was koning Mithridates IV nog een opstand begonnen, de Derde Mithridatische oorlog. Maar hij bevond hiermee de dood. Pompeius verenigde de rijken tot Pontus et Bithynia. Het werd een senaatprovincie.

Rond 510 voor Christus was het Romeinse rijk een republiek. In 60 voor Christus werden Pompeius, Crassus en Julius Caesar een driemanschap over het rijk. Crassus sneuvelde al snel. Pompeius en Caesar kregen ruzie. Het einde van de republiek was in zich rond 45 voor Christus bij de Slag bij Munda. Bij de Slag bij Munda had Caesar een grote overwinning geboekt. Caesar versloeg Pompeius, en hiermee kon Caesar alle macht naar zich toetrekken. De zoon van Pompeius, Sextus Pompeius, wilde wraak, en probeerde Caesar te vermoorden. Nadat Caesar, weliswaar door een ander, was vermoord, keerde Sextus terug naar Rome, waar hij heerste over de Romeinse vloot. Maar hij volgde niet zijn vader met het bestrijden van de piraten. Hij stelde zich zelfs op als de piratenaanvoerder. De senaat wist niet wat ze moest doen. Ze besloten met Sextus te gaan onderhandelen. Sextus had het piratenleven ondertussen te veel lief, en ging niet op de onderhandelingen in. Langzamerhand werd hij steeds gedurfder en onvoorzichtiger. Dit heeft hem uiteindelijk zijn leven gekost want ondertussen was de later machtige neef van Caesar aan de macht gekomen, Augustus.

Hoofdstuk 2 De Middeleeuwen

mid·del·eeu·wen de; mv (hist) de periode tussen de oudheid en de nieuwe tijd, m.n. de jaren van 476-1492 n.Chr.

Wij hebben gekozen voor de tijdsperiode van 500 tot 1500. De Middeleeuwen horen in de tijdvakken Tijd van monniken en ridders en Tijd van steden en staten. In de tijd van monniken en ridders horen de Vroege Middeleeuwen die lopen van 500 tot 1000. In de tijd van steden en staten horen de Late en Hoge Middeleeuwen die lopen van 1000 tot 1500. Vandaar dat wij hebben gekozen om deze twee tijdsvakken beide te behandelen in dit hoofdstuk.

Waarom werden mensen zeerovers in de Middeleeuwen?

U heeft deze term vast wel eens gehoord: 'De Vikingen komen!'. Deze term klonk eeuwenlang door heel Europa. Het was een noodkreet. Het woord Viking betekent dat je een zeevaarder bent uit het Scandinavische deel. Het is alleen niet zo, dat als je zeevaarders zag aankomen, ze perse Vikingen waren. Het agrarische volk had last van overbevolking. Dit kwam doordat het mensenaantal in grote getallen toenam, en de monden niet konden worden gevoed met de magere opbrengsten van de weidegronden en akkers. De families vochten tegen elkaar om elk een stuk vruchtbare grond te bemachtigen. Dit ging er hard aan toe, met moord, brandstichting en zelfs doodslag. De zwakkeren vond het de plicht om met elkaar te gaan strijden voor de belangen, omdat ze wisten dat dit niet hielp tegen de overbevolking. Er was geen nieuw land te veroveren omdat de mensen leefden tussen gletsjers en de zee. En dit is de reden waarom het Vikingen zijn geworden. De mensen gingen de zee op om nieuwe kusten te veroveren. Dit was geen moeilijkheid aangezien de mensen altijd omringd zijn geweest met fjorden en meren. Het roven op zee werd voor de mensen een morele plicht. De enige waardige afsluiting van het leven was als je op zee omkwam. 'De Vikingen komen!'

Vanaf het eiland Rügen, het grootste eiland van Duitsland, vertrokken de Slavische zeerovers lange tijd. De Slavische zeerovers waren afkomstig uit Oost-Polen, Wit-Rusland en westelijk Oekraïne. Het waren Kaapvaarders. Ze kaapten de boten van de steeds meer voorkomende koopvaarders uit Nederland, Duitsland en Denemarken. De Slaven waren belangrijke handelspartners van de Vikingen, totdat de Duitsers kwamen. De Duitsers waren niet erg op de onbekende volken gesteld. Ze gingen wonen in Lübeck, Danzig en Truso, waar de Slaven woonden. De Slaven verdrongen zij naar de voorsteden. Alleen de Slaven pikten het niet, dat ze met de nek werden aangekeken door de Duitsers. Als oplossing bedachten de oud handelslieden om dan piraat te worden. Zij werden Ranen genoemd. Vanuit Rügen en de Koerlandse kust maakten zij de handelswegen onveilig. Jarenlang ging dit door, totdat de Denen in 1168 met hun leger en vloot verschenen. Zij deden de zeerovers erg goede voorstellen. Daarvoor moesten ze wel in ruil alle gevangen christenen vrij laten, zich laten dopen en hun voormalig god Swantewit afzweren. Wel waren de zeerovers vrijgesteld van de kerkbelasting. De Ranen gingen in op de voorstellen van de machtige Denen.

Volgens de Deense geschiedschrijver Saxo Grammaticus heeft de Deense koning het bevel gegeven om het afgodsbeeld van de Ranen naar beneden te halen. Dit mocht niet te hardhandig gebeuren, want als het beeld in een keer naar beneden zou vallen en iemand zou pletten zou het de schijn op wekken dat het een teken zou zijn geweest van de afgod. Toen het moment er was, verzamelden alle burgers zich bij elkaar en zagen dat het beeld naar beneden werd gehaald. Uit zijn binnenste ontsnapte de boze geest in het gestalte va een duister dier, wat snel verdween en nooit meer werd terug gezien.

Nadat het Romeinse rijk was gevallen, was er niet meer veel te roven op zee. Totdat in de Italiaanse kuststeden de handel weer gingen bloeien, en er kruistochten kwamen. Er was weer rijke buit op zee. En waar een rijke buit op zee is, zijn zeerovers. Er werd geroofd door de Barbarijse piraten. Deze piraten kwamen van de Noord-Afrikaanse kust. Deze kust werd ook wel de Barbarijse kust genoemd, vernoemd naar de Berbers. De Berbers die in deze streek vroeger rondzwierven. Maar in deze tijd was de kust in handen van moslims die tot de invloedssfeer van de Ottomaanse turken behoorden. Het waren piraten met lange mantels en tulbanden. Veel succes hadden ze niet, Spanje en Frankrijk waren nog te sterk. Maar hier kwam verandering in. De Spaanse moslims, ook wel Moren genoemd, werden verjaagd door de Spaanse koning Ferdinand uit Spanje. De mannen vluchten naar Afrika. Ze waren hier woest over. Ze waren al hun bezittingen verloren. Dit pikten ze niet. De strijd tegen de westerse staten, de strijd tussen de islam en het christendom ontstond, de Heilige oorlog. Ze bouwden betere en snellere schepen, en trainden hun bemanning. Ze sloten verbonden met alle moslimheersers van de Afrikaanse kusten. Zo hadden ze veilige toevluchtshavens waar ze ook hun buit kwijt konden. Van deze zeerovers kreeg de rest van de wereld in de eeuwen erna nog veel te horen. Het is alleen in dit hoofdstuk geplaatst omdat deze zeeroversbende in de Middeleeuwen is ontstaan.

Een bekende Moorse zeerover is Barbarossa, van 1475 tot 1546. Hij werd ook wel Roodbaard genoemd want zijn haren en baard waren vlammend rood. Hij werd de kopman van Aegeïsche zee. Hij kreeg veel aanhangers om naar de Middellandse zee te varen. Zoveel dat het er binnen de kortste keren wemelde van zeerovers.

Roodbaard

De succesvolste en belangrijkste zeerover vanuit Duitsland was Roger de Flor. Hij was geboren in het jaar 1267. Zijn vader Blum, trok met de koning Konradin over de Alpen naar het zuiden. Blum sneuvelde in de slag tegen Charles d'Anjou. Rüdiger, later Roger de Flor genoemd, was nu alleen en leefde daarom in armoede op. Hij zwierf op zijn tiende rond op de havens van Palermo. Hij kreeg daar een baan als scheepsjongen aangeboden op een vrachtschip van de Tempeliers . Op zijn vijftiende werd hij matroos en op zijn twintigste ridder van de Orde der Tempeliers. In 1291 kreeg hij de opdracht om Akkon zijn burgers te evacueren en naar Marseille over te brengen omdat de Mamelukken het laatste christelijke stadje in Palestina veroverden. De burgers die hij moest evacueren waren opvallend vaak de dames uit de betere kringen. Deze dames wouden hun juwelen bij hem in veiligheid brengen. Dit gebeurde toch niet, ook al zaten de juwelen voor de veiligheid in ijzeren schatkisten. De Flor zette de vrouwen netjes aan wal, alleen zonder de kostbaarheden. Hij kon de verleiding niet weerstaan. Snel erna trok hij koers naar Genua, waar ook veel kostbaarheden te vinden waren. Daar kwam hij soortgelijke compagnons tegen. Alle compagnons, ook Roger de Flor, waren christelijk. Daarom vielen ze alleen de Saraceense schepen aan, om hun geweten te sussen. Toch bleef het hier niet bij, en veroverde hij later ook christelijke kustplaatsen. De Flor maakte veel mee en werd steeds machtiger. Hij stierf zelfs in 1305 onder de naam Caesar. Deze titel was al in 400 jaar aan niemand meer verleend. Roger de Flor

Het Hanzeverbond trok veel zeerovers aan. Hierover is meer te lezen bij deelvraag drie van dit hoofdstuk.

Een ander typisch piratenverhaal, is het verhaal van de Clissons. De Engelse en Fransen waren erfvijanden van elkaar. De Franse baron Olivier de Clisson had in Nantes zijn mening al een aantaal keer duidelijk verkondigd. Hij vond dat in Engeland niet uitsluitend heidenen en brandstichters woonden, maar ook nog fatsoenlijke, christelijke medemensen. Dit pikte het hof in Parijs niet, en daarom werd hij naar Parijs overgebracht en voor het gerecht gesleept. Hij werd beschuldigd van hoogverraad en werd daarom in 1407 onthoofd. Zijn hoofd werd weer teruggestuurd naar Nantes. Het hoofd werd opgehangen boven de stadspoort voor de rest van de bewoners.

Jeanne, de weduwe van de baron, kon het niet verkroppen en broedde daarom op wraak. Jeanne kwam uit een rijke familie, van het geslacht Belleville. Ze bezat landerijen, juwelen en een kasteel. Alleen dit verkocht zij allemaal. Van het geld wat ze nog had kocht zij drie schepen en een ruige bemanning die bereid was zich door een vrouw te laten bevelen. De barones zeilde de Loire of naar zee. Langs de Franse havens werden er angstaanjagende berichten verzonden over moordende aanvallen, platgebrande pakhuizen, bloedige slachtpartijen en het genadeloos tot zinken brengen van niets vermoedende schepen. De barones haar wraak! Na een poosje lag de zeehandel een paar maanden lang stil tussen de Loire en Seine. Oorlogsschepen werden uitgezonden om de barones te pakken. Deze kwamen alleen nooit meer terug. De bewoners van de kuststeden en dorpen vertrokken en de werven werden stilgelegd. De economie langs de Franse kust driegde in te stortte. Totdat ze op een dag verdween, en nooit meer boven water kwam.

Hoe zag het leven van een zeerover er uit in de Middeleeuwen?

Honger en dorst

Al jaren word er verteld dat er vroeger bij de Vikingen gebruik werd gemaakt van mensenschedels als drinkbekers, maar dit is een mythe. Het waren de hoornen waar vroeger uit gedronken werd.

Wat honger en dorst allemaal wel niet met je kan doen weet de Hollandse Barbarijse zeerover Claes Compaen. Rond 1625 bevoer hij de wateren. Hij had ooit een paar van zijn schepen verkocht in ruil voor een paar zakken erwten. Hij zei daarop 'Beter een schip kwijt dan honger lijden.' Ook heeft hij ooit in de Middellandse zee een Spaans kustfort bestormd. Zijn mannen moesten me de wapens boven de hoofden wadend door het water aan land komen. Het kustfort deed een tegenaanval waarbij zoveel gewonden vielen, dat de piraten weer terug naar hun schepen vluchten. Bij dit vluchten verdronken en sneuvelden weer veel piraten. Claes zelf was als een van de laatste nog leven in het water. Zijn tamboer kon niet zwemmen, daarom bond Claes hem op zijn trommel, en trok hem door het water naar het schip. Toch waren er veel bemanningsleden verongelukt. Dit alles voor honger.

Bemanning

Het plaatje van vieze wilden mannen in relatie tot de Vikingen is nergens op gebaseerd. Ze gebruikten erg veel voorwerpen om zichzelf schoon te houden, vooral het kammen van het haar kwam veel bij hen voor. De Vikingen gebruikten zelfs zeep lang voordat het in Europa werd geïntroduceerd, en gingen ze een keer in de week in bad.

Na een gevecht maakten de Vikingen altijd een gedenkteken van steen of hout. Dit deden ze om te laten dat zij de beste waren. Ook werden er stenen gemaakt als er iemand overleden was, en soms werd er dan een 'tekst' op de stenen geschreven, deze letters heten runen. Deze stenen zijn nog steeds terug te vinden in Noorwegen, Zweden en Denemarken.

In hun vrije tijd luisterden Vikingen graag naar verhalen, tijdens feestelijke bijeenkomsten vertelde de 'Vikingdichter' ook wel skald genoemd, verhalen en gedichten over de goden, koningen en helden. Deze verhalen zijn beter bekend als sagen, sagen zijn in tegenstelling tot legendes verhalen over echte mensen. De Vikingen gaven al hun verhalen eeuwenlang aan elkaar door. Pas na de tijd van de Vikingen, rond de dertiende eeuw, werden de verhalen opgeschreven.

Schepen

Vroeger gebruikten men de schepen niet alleen als zeevoertuig maar ook als graf. Het was een gewoonte dat als de hoofdman kwam te overlijden, dat ook een van zijn slaven zou moeten sterven. Deze slaaf werd dan 10 dagen verzorgd door twee bedienden, terwijl de hoofdman tijdelijk in een graf lag. Ondertussen werden er voor hem allerlei speciale kleren gemaakt. Wanneer de begrafenis van start ging, werd de boot van de hoofdman aan land gesleept, en op een stapel hout gelegd. Op deze boot werd dan een tent gezet, en er werden allerlei kleden en kussen uitgespreid. Het lijk werd weer opgehaald, werd aan gekleed met de speciale kleren en dan in de tent gelegd. Vervolgens werden twee koeien, twee paarden, een haan, kip en een hond voor hem gedood en bij hem neer gelegd. De slaaf werd hierna opgetild zodat hij/zij over een houten raamwerk heen kon kijken, werd daarna naar het schip terug gebracht, dronk wat van een sterke drank en zong ten afscheid een lied en werd daarna gedood. Het schip werd daarna in de brand gezet. Boven op de gravelheuvel die volledig bedekt was met as, werd een paal met de naam van de dode gezet.

Er werd natuurlijk ook gewoon gevaren met de boten van de Vikingen. De Vikingen waren de eersten die zeilen op hun boten gebruikten. Maar als er geen wind stond moesten ze alsnog zelf roeien. De Vikingen waren erg tevreden met hun schepen, als je vroeger een Viking zou hebben gevraagd wat hij het liefst zou willen hebben, zou hij waarschijnlijk geantwoord hebben dat hij een schip wou. Kinderen werd al vanaf jongs af aan ingegoten hoe ze moesten varen.

De bouw van de schepen was simpel, ze moesten snel en stevig zijn zodat ze goed tegen de golven op konden varen. Het meest geschikte materiaal hiervoor was hout. Ook moesten ze klein genoeg zijn om in ondiepe wateren niet te blijven haken achter rotsen die op de bodem lagen. Vroeger waren er verschillende soorten boten, je had een rivierboot, een veerboot, het Vikingenschip zelf, en de Knorr. De Knorr is een stevig gebouwd schip wat gebruikt werd om ruwe zeeën te weerstaan en zo vracht te vervoeren. Het was geen schip met grote angstaanjagende draken of slangen koppen op de boeg, het was meer voor vredelievende doeleinden in gebruik. De rivierboot is een werkbootje waarop je een zeil kunt hijsen maar wat verder erg klein is. De veerboot is erg breed gebouwd en ondiep. Dan heb je nog het Vikingschip zelf, wat een oorlogsschip is. Vaak werd een Vikingschip gemaakt van eikenhout, maar soms werd er ook pijnhout of berkenhout gebruikt.

De schepen die de Vikingen vroeger gebruikte werden ook wel Drakars genoemd, dit waren lange en slanke schepen. De Drakar was ook groter dan de Knorr. Doordat de schepen erg lang en slank waren konden de Vikingen het zeevoertuig erg behendig besturen. Als boegbeeld gebruikten de schepen drakenkoppen, hiermee wilden ze hun slachtoffers bang maken voor hun komst. De zeilen van deze Drakars waren meestal rood-wit gestreept, als er te weinig wind stond om het zeil te gebruiken, moesten de mannen zelf roeien. De ronde zeilen hingen aan de zijkanten van de Drakars, dit was ter verdediging van het schip. Ook maakte de Vikingen snelle lichte bootjes voor het vervoer van personen, dit werden de Snekken genoemd.

Knorr Drakar

Ongeveer tot het midden van de 16e eeuw waren de meeste piraten van islamitische afkomst. Het gevolg hiervan was dat de Barbarijse zeerovers hierdoor snel leerden hoe ze met oceaanvaardige zeilschepen om moesten gaan, doordat hun kennis hierover snel werd verspreid door Europa. Hiervoor werd er meestal gebruikt gemaakt van galeien. Deze schepen waren op een gegeven moment niet goed genoeg meer om de oceanen mee te verkennen. De favoriet bij de Barbarijse zeerovers werd het snelle schip de Fuste. Dit schip kon namelijk bevaren worden met zowel riemen als zeilen.

Wapens

De Vikingen maakten vaak gebruik van een bijl, zwaard of speer tijdens een gevecht of verovering. Het zwaard was vaak versierd met kleurtjes of afbeeldingen om de strijd te verheerlijken. Het stond ook in het teken van macht en rijkdom.

Ter verdediging gebruikte hij vaak een houten schild dat met leer bespannen of helemaal beschilderd was. Een metalen knop in het midden van het houten schild was ter bescherming van de hand.

De speren werden vaak als stootwapen gebruikt, zowel bij de jacht als de strijd. De speren hadden een groot en breed blad. Ook de speren werden versierd. Met de werpspiesen werd ook echt gegooid want deze hadden een klein en smal blad, waardoor je doelgericht kon gooien. De bijlen waren ook veel versierd. Omdat deze zo waren versierd kon je zien dat deze ook bij de strijd werden gebruikt, en niet alleen voor het hout hakken. In de veertiende eeuw ontstonden de eerste primitieve kanonnen. Deze kanonnen waren alles behalve betrouwbaar want ze konden nog wel eens ontploffen, waarbij veel gewonden vielen.

Claes Compaen zag ooit in een spieksplinter nieuw schip in de Nederlandse haven liggen. Hij ging aan boord bij het schip en zag dat de kapitein van dat schip twee erg mooie kanonnen had. Hij wou ze eerst beleefd over kopen van de kapitein, maar de kapitein weigerde. Hierop bedacht Compaen een list. Hij beval zijn bemanning de bemanning van het andere schip, inclusief kapitein, op een vriendschappelijke manier dronken te voeren. Toen dit eenmaal gelukt was, bestormden de mannen het schip en stalen de kannonen en de voedsel- en drankvoorraden. Aan het einde lieten ze het schip nog wel heel na met buit en al voor de dronken kapitein!

Slimme listen

Ook zoals je eerder las was Claes Compaen iemand van de sluwe listen. Hij was al vaker bekend met het dronken voeren van andere schepen, en vervolgens toe te slaan. Ook in 1627 sloeg hij weer toe. Ditmaal bij de stadhouder van het Marokkaanse Salé. De stadhouder had voor een fortuin gestolen goederen van Compaen gekocht. Toch bezat hij nog veel meer geld. Compaen wist dit en nodigde daarom de stadhouder uit voor een afscheidsdiner. Aan het einde beval hij de man te blijven en iemand uit zijn bemanning de rest van het geld te halen. Toen het bemanningslid met de rest van het geld aan kwam zetten, oordeelde Compaen dat het geld van een slechte kwaliteit zilver was gemaakt. Hij smeet de hele buit zo overboord. Hij hield de stadhouder vast totdat de man nieuwe muntstukken had laten brengen, die goed gekeurd waren! Nog een Barbarijse piraat was Arouj Barbarossa, beter bekend als Roodbaard. Er voeren in 1504 twee oorlogsgaleien van Genua naar Italië in opdracht van paus Julius II. De twee schepen voeren ver uit elkaar. Ze waren niet bang voor zeerovers omdat ze met grote schepen voeren, en bovendien in dit deel al jaren geen zeerovers waren gesignaleerd. Ze hadden het mis, want plotseling naderde er een galjoot naast het achterste schip. Er klommen allemaal piraten op het dek, onder leiding van een forse man met een vuurrode baard. De piraten sloot de bemanning van de galei op en de boot werd buitgemaakt. Roodbaard was een sluwe man, want hij kwam met een list. Hij beval zijn bemanning de kleding aan te trekken van de gevangen bemanning. Zo leek het alsof zij de oorspronkelijke bemanning waren van het schip. Op deze manier voer het schip verder. De ingenomen boot nam de galjoot op sleeptouw, alsof het leek voor het andere schip dat de galei de galjoot had overwonnen. Zo nadere ze het voorste schip. Het voorste schip vermoede niks, en werd geheel onverwachts geënterd en even later overwonnen. Zo had Roodbaard op een sluwe manier, twee schepen veroverd.

Piraten aan wal

De Vikingen legden op verschillende eilanden waar ze kwamen Vikingburchten aan. Deze bouwde ze uit een al bestaande aarden ringwal omgeven door een sloot, met een aansluiting op een waterweg.

Deze ringwal gaf op vier plaatsen een doorgang via grote zware poorten, dwars aaneengesloten balken gemaakt van eikenhout vormden de bestrating van het geheel. De lengte van de gekozen balken was zo gekozen dat er makkelijk een kar overheen kon rijden. De poorten waren ook uit eikenhouten balken gemaakt en werden voorzien van een trucje dat alleen zij die binnen de poortwal stonden de deur konden openen.

In 798 vestigen de Vikingen zich in het noorden van Ierland en maken hier hun winterkampen. Zo konden ze makkelijker plaatsen bereiken die verder van de kust af lagen. De Vikingen veroverden meestal de delen land die aan de kust lagen, maar soms ook delen van landen. Wanneer de Vikingen op plundertocht gingen, bleven er altijd een paar bij het schip staan om er voor te zorgen dat er niet plotseling vijanden van het eiland er met hun schip vandoor gingen. Als de Vikingen terug kwamen van hun roverstochten hadden ze meestal veel goud en sieraden gewonnen. Enkele landen waar de Vikingen veel hebben geplunderd zijn Engeland: (dit was tevens ook de eerste plundertocht van de Vikingen in 793) hier haalde ze wol en tarwe vandaan, Zwitserland en Oostenrijk hier vonden ze wijn, wapens, stoffen en aardewerk, uit Griekenland haalden ze hout en wapens, en in Groenland vonden ze pelzen. Maar het meeste haalde ze nog uit Turkije, hier haalde ze vooral barnsteen, vruchten, specerijen, wijn en zijde vandaan, wat allemaal erg kostbaar was. Nog andere dingen die de Vikingen meenamen zijn ivoor, goud, slaven, zilver, vis, deksteen en zout. Vikingen gingen niet altijd op een rooftocht uit, maar soms ruilden ze ook spullen met andere bewoners.

Kleding

Veel mensen denken nog steeds als ze aan het woord Viking denken de man met de helm met de hoorns. Er is nooit een bewijs gevonden dat Vikingen daadwerkelijk dit soort helmen zouden dragen. Het is waarschijnlijk dus ook een mythe uit de 19e eeuw. Bovendien waren de helmen erg duur en konden alleen de hooggeplaatste Vikingen dit zichzelf veroorloven. De gewone Viking droeg een strakke leren kap, en een maliënkolder als gevechtskleding.

Er is maar weinig informatie te vinden over de kleding van de Barbarijse piraten. De kleding die ze droegen werd vooral beïnvloed door de Oosterse en vooral Ottomaanse stijlen. Dit zou betekenen dat de belangrijkste bemanning een tulband droeg. Deze mocht niet worden gedragen door de gewone matrozen aan boord van het schip.

Hoe de Barbarijse piraat er hoogstwaarschijnlijk heeft uitgezien

Wat waren de consequenties voor buitenstaanders, en hoe ging de overheid om met zeeroverij in de Middeleeuwen? In de Middeleeuwen werd nog steeds gebruik gemaakt van de lex Rhodia. Deze werd geratificeerd door koning Justinianus. En de rest van de Middeleeuwen gebruikt.

Koning Offa had in 792 de kusten van Engeland versterkt omdat hij werd bedreigd door gevaarlijke aanvallen van 'Heidense zeelieden', de Vikingen. Hier had deze koning wel gelijk in, alleen hielpen de versterkingen niet. Een geestelijke beschrijft op 8 juni 793. Dit was de dag dat de Vikingen aanvoeren op het eiland Lindisfarne, een eiland bij de noordoost kust van Engeland. Het eiland was in de handen van een klooster. De geestelijke beschrijft hoe alle monniken het zwaard te zien krijgen. Hierna plunderde de Vikingen het eiland, en zette ze het klooster in brand. Deze gebeurtenis zorgde Hoe de Vikingen erop uit trokken voor heel wat ophef. Zeker voor een tijd waarin geweld en moord niet een van de dingen waren waar ze vies van waren. Ze beschreven het als een aanslag op het lichaam en de ziel van Christelijk Engeland. Verder wordt er geschreven over dat het een grote terrorisatie was van de zee. Maar deze shockerende aanval was nog maar het begin! Een jaar later beschrijft een Ierse monnik hoe de Vikingen vele oostelijke kusten plunderen. Later verplaatsten ze zich naar het klooster aan de westerse kust van Schotland, waar ook vele andere heilige vestigingen waren.

Vanuit de piratenhollen waar de Vikingen verbleven, roofde ze vele plaatsen. In het begin van de negende eeuw, was geen plaats meer veilig. De monniken waren erg pessimistisch over de situatie, wat natuurlijk ook erg begrijpelijk was. Maar ze hielden hun hoop uit de Bijbel. In het boek van Jeremiah staat: 'Vanuit het Noorden zal het kwaad breken tegen alle inwoners van het land.' En later werd er gezegd: 'Onze God Jezus Christus zal komen om te oordelen over de levenden en de doden en de wereld zal vergaan door vuur.' Het was alleen zo dat deze dag nooit is gekomen, en de Vikingenplaag ging gewoon door.

In 820 verscheen er een nieuw Noors ras. Deze heersers wilden de Britse kustgebieden bescherming aanbieden. Alleen wel in ruil voor geld. De Vikingen veranderen hiermee hun koersen en gingen andere plaatsen veroveren waar Groot-Brittannië nog steeds de dupe van was. De Vikingen gingen nu verder met plunderen op de andere eilanden. Ierland werd nog een aantal jaar lang geteisterd. Je was zelfs nergens meer veilig in Ierland, alleen nog binnen de muren van Dublin.

De Vikingen overvielen niet alleen Engeland. Ook zijn er stukken gevonden over een monnik in Parijs die vermeld dat ze werden overvallen. Dit was alleen niet geslaagd want het Frankische Rijk was te georganiseerd om tegen te vechten. Daarom trokken ze verder naar boven, en kwamen ze vijfentwintig jaar later aan bij de Friese kust. Maar in het jaar 840 waren de Frankische te druk met het vechten van oorlogen, dat ze geen sterke zeeverdediging meer hadden. De Vikingen veroverden Rouen en persten de inwoners af. Hierna werd in 845 een grote aanslag gepleegd in Parijs. De Vikingen namen er steeds meer gebieden in Frankrijk. Het bekendste gebied Normandië, het land van de Noormannen. In de negende eeuw ging de aandacht van de Vikingen steeds vaker naar het Nederlandse stadje Dorestad. Dit was een succesvolle handelsplaats, vandaar. De eerste aanval was in 834, en de laatste vond plaats in 863. Het noordwesten van Europa werd nog ongeveer een halve eeuw bezeten door de Vikingen. Het eindigde omdat er niet meer veel over was om te veroveren. Ook het beleid werd veranderd van de Vikingen. Officieel was het in het midden van de negende eeuw helemaal over de angst voor de Vikingen.

Er kwamen vanuit de Dalmatische kuststreek, het huidige Kroatië, veel zeerovers. In Italië bloeide de handel langzamerhand op in de steden. Zei hadden erg te leidde onder deze nieuwe zeerovers. Hieruit ontstond het verbond tussen Venetië en andere kuststeden in 1000 na Christus. Samen stonden ze sterk, want gezamenlijk versloegen ze de piraten en hun piratenhollen. Dit was zo'n succesvolle expeditie dat deze nog eeuwenlang werd herdacht met de ceremonie van Het huwelijk met de zee op Hemelvaartsdag. Dan voeren alle boten naar het midden van de lagune, en vormden ze met elkaar een gouden cirkel. Hierbij werden de woorden gesproken Wij huwen u, o zee, als teken van onze waarachtige en eeuwige heerschappij over u. Tegenwoordig heet het feest La Sensa. Het is nog steeds een prachtig gezicht met alle boten, alleen is er geen gouden ring meer bij.

In de dertiende eeuw bloeide de zeeroverij enorm op. Dit was een gevolg van de opkomt van de steden, kooplui en economie. Er waren veel Hanzesteden. Hanzesteden zijn steden die met elkaar een handelsverbond sloten om mekaar te beschermen en uit te breiden. In 1241 begonnen de Noord-Duitse steden zich aan te sluiten bij het verbond. Zij beschermden zich hiermee tegen de Engelse en Noorse piraten. Ook bij de steden en gebieden die aangesloten waren bij het Hanzeverbond, kregen steeds meer te maken met zeeroverij. De Hanzesteden waren zo succesvol en rijk dat ze de piraten steeds meer aantrokken. Mensen van de lage adel verplaatsten hun overvallen van land naar zee. Later gingen ook weggelopen kloosterlingen, failliete ambachtslieden, rebellerende studenten en verarmde boeren de zee op om te roven en moorden. De Hanzesteden werkten, ondanks hun verbond, toch niet goed samen tegen de Hanzepiraten. Want als piraten de buit van een stad hadden veroverd, verkochten deze piraten het weer aan een andere stad van het verbond. Hierdoor werden de Hanzesteden weer uit elkaar gedreven. De Hanzepiraten werden ook wel de Vitaliebroeders genoemd.

De bekendste Hanzepiraat was Claus Störtebeker. Hij stond bekend als geruïneerde edelman en dronkaard. Vandaar dat Störtebeker ook een beker in een slok betekent. Hij sloot met nog drie anderen een verbond. Ze waren zeer gevreesd. Ze hadden Bergen, het op het moment belangrijkste handelsstad van Noorwegen, geplunderd en in brand gestoken. Ze hadden de belangrijke koopmannen meegenomen in ruil voorlosgeld. Twee grote tegenaanvallen waren er tegen de bende gepleegd. Beide hadden ze overleefd. Alleen de eerstvolgende werd Störtebeker gevangen genomen door een vloot uit Hamburg. Toen was het verhaal over. Hij werd opgehangen. Het schijnt dat de mast van zijn boot hol was, en volledig was gevuld met goud. Claus Störtebeker Ook in 1242 werd de Engelse piraat William Mars flink gemarteld. Hij werd achter een paard aan door de straten van London gesleept. Hierna werd hij opgehangen, in vier stukken gehakt en verbrand. Er waren verschillende manieren van omgaan met zeeroverij.

In 1340 werden er in Engeland zittingen gehouden over de piraterij. In deze zittingen werden de piraten verhoord. Het was mogelijk dat de piraten zijn collega's verraden. Als ze dit deden dan werd er gratie aan hen verleend. Dit werd echter pas verleend als de collega-piraten al hingen. Deze werden meestal tien dagen nadat ze waren veroordeeld opgehangen. De veroordeelde piraten werden naar de galg begeleid door iemand van het hof. Deze galg stond dicht bij het water meestal. Het schouwspel trok veel bezoek. Want het proces werd in het openbaar uitgevoerd. Nog net voordat ze werden opgehangen kwam er een pastoor een ceremonie houden om de veroordeelde piraten nog een keer dringend het geloof op te leggen zodat ze zich zouden bekeren. De pastoor sprak ook tot de rest van de mensen. Ze namen de piraten als het perfecte voorbeeld van ongewaardeerde mensen. Als laatste mochten de piraten nog een praatje houden tegen de mensen. Sommige piraten toonden hierin berouw, sommigen waren bang en sommigen waren boos. Maar er waren ook piraten die nog uitgebreid foute moppen aan de menigte gingen vertellen.

Als de piraten aan de galg waren gehangen werden de piraten in het water begraven of ergens opgehangen waar ze niet opvielen en gedurende drie seizoenen weg laten rotten. Alleen de beruchte piraten werden in gebalsemd in teer en gestopt in een ijzeren raamwerk of allemaal kettingen. Ze kregen een plaats aan de galg op de kade. Hier bleven ze net zo lang wiegen in de wind totdat ze volledig waren weggerot. Dit diende als een afschrikkend beeld voor de rest van de burgers. Dat ze zagen wat er met je gebeurde als je er over dacht om piraat te worden.

De Barbarijse piraten werden steeds meedogenlozer. Ze vergrootte het gebied waar ze ten strijden gingen. Het werd uitgebreid tot de Atlantische oceaan en de zuidkust van Engeland. Ze plunderden de kustdorpen en namen alle bewoners mee als gevangen. Waarom deze piraten piraat waren geworden, was te zien. Ze namen zoveel mogelijk 'christenhonden' mee. Hoe meer, hoe beter. Hierdoor ontstond een groot circuit van slavenhandel. We spreken over wel duizenden slaven per jaar. Men schat dat in 1634 in Algiers en omgeving 25.000 christelijke slaven waren en 8000 tot de islam bekeerde slaven. Als ze slaven van hoge komaf te pakken hadden gekregen, vroegen ze hier losgeld voor. Ze wisten dat iemand van hoge komaf was als hij geen eelt in zijn handpalmen had. De mannen werden verkocht aan slavenhandelaars. Zij eindigden meestal als bouwvakker of galeislaaf. De jonge vrouwen kwamen in harems terecht. De oude vrouwen werden verkocht als huispersoneel. De slaven kregen het hard te verduren, met name de galeislaven. De macht van Barbarijse piraten groeide steeds meer. De christelijke staten probeerden deze macht in te perken. Frankrijk ondernam strafexpedities onder leiding van Lodewijk XIV, maar zonder succes. In de achttiende eeuw waren ze nog steeds oppermachtig. Ze plunderde de kustdorpen, maakten gevangenen tot slaaf en hielden hier nog een grote buit aan over door alle onderschepte handelswaar. Ze bevielen de westerse staten een opgedragen bedrag te betalen, in ruil voor een rustige vaart over de Middellandse zee. Een voorbeeld hiervan zijn de Verenigde Staten. Zij betaalden in 1799 vijftigduizend dollar, achtentwintig kanonnen, tienduizend kanonskogels, grote hoeveelheden kruid, touwwerk en juwelen aan de Dey van Algiers. Of ze werkelijk de veiligheid er in ruil voor kregen valt te betwijfelen.

De Verenigde staten werden dit aan het begin van de negentiende eeuw zat. Ze besloten in 1803 twee gloednieuwe oorlogsschepen te sturen naar de haven van Tripoli om deze te blokkeren. Zonder succes, want het schip liep aan de grond en werd onmiddellijk omringd door de piraten. De kapitein wou het schip niet aan ze achterlaten dus boorde gaten in de romp, gooide de kanonnen overboord, maakte de pompen onklaar en zette de munitiekamer onder water. Na deze actie gaf hij zich pas over aan de piraten. Uiteindelijk sloten de Verenigde Staten en de heerser van Tripolie een vredesverdrag en eiste de piratenstad geen betalingen meer. Hiermee was het definitieve eind in zicht. Officieel kwam dit moment in 1820 toen de Fransen Algiers en Tunis veroverden en de omwonende stammen onderwierpen. Hiermee werd dit deel van Noord-Afrika een Frans koloniaal gebied.

Hoofdstuk 3 De Vroegmoderne tijd

Wij hebben gekozen voor de tijdsperiode van 1500 tot 1900. De Vroegmoderne tijd hoort in de tijdvakken Tijd van ontdekkers en hervormers, Tijd van regenten en vorsten, Tijd van pruiken en revoluties en Tijd van burgers en stoommachines. In de tijd van ontdekkers en hervormers horen de Renaissancetijd en de zestiende eeuw. In de tijd van regenten en vorsten horen de Gouden eeuw en zeventiende eeuw. In de tijd van pruiken en revoluties horen Eeuw van de verlichting en achttiende eeuw. In de tijd van burgers en stoommachines horen de industrialisatietijd en negentiende eeuw. Wij hebben gekozen voor de tijdsperiode van 1500 tot 1900, omdat in 1500 de Middeleeuwen waren afgelopen en tot 1900 omdat daarna de techniek zich veel verder ontwikkeld, en wij het hier niet over wilden hebben. Deze periode viel ook precies onder de Vroegmoderne tijd.

Waarom werden mensen zeerovers in de Vroegmoderne tijd?

In deze tijd waren er veel klachten over de zeevaart. Het was maar een beperkte oppervlakte maar er leefden een groot aantal naties, die voortdurend met elkaar in oorlog waren. Het bloeide er van de niet gebonden vrije zeeroverij en natuurlijk niet te vergeten de staatswege geoorloofde zeeroverij, wie allemaal gebruik maakte van de vele handelsroutes.

Eldorado het zogenaamde Goudland, was een toverformule voor Europa. De goeduitgeruste kleine kaperscheepjes hoefden hier alleen maar op de loer te liggen en hadden de schepen zo voor het kiezen. Ze konden op hun gemak een keus maken uit de vele schepen, en ze boden zelfs nog amper lust tot vechten. De schepen hadden uitstekende soldaten aan boord, maar bijzonder slechte matrozen met een enkele uitzondering. Dit kwam doordat de matrozen vaak zomaar aan boord werden gesleurd, of zich zelf gauw aanmelden om eindelijk eens verlost te zijn van het landleven.

Een ander voorbeeld in de 16e eeuw, de Spanjaarden bezetten de Nederlanden. De burgers die in verzet gingen tegen de Spanjaarden werden tot 'Geuzen' genoemd. De spotnaam werd later een erenaam voor de opstandelingen, en zelfs op hun hoeden beelden ze dit af met bedeltuig. Ondanks dat het dappere mannen waren, konden ze niet op tegen de goed getrainde Spaanse troepen die het land bezet hadden. Mede daarom trokken veel van deze opstandelingen zich terug naar de zee, op hun kleine en vooral slecht bewapende vissersbootjes. De Spanjaarden hadden nooit verwacht dat dit een grote opstand zou kunnen veroorzaken. Maar al gauw vormden de Geuzen een ernstige bedreiging voor de Spaanse bezetting. Al snel waren de Spaanse voorraadschepen leeggeplunderd, met steun van Frankrijk, Engeland en de Oostfriese eilanden.

Piet Hein geboren in 1570 te Delftshaven. Al als kleine jongen werd hij gevangen genomen door de Spaanse troepen. Vier jaar lang moest hij als roeier mee op de Spaanse galeien, en slaagde er toen in om terug te keren. Dat er veel bemanningsleden onder de Watergeuzen terecht zijn gekomen is eigenlijk best begrijpelijk. Ze gaven allemaal het weinig geld in het laatje brengende werk op en zochten de jachtgronden door. Op zoek naar een plek waar ze veilig konden varen zonder de door Willem van Oranje gestelde kaperbrieven, en waar ze dus verzekerd waren van een rijke buit.

Piet Hein

Jan Janz was één van hen, hij voer onder de vlag van een Noord-Afrikaanse sultan. Telkens als er een Spaans schip in zicht was, liet hij zijn oude Geuzenvlag hijsen. Een ander voorbeeld is Jakker, hij was in dienst van de hertog Osuna. Het was de vicekoning van Sicilïe. Een aantal jaar lang trok hij rovend en plunderend rond door de Middellandse zee. Toen de hertog van Osuna gestorven was, kwam hij al snel in dienst van Venetië. Hij werd daar gevangen genomen en als zeerover terechtgesteld.

Koningin Elisabeth I had vanaf het begin van haar carrière al glimlachend geduld met de zeerovers. Omdat er veel onrust was tussen Spanje en Engeland wou Elisabeth in deze jaren van uitstel een zo sterk mogelijke zeemacht opbouwen. Sterk genoeg om de Spanjaarden te verslaan. In de bijna dertig jaren uitstel die ze kreeg heeft ze dan ook flink de handen uit de mouwen gestoken. Omdat de Spanjaarden in grootte nooit konden overtreffen, zochten ze een andere manier om de Spanjaarden onderuit te halen. Daarom moest ze de Spanjaarden maar zien te verslaan door betere manschappen en betere schepen.

Op een eiland niet ver van de kust waren manschappen genoeg. Alleen deze moesten nu nog goed getraind worden, dat ze zelfs onder de zwaarste oorlogsomstandigheden nog blindelings de vijand konden verslaan. Ook besteedde Elisabeth veel aandacht aan de schepen die werden gebouwd, ze moesten bovendien vier Spaanse galjoenen verslaan. De regering van Engeland was ervan overtuigd dat het land uitstekende scheepsbouwers en kanonnengieterijen had, maar dat moest in de werkelijkheid nog maar blijken. Dit kon pas echt worden vastgesteld tijdens de gevechten. Het laatste probleem was geld. De opbouw en niet te vergeten de uitrusting had bakken met geld gekost. Al was Engeland in de 16e eeuw geen arm land, ze waren zeker niet rijk genoeg om het tegen Spanje op te nemen.

De conclusie van dit alles was dat Engeland voordat er een officiële oorlog op zee kwam, het geld bij elkaar moest zien te hebben. Dit leidde maar tot één uitkomst zeeroverij. Elisabeth twijfelde geen moment, en stemde gelijk in. Dit was tevens de eerste keer dat zeeroverij oogluikend werd toegelaten. Hoe dichter de botsing met Spanje in zicht kwam, hoe meer aanmoediging er was voor de zeeroverij.

De boekaniers hebben hun naam te danken aan het Franse woord ''boucanier'' wat laat in de 17e eeuw werd gebruikt. Vooral Nederlandse, Franse en Engelse avonturiers sloten zich bij deze groep aan. De boekaniers vochten voor de Engelsen en hadden veel invloed op de handelsroutes. Ze leefden strikt volgens hun eigen regels en volgde de regels van de buitenwereld niet op.

In het jaar 1780 heeft zich een van de bekendste piratenverhalen aller tijden voor gedaan. Anne Bonny was de vrouw van de weinig succesvolle James Bonny. Anne was een lastige, koppige en vaak slecht gehumeurde vrouw. Het huwelijk was slecht. Zonder dat James het wist liet Anne merken aan Jack Rackham dat ze best wel een oogje op hem had! Jack bood James aan om Anne te kopen. Maar hij sloeg dit aanbod af. Jack en Anne namen hierna de kans om met wat oude vrienden van Jack een koopvaardijschip te overvallen, en de zeeën onveilig te maken. Anne werd op het dek geaccepteerd als vrouwelijk bemanningslid. Na een aantal succesvolle rooftochten werd de bemanning groter. Ook kwam Mary Read op het dek. Een vrouw die zich voordeed als man. Anne kwam hier achter en vertelde de rest hier niet over. Later begon Jack alleen erover en werd de identiteit van Mary bekend. Ook zij werd geaccepteerd op het dek. Na een bloedige strijd waren alleen Mary en Anne overgebleven. Zij werden veroordeeld voor de doodstraf. Echter ontsnapten zij hieraan omdat ze zwanger waren.

Mary Read Anne Bonny

Hoe zag het leven van een zeerover eruit in de Vroegmoderne tijd?

Democratie

De Caribische piraten zijn eigenlijk de eerste piraten die enige vorm van democratie hebben toegepast. Dit kon bij hen makkelijk omdat ze in veel kleine groepen waren opgesplitst. Als ze het bij een groep niet meer naar hun zin hadden, stapten ze over naar een andere groep. Piraten maakten hun eigen wetten. Als ze met elkaar de wetten hadden gemaakt en hun kanttekening waren weg gewerkt legden ze hun hand op de bijbel of kruisten twee bijlen of pistolen en zworen hierbij nooit deze regels te overtreden. Van vele piraten zijn deze regels niet bewaard gebleven. Van sommige wel, bijvoorbeeld Bartholomew Roberts. Dit reglement heeft er waarschijnlijk op een paar dingen na, uitgezien zoals de rest van de andere piratengroepen.

  • Elke piraat heeft gelijke rechten in de te nemen beslissingen. Hij zal een gelijk deel van buitgemaakt voedsel en sterke drank ontvangen en er mag er naar eigen goeddunken over beschikken, tenzij op momenten van schaarste bij stemming beslist wordt het verbruik te beperken.
  • Elke piraat heeft om de beurt het recht om als eerst een keus te maken uit de veroverde kleren, die hij ontvangt bovenop zijn normale aandeel in de buit.
  • wie zijn medepiraten benadeelt door een buitenonderdeel ter waarde van een dollar of meer achter te houden, wordt afgezet op een onbewoond eiland. Wie iets steelt van een medepiraat, wordt eerst de oren en de neus afgesneden en daarna van boord gezet op een bewoonde kust, waar iedereen hem dan als een misdadiger zal herkennen.
  • Niemand mag aan boord om geld kaarten of dobbelen.
  • Kaarsen en lampen moeten op acht uur gedoofd worden. Wie na dat uur nog wil drinken, moet dit op het open dek doen.
  • Iedereen moet zijn musket, pistolen en sabel te allen tijde gekuist en klaar voor gebruik houden.
  • Jongens en vrouwen worden niet toegelaten aan boord. Op het binnensmokkelen van een als man verklede vrouw staat de doodstraf.
  • Desertie tijdens een gevecht wordt bestraft met de dood of achterlating op een onbewoond eiland.
  • Onderlinge vechtpartijen zijn verboden. Ruzies worden aan wal uitgevochten met pistool en degen.
  • Iedereen verbindt zich ertoe de groep niet te verlaten voordat het aandeel van elk lid in de veroverde buit een waarde heeft van minstens duizend Engelse ponden.
  • Wie in de strijd een arm of been verliest krijgt 800 zilveren munten; voor anderen verwondingen krijgt hij een schadevergoeding volgens de ernst van de wond.
  • De kapitein en de kwartiermeester krijgen elk twee delen van alle buitgemaakte goederen ; de stuurman, bootsman en kanonnier anderhalf deel.
  • De muzikanten hoeven niet te werken op zondag, maar alle andere dagen en avonden wel.

Als je akkoord ging met het reglement moest je met je hand op de bijbel zweren dat je ze niet zou overtreden. Ook zie je een vergoeding terug voor letsel. Dit is eigenlijk de eerste vorm van bijstand of ongevallenverzekering. Op het plaatje hieronder zie je het gebruikelijke geldbedrag als vergoeding. Je kon ook worden uitbetaald in slaven.

Bij de stukken die bewaard zijn gebleven, was er af en toe ook een bijzondere regel. Hieronder zie je bijzondere regels die afkomstig waren van andere zeerovers.

George Lowther.

  • Wie een arm of been verliest, mag bij de groep blijven zolang als hij zelf verkiest.
  • Wie het eerst een schip opmerkt, krijgt het beste pistool dat aan boord ervan aangetroffen wordt.

John Phillips

  • Als wij een ander piratenschip tegenkomen, zal elke man aan die de regels van dat schip ondertekend zonder de toestemming van onze bemanning, een straf krijgen die door de kapitein en de bemanning geschikt wordt geacht.
  • Wie een ander bemanningslid slaat, krijgt 39 zweepslagen op zijn blote rug.
  • Wie zijn pistool nodeloos afvuurt, of in het ruim een pijp rookt zonder een beschermingskapje, of met een kaars rondloopt zonder een lantaarn, of iets anders doet dat brand kan veroorzaken, krijgt dezelfde straf.
  • Wie een deftige dame lastigvalt zonder haar toestemming, wordt ter dood gebracht.

Als je jezelf niet aan het reglement hield kon je niet op genade rekenen. Als de overtreding niet in het reglement stond kwam de kwartiermeester in actie. De kwartiermeester was iemand van de bemanning, die was gekozen door de bemanning. Hij nam dan een beslissing over welke straf de schuldige zou krijgen. Als er een groot conflict ontstond op het dek tussen twee groepen kreeg de kwartiermeester hulp van de kapitein. Ze probeerden eerst eruit te komen met een verzoening. Als dit niet lukte was er nog maar een mogelijkheid. Een groep moest het dek verlaten.

De piraten hadden een aantal straffen voor overtredingen. De doodstraf stond op moord, desertie, muiterij en homoseksuele daden. Als je een moord had begaan werd de dader aan het lichaam van zijn slachtoffer vastgebonden en overboord geworpen. Ook kon je worden opgehangen aan de ra.

Rechtvaardig waren ze zeker want er was eens een kapitein Low. Kapitein Low kreeg ruzie met zijn stuurman. Daarom vermoorde hij zijn stuurman in zijn slaap. De bemanning besloot als straf de kapitein achter te laten op een eiland met wat buskruit en voedsel.

Ook een goed voorbeeld is Edward England. Hij had een Engels koopvaardijschip veroverd. Hij hield de bemanning, maar liet de kapitein vertrekken. De bemanning werd hier zo boos om dat ze Edward England op het eiland Mauritius achterlieten. Wat wel leuk is om te weten dat Edward England toen zelf een bootje heeft gebouwd en helemaal naar het eiland Madagaskar is gevaren wat 800 kilometer verderop ligt.

Het bekende boek Robinson Crusoe is geïnspireerd op de Schotse piraat Alexander Selkirk. Hij werd door zijn bemanning op het eiland Juan Fernandez, aan de Chileense kust afgezet. De Spanjaarden hebben hier vroeger allerlei geiten achterlaten. Dit is hoogst waarschijnlijk de reden geweest dat Selkirk het wel vier jaar en vier dagen volhield. Daarna werd hij opgepikt door een ander schip. Misschien was het geluk met hem omdat hij nog een bijbel had meegekregen toen hij werd afgezet.

Honger en Dorst

De Caribische zeeroverskapitein Nathaniel North voer rond de achttiende eeuw over de Perzische golf. Toen er op een dag een grote storm was, werden alle vaten water op het dek kapot geslagen. Hij dacht de oplossing te hebben bedacht toen hij een vissersboot zag. Hij wou de boot laten kapseizen, en de vissers vragen waar ze fris water konden halen. De vissersboot lukte het om te vluchtte. De piraten beschoten de boot, waarop de vissers in het water doken. Sommige vissers zwommen naar land, en sommige verdronken. Slechts een visser konden de piraten nog inhalen. Toen de visser dit merkte dook hij onder water. Dit hield hij wel anderhalf uur vol. De piraten schoten hem niet dood omdat ze anders nog steeds geen antwoord hadden op hun grote vraag. Toch lukte North het uiteindelijk om de man te stoppen. Hij had hem geraakt met de zeilspriet van de boot. De wanhopige visser brak hierbij zijn kaak. Hier waren de piraten ook niks mee opgeschoten, want nu kon hij niet meer praten. Totdat de visserman vroeg om een pijp tabak, die hij rustig oprookte. De slaven die North op zijn schip had spraken de taal van de man. Ze vroegen hem waar ze drinkwater konden vinden. Als hij antwoordde, gaven ze in ruil daarvoor de man zijn vrijheid terug. De man leidde de zeerovers naar een kuil met vies drab water. De zeerovers kregen er net drie vuile emmers water uit. De piraten waardeerde dit niet en dreigde de man te vermoorden. De visser vertelde de piraten dat ze rustig moesten wachten tot zonsondergang, want dan zou het helemaal volspoelen met fris water. De man had gelijk. De piraten konden er wel 20 vaten mee vullen. Ze namen de visser mee aan boord. Hielden een geldinzameling voor hem en lieten hem vrij met wat kleine spullen en dertig dollar.

Bemanning

Elke piraat had een eigen taak. Je had een kok en timmerman bijvoorbeeld. Maar de echte matrozen wisselden de taken ook onderling af. De een hijst de zeilen, de ander zwabbert het dek. Natuurlijk was het niet altijd een en al strijd. Er waren dagen tussen dat ze geen schip tegenkomen. Dan moesten de piraten zichzelf vermaken. Sommige piraten gingen stiekem ergens in een hoekje dobbelen om geld, terwijl dit ten strengste verboden was! Er werden muziekinstrumenten meegenomen aan boord. Hiermee konden ze zichzelf vermaken door erbij te zingen en dansen. Iedere piraat had een eigen zeemanskist. Deze was gemiddeld 100 bij 40 bij 40 centimeter. Al de piraat zijn eigendommen zitten erin. Zijn kleren, bestek, naaigerei, spiegeltje, en een kroes om uit te drinken. Als de mannen hun behoeften moesten doen, hingen ze buiten boord. Er hing een touw uit het schip die het water raakte, waarmee je je billen kon afvegen. De mannen wasten zichzelf niet. Ze deden dit alleen als het regende. Dan kleedde ze zich uit en lieten de regen over zich heen stromen en wasten zich zonder zeep. Ieder heeft een hangmat met strozak of kussen. Ze sliepen in een afgesloten ruimte waar het meestal veel kraakt. Maar de meeste sliepen toch aan dek bij hun eigen zeemanskist. Het stinkt aan boord, en er loopt veel ongedierte rond. Al met al, als er niks te doen was, was het leven aan dek geen pretje.

Wat bekend was bij de Boekaniers is dat er onderling, in tegenstrijd tot de andere piraten, hechte vriendschappen zijn ontstaan. De zogenaamde matelotages. Een matelot is een scheepsmakker of matroos of varensgezel.

Of de piraten een geloof aan hingen is verschillend. Er is wel van een boekanier, Daniel genaamd, bekend dat hij christelijk was. Het verhaal gaat de ronde dat zijn mannen een priester hadden gegijzeld. Daniel vond het een goed idee om een mis op het dek te houden. De attributen uit de kerk werden meegenomen en er werd een dienst gehouden. Iedereen die zich niet eerbiedig gedroeg werd neergeschoten en over boord gegooid. De priester die de mis had gehouden vertrok erna weer met allerlei geschenken, waaronder slaven.

Als je uren rond dobbert op zee, kan je jezelf voorstellen dat dit verveling oplevert. Hierdoor ontstaan de vreemdste spelletjes. Dit verhaal speelt zich alleen af op het land in Cuba. In 1722 moest de piratenkapitein Anstis en zijn bemanning door omstandigheden acht maanden op het eiland blijven. Om zich te vermaken organiseerde de bemanning regelmatig een neprechtszaak over piraterij. Een bemanningslid heeft dit later nog in kleuren en geuren verteld aan een tijdgenoot van hem. Het ging als volgt: VOETNOOT

Schepen

De boekaniers voeren het grootste deel van de tijd op galjoenen. Op deze schepen werd voornamelijk in de zestiende en zeventiende eeuw gevaren. Het galjoen komt voort uit de kraak. Het enige verschil is dat het voorkasteel nu laag, smal en ver vooruitstekend werd. Hierdoor konden er meer kanonnen ingebouwd worden. Achter werd wel een hoge opbouw gehouden, het kasteel.

In het middellandse zeegebied werd veel gevaren op het schip de Xebec, ook wel Chebec genoemd. De xebec kwam voort uit de Galeota. Deze schepen hadden drie masten. Het waren kleine boten, hierdoor konden ze zichzelf snel verplaatsen. Ook was er een ander schip wat identiek was aan de Xebec, de Galleas. De Galleas had ook drie masten, was alleen een zwaarder schip. Het was favoriet bij de Italianen in de zestiende en zeventiende eeuw. De Caribische piraten begonnen met het varen in een klein bootje, zoals een open roei- zeilbootje, kano of vissersboot. Hiermee overvielen ze een klein schip. Dit schip was hun volgende vervoer. Zo ging het door. Uiteindelijk eindigde ze in een sloep. Een snelle viermaster met een viertal zeilen, tussen negen en achttien meter lang.

Vlaggen

In 1700 n.C. kwam er verandering in de gewone effen rode vlag, de joli rouge. Er kwamen zwarte vlaggen, waar vaak een witte tekening op stond. De tekeningen hadden vaak te maken met de dood. Hiervoor gebruikte ze vaak gekruiste beenderen, skeletten, schedels, een knokige hand, bloedend hart, dolk of machete en een duivel. Deze symbolen werden gebruikt om aan te geven dat de Richard Worley zijn vlag piraten geen genade kennen. Het doodshoofd was een symbool van de dood.

Het skelet stond voor een kwellende dood. De zandloper gaf aan dat de tijd gekomen was om te sterven. Een bloedend hart stond voor een langzame pijnlijke dood. De dolk of machete voor de drang om te vechten. De zwarte vlag met de schedel en gekruiste beenderen is de bekendste vlag. Deze vlag werd gebruikt door Richard Worley in 1718. Maar over het algemeen ontwierp elke piraat zijn eigen vlag.

Zwartbaard zijn vlag Thomas Tew zijn vlag

Black Bart was toch de meeste originele vlaggenontwerper. Hij ontwierp regelmatig een nieuwe vlag. Zijn meest bekende vlag is een vlag waar hij zelf op staat. Hij schudt daar de hand van een skelet, hij schudt de hand met de dood. Samen houden ze een zandloper vast. De skelet houdt ook nog een pijl vast. Deze wijst naar beneden, richting hel.

Wat nog een zeer bekend ontwerp van Black Bart was, was de vlag waarop hij stond met in zijne ene hand een zandloper, en de andere hand een Black Bart zijn vlag vlammend zwaard. Zijn voeten steunen op twee doodshoofden. Bij deze doodshoofden staan de letter ABH en AMH. Dit staat voor A Barbadian's Head en A Martinician's head. Barbados en Martinique, twee eilanden in de Middellandse zee, waren namelijk Black Bart zijn grootste vijanden omdat hij zich slecht behandeld voelde door hen. Ook de Nederlandse zeerover Rock de Braziliaan had een vlag met een tekst. Rock die joeg op Spaanse en Portugese schepen. Daarom stond er op zijn vlag een wit geraamte met de tekst Het lijk van een Spanjaard.

Wapens

Geweren kwamen er pas vanaf de vijftiende eeuw. Het pistool was vaak het op-een-na meest belangrijke geweer van een piraat. Het pistool was groter en zwaarder dan het pistool van nu. Het had een halflange geweerlopen. En je kon er maar een keer mee schieten. Want om het te herladen moest je eerst buskruit in de loop gooien en aanstampen. Pas dan kon je met het vuursteenmechanisme het buskruit tot Het pistool ontsteking brengen en de kogel afvoeren. Maar dit was natuurlijk een erg langzame methode. Daarom hadden piraten vaak extra pistolen op zak, soms wel zes. Het pistool was bovendien erg onbetrouwbaar, het was namelijk pas op drie meter trefzeker. Toch zorgen de piraten altijd erg goed voor hun pistolen, ze poetsten ze veel op. Met de haakbus kon je meerdere schoten lossen. De haakbus wordt met een lont aangestoken, daarna aan een haak bevestigt. Dit wapen werd vooral gebruikt als de piraten op land aan het vechten waren.

De haakbus werd langzamerhand vervangen door het musket. Het musket was het belangrijkste wapen van een Het musket piraat. De musket werkte net als de haakbus met een lont. Bij het afvuren rustte het musket op een ijzeren stang. Piraten hadden er drie tot vijf per persoon. Het musket was toch ook niet erg betrouwbaar. Tevens moest het nog hetzelfde worden klaargemaakt als het pistool, wat dus niet erg vlot ging. De donderbus werd hierom in de achttiende eeuw een erg geliefd wapen bij de piraten. Het had een kortere loop dan het musket en het kon worden gevuld met een aantal pistoolkogels. Met een aantal kogels kon je snel om je heen schieten, en meer verwoesting aanrichten. Je moest bij de De donderbus donderbus de kogel vanaf je middel laten afvuren want anders brak het je schouder door de terugslag.

Pas in de zestiende eeuw konden de piraten aan de gang met de kanonnen want toen werden de kanonnen pas trefzeker. Het gebruik van een kanon liep niet gemakkelijk. Steeds als er een schot was gelost moesten ze eerst de kanon naar achteren halen en de mond schoonmaken, en het weer hervullen met buskruit. Hierna werd er nog een prop en een kogel in de kanon aangebracht. Het kanon Na twintig minuten kon je pas weer een nieuwe kogel afvuren. De terugslagen waren zo heftig dat het kanon werd tegengehouden met touwen. De kogels waren 2,5 kg zwaar, gevarieerd tot 13,5. De kleinere kogels zorgden enkel voor een versplinterde planken, ze vlogen niet door de wand van het beschoten schip. Toch was dit een zeer dodelijk want de splinters die rondvlogen doorboorde vele mensen. Om de kogel een rechte baan te laten gaan, moest je hoogstens op een afstand zijn van 25 meter. Ook de bekende handgranaat werd gebruikt door de piraten. Het zijn kleine glazen flesjes van klei hout of ijzer. Ze waren gevuld met zwart poeder gemixt met gebroken glas of stukjes ijzer. Er zat een zekering bij. Als je deze ontstak zorgde het voor een grote schok. Als het in een kleine kamer werd gegooid, kon dit zorgen voor doden of een hersenschudding.

De stinkbommen waren kleine potten die meestal waren gevuld met brandend zwavel of soms ook wel met planten, urine, tandvlees en rotte vis. Deze stinkbommen werden gegooid op het dek van het belaagde schip. Er ontstond een grote rookwalm van stank. Dit zorgde ervoor dat de tegenstander niet in staat was om te vechten, bijvoorbeeld door ademhalingsproblemen. Hiermee gaven de slachtoffers zich sneller over.

Slimme listen

In 1669 beroofde boekanier Henry Morgan het stadje Maracaibo in Venezuela. Het enige was dat toen Morgan met zijn buit het stadje weer wou verlaten, hij zag dat er Spaanse oorlogsbodems lagen. Oorlogsbodems zijn gevechtsschepen. Deze oorlogsbodems sloten de oceaan af, om verder te reizen. Als ze hier langs zouden gaan en zouden vechten, wist hij al zeker dat ze het zouden verliezen. Hier bedacht Morgan daarom het volgende op. In Maracaibo wordt alle teer, pek en zwavel weggesleept op een 'brandschip'. Op een veroverd schip probeerde Morgan zo'n boot na te maken. Daarom legde ze in het ruim van het schip allemaal palmbladeren neer die gedrenkt waren in teer. Ze zette extra buskruit en houten kanonnen neer. En ten slotte plaatste ze allemaal stokken met mutsjes erop, zodat het de indruk werkte dat er veel bemanning was. Ze hezen de Engelse vlag, omdat dit de vijand van Spanje was. Ze gingen met dertien moedige mannen op pad naar het eerste admiraalsschip. Zodra ze het schip raakte sprongen ze er snel af en lieten het tot ontploffing komen. Het brandde erg vurig, waardoor de hele boot laaide en zonk. Het tweede schip zag dit, en maakte dat ze wegkwamen. Ze liepen alleen vast aan de grond. Toen ze zagen dat de piraten richting hen kwam zeilen, staken ze zelf het schip in brand. Toen het derde schip dit zag, gaven ze zich spontaan over. Maar Morgan was er nog niet! Morgan moest nog langs het sterke fort. Hier had hij weer een slimme list op bedacht. Hij liet steeds kano's heen en weer varen naar het land. Als de bemanning op het land aan kwam klommen ze hoog de bomen in. Terug naar het schip lieten ze een man per kano varen. Zo wekte ze de indruk voor de Spanjaarden dat de mannen landinwaarts waren gaan. Stiekem waren de mannen weer aan de zijkant van de kano's geklommen en plat op hun buik gaan liggen. Dit herhaalde zich een aantal keer. De Spanjaarden verwachtte een aanval vanaf het land. Ze brachten alle verdediging naar landkant van het fort. 's Nachts greep Morgan zijn kans en voer zo snel als hij kon langs het fort, waar bijna geen verdediging meer stond. Toen de Spanjaarden het door hadden was het al te laat. De kanonskogels raakte Morgan en zijn bemanning niet meer, ze waren ontsnapt.

Morgan was een sluwe man. Ook heeft hij namelijk in hetzelfde jaar het stadje Portobello veroverd aan de kunt van Panama. Hij had het stadje veroverd. Alleen de gouverneur van de stad was in een fort gevlucht met de voornaamste stedelingen. Hier hadden ze ook al hun rijkdommen opgeslagen. Een aantal keer probeerden de zeerovers het fort te bestormen. Dit was tevergeefs en ze verloren veel mensenlevens. Na gezien te hebben dat dit niet werkte, bedacht hij weer een list. Hij liet alle monniken en nonnen uit het klooster halen met de gedachten dat de diepgelovige christelijke Spanjaarden hen niet zouden beschieten. Hij liet de monniken en nonnen brede ladders, waar vier mensen tegelijk op konden, neerzetten. Morgan had het mis, ze werden wel neer geschoten. Toch konden de piraten hierna snel omhoog klimmen met handgranaten, en was het fort binnen mum van tijd veroverd.

De vrouwelijke boekanier Anne Bonny had ook een slim plan wat herhaaldelijk goed werkte. Ze wist dat angst en verbijstering een goed middel waren om mee te werken in plaats van messen en zwaarden. Ze viel bij maanlicht aan. Op de zeilen had ze het bloed van schildpadden gesmeerd. Zelf ging ze aan dek staan met een strooien pop, net zo groot als haar, voor haar. Op deze pop hakte ze flink in met een bootshaak. Aan deze bootshaak zat bloed zodat het de indruk wekte dat ze iemand vermoorde. De boten die naderde en dit zagen gaven zich al snel over. Bonny had nog meer trucs om een schip makkelijk te veroveren. Ze zag een mooi luxeschip met kanonnen. Ze kleedde zich heel vrouwelijk aan. Met haar vrouwelijke charmes probeerde ze de kapitein te verleidde. Dit lukte, hij nodigde haar uit aan boord. Ze vroeg of de bemanning niet bij haar wou zijn want dit was niet goed voor haar reputatie anders. Terwijl ze alleen was met de kapitein mengde ze een slaapdrankje voor hem. Diende dit toe, en binnen de kortste keren was de kapitein vertrokken naar dromenland. Ze verliet het schip weer. De volgende ochtend viel ze het schip aan. De kapitein wou een tegenaanval doen, maar merkte tot zijn grote verbazing dat de kanonnen niet vuurde want de slagpinnen waren onklaar gemaakt. Met gemak veroverde ze het schip.

Kleding

Jassen

De meeste jassen die werden gedragen in de Vroegmoderne tijd waren korte wijde jasjes die net tot boven de heupen kwamen. Ze hadden manchet knopen aan de voorkant. De jassen waren vrij vormeloos. Ook waren er de lange jassen. Deze waren in tegendeel tot de korte duidelijk vormgegeven naar het lichaam. In de meeste gevallen werden er onder de jassen vesten gedragen. Deze vesten waren vaak fel gekleurd, of hadden een patroontje. Lange jassen

Broeken

Er waren veel verschillende soorten broeken populair. De meeste mensen aan land droegen korte smalle broeken. Deze werden daarom ook gedragen op het dek. Toch werden er ook ruimere broeken verkozen. De zogenaamde slop-broeken. Deze waren kenmerkend voor de zeilers. Alleen de zeilers droegen deze broeken. De broeken waren gemaakt van oud doek of zeildoek. Hierna werden ze nog bedekt met teer wat zorgde voor waterdichtheid. De zeilers werden ook gezien met een andere broek. In het begin van de achttiende eeuw kwam de Slopbroeken lange broek in. Deze waren niet meer gedragen sinds de Middeleeuwen. Anne Bonny en Mary Read droegen ze ook. ze zijn waarschijnlijk populair geweest tijdens de Gouden eeuw.

Schoeisel

Meestal worden piraten afgebeeld met laarzen. Maar de schoenen waren in werkelijkheid veel populairder bij de piraten. Laarzen waren veel duurder en minder praktisch. Ze waren van leer gemaakt, vast gestrikt of met een gesp. De veters gebruikten ze vaak als ze aan het werk waren. En de dure modieuze gespen werden gebruikt voor aan wal. In de schoen werd een kous gedragen tot net boven de knie. Deze kous was gemaakt van linnen, katoen, zijde of wol. En natuurlijk waren er ook de piraten die geen schoeisel aan hadden. Maar dit was onpraktisch aan gezien je ook in het touwwerk moest klimmen.

Hoofddeksels

Een getuige heeft bij het proces van Anne Bonny en Mary Read gezien dat ze een zakdoek om hun hoofd hadden gebonden. Deze worden dan ook vaak met piraten geassocieerd. De zakdoeken verschillen wel met de zakdoeken van. Het zijn grote, rechthoekige stukken materiaal die werden vastgebonden als bandana.

Een van de bekendste piratenhoed is de tricorn. Dit is een kleine hoed met drie omhoogstekende punten. Hij is een soort van naar achteren gericht, zodat hij niet afwaait bij een hard windbriesje. Ook de rondhoeden waren zeer populair. Ze leken op de tricorns maar deze zijkanten stonden niet omhoog. Er werden ook een soort van caps gedragen. Dit waren kleine wollen mutsen die nauw om het hoofd zaten. Ze hadden twee flappen aan de zijkant die kon worden neergeklapt over de oren. Er nog een andere variant van de cap. Deze was soms gemaakt van bont, soms gemaakt van ruige wol. Dit gaf een ongelofelijke warmte en waterdichtheid. Deze kon ook niet afwaaien in de wind.

Kleding met slecht weer

Veel van de kleding wie piraten droegen waren ontworpen voor verschillende weersomstandigheden. Toch was het niet allemaal geschikt voor enorm koud, nat en slecht weer. Hiervoor was de gespecialiseerde kleding ontworpen. De jassen met een open voorkant werden vervangen voor een korte kiel of een jurk. Deze leken sterk op de jas qua vorm en grootte. Maar hij was van de voorkant gesloten, en werd hierdoor meer gedragen als een soort van lange trui. Er werden ook wel hele grote 'rugjassen' gedragen. Deze waren gevoerd met dikke wol. De kleding was, zoals eerder gezegd vaak ingesmeerd met teer, wat ervoor zorgde dat het waterdicht was. Maar ook werd er in plaats van teer, gebruik gemaakt van walvisolie. Met name in de Atlantische oceaan werd hier gebruik van gemaakt. Als hoofddeksel werd er vaak gebruik gemaakt van de cap, of een ander soort muts. Er werd toentertijd al gebruik gemaakt van wollen handschoenen en wanten. Verder waren er ook gebreide hemdjes.

Accessoires

Er werden veel doekjes om de nek gedragen door zeelieden in de zeventiende tot negentiende eeuw. Ze waren vaak gestreept of met een patroontje, maar het kwam ook voor dat ze egaal waren. Vooral in de zeventiende eeuw werden veel egale blauwe halsdoekjes verkocht. Deze halsdoeken zijn waarschijnlijk later gebruikt als bandana.

Sjerpen kan je in het hieronder volgende stukje van Robert Drury lezen dat werd gedragen. Nou wordt er in verdere bronnen nergens vermeld dat sjerpen werden gedragen. Het kan een bepaalde Franse mode zijn geweest van dat moment. Als je de bronnen verder bekijkt zie je ook vaak een stok of knuppel terug komen. Deze werden gebruikt door de stadheren. De piraten wouden aan deze mode meedoen. Zo liepen ze mee met de mode, en was het tegelijkertijd een handig wapen bij een onverwachte situatie. Bandana's De boekaniers hadden een opvallende kledingstijl. Je kon ze goed onderscheiden van de rest van de piraten. Een deel draagt een lang zwart overhemd wat lijkt op een schort. Dit schort wordt veel gedragen bij de jacht en is erg populair in de achttiende eeuw. Hij draagt hier een riem, zilveren sjerp of koord om heen. Dit doet hij om het schort lichtelijk op te tillen, zodat hij zijn benen vrij kan bewegen. De boekaniers, met name de franse, dragen lange broeken. Deze kleding is echte jachtkleding. Ze zijn klaar voor de strijd. Deze kleding werd dan ook niet gedragen in het gewone dagelijkse leven. Ze droegen geen kousen maar wollen korte sokjes, of ze waren blootsvoets. Zoals de meeste zeelieden droegen de boekaniers toch meestal ook wel een kort jasje. De West-Indische boekaniers droegen ook vaak een mutsje. Op dit mutsje zat op de voorkant een smalle piek. De boekaniers die het land op gingen, door de struikgewassen heen ploeterden, was de kleding ontworpen met als doel dat het praktisch moest zijn. Er zijn twee lijsten gevonden waar opstond welke kleren een zeeman droeg. De eerste lijst was gevonden in Royal Navy in 1663. En nog een lijst die lag bij een Jamaicaans schip, veroverd door de Spaanse in 1665. Op deze laatste lijst vonden ze de volgende gegevens. Canvas jassen, canvas onderbroek die waarschijnlijk wel verwijst naar een gewone broek, katoenen vesten en onderbroeken, T-shirts, schoenen, linnen en katoenen kousen, mutsen en als laatste tapijten wat waarschijnlijk verwijst naar overjassen. Er waren boekaniers die als soldaten op weg gingen. Deze hadden vaak een rood jasje, grijze broek en gebreide muts. Als ze op weg gingen naar de Antillen kregen ze vaak niet andere kleding aangereikt. Wat ervoor zorgde dat het erg warm was. Heel soms was er wel een stop in het Caribische gebied.

€ond 1710 bezocht Robert Drury een piratenkolonie. Hij schreef in zijn dagboek het volgende over de kleding: 'Een van deze mannen was een Hollander, die Jan pro heette. Hij ging gekleed in een korte jas met verzilverde knopen en zag er netjes uit, hoewel hij geen kousen of schoenen aanhad.

VOETNOOT

Bartholemew Roberts, beter bekend als Black Bart droeg altijd modieuze kleding. Zijn jas, kuitbroek en vest waren gemaakt van rood damast. Als de kleding rood was, betekende het rijkdom. Dit kwam doordat de textielverf werd gemaakt van dure fijngestampte cochenilleluizen uit Mexico. Ook droeg hij nog een gouden ketting met diamant, en een rode veer op zijn hoed. En verder een sjerp om zijn wapens in te bewaren. Bartholemew Roberts Jack Rackham was een zeeman, maar stond ook bekend als piraat. Hij had als bijnaam Calico. Calico betekent fijne katoen. Deze bijnaam heeft hij te danken aan de kleurrijke katoenen die hij altijd droeg.

Piraten aan wal

Van Florida tot Venezuela waren er veel kleine en grote eilanden. Deze eilanden hadden begroeide zandbakken en veel struiken. Ze waren onbewoond. Deze eilanden waren perfect voor de piraten om toe te slaan. De grote eilanden hadden namelijk ook veel inhammen, kreken en lagunes. Hier konden piraten zich in verstoppen voor de oorlogsbodems. Op deze eiland konden ze hun schepen herstellen, of hun buit verbergen. Door hier te gaan zitten kregen ze altijd eerst hun prooi in het vizier, voordat zijzelf werden opgemerkt.

De Caribische boekaniers hadden als roversnest eerst het eiland Tortuga, wat vlak ligt boven het huidige Haïti. Maar de Spanjaarden zorgden een aantal keer dat er geen zeerovers meer voor kwamen. Daarom gingen de boekaniers over op het stadje Port Royal, wat ligt op de zuidkust van Jamaica. Dit eiland behoorde toe aan Spanje, maar was door de Engelsen in 1655 veroverd. De Engelsen verwelkomden de boekaniers, om de Spaanse en Franse schepen af te schrikken. Hierdoor gebeurde het dat Port Royal het stadje werd van de boekaniers. Het inwoneraantal groeide snel. In 1692 had het al achtduizend inwoners. Het was te merken dat het een piratenrepubliek was want er waren veel bordelen, gokhuizen en kroegen. Dronken en vechtende bemanning, Kapiteins die de vrouwen versierden, markten waar de beroofde buit werd verkocht, pleinen waar nieuwe plannen werden uitgestippeld en veel hoertjes. Dit was het straatbeeld van Port Royal. Totdat in juli 1722 het noodlot toe sloeg. Er kwam een orkaan die alles vernielde. De schepen aan de kust werden losgerukt van hun ankers, en vernielde de stad. Alle huizen waren vernietigd en er dreven vierhonderd lijken rond. Van het stadje was niks meer over.

Het duurde een poosje voordat de boekaniers een nieuw roversnest hadden. Het was het havenplaatsje Nassau, op het eiland New Providence in de Bahama's, geworden. Het plaatsje had niet veel vaste inwoners, maar werd vooral bezocht door piraten, kooplui, smokkelaars en avonturiers. Een tijdgenoot beweert dat op het eiland wel dertienhonderd boekaniers verbleven. Het eiland behoorde toe aan de Engelsen. De Engelsen durfde hier alleen geen wetten te hand haven. Als er onrust was, werd de orde gehandhaafd door de piratenkapiteins zelf.

De Caribische boekaniers stichtten ook op het eiland Madagaskar complete kolonies, die ze inrichten tot een republiek met eigen wetten en gewoonten. De eerste kolonie behoorden tot de bemanning van piratenkapitein Thomas Tew. Dit kwam doordat er in 1690 een ruzie uitbrak op de Rode Zee. Ze hadden een galjoen beroofd. Dit had veel opgeleverd. Daarom wouden een groot deel van de piraten stoppen met de piraterij en rustig verder leven van de opbrengt aan land. Ze gingen aan land op Madagaskar. Thomas Tew zelf ging verder. De piraten die zich vestigden slootten vriendschap met de plaatselijke heerser. Dit vriendschap sluiten ging volgends een oude inlandse ceremonie. Twee mannen gingen tegenover elkaar zitten en verstrengelden hun tenen en vingers. Ze zwoeren mekaar op elk mogelijke manier te helpen en dat ze dezelfde vrienden en vijanden hadden. Ook zeiden ze 'Als we deze eed breken, mag een speer ons doden, een krokodil ons verslinden of de hand van God ons neerbliksemen.' Daarna maakte een helper een snee in de borst van de eedafleggers. Het bloed wat er uitstroomde werd gesmeerd op brood. Dit brood werd dan door de ander opgegeten. Als je de eed brak, werd je voor altijd door de stam gestraft. De piraten kregen een aantal keer als taak te vechten voor de plaatselijke heerser. De krijgsgevangene die ze daarmee maakten, hielden ze als slaven om voor hen te vissen, rijst te planten en te jagen. Hier hadden ze niet altijd genoeg aan. Daarom zorgden de vaste bewoners voor het tekort, als dank voor de bescherming. Het leven van de piraten was er luxe. Ze kregen persoonlijke bedienden. Ze trouwden met meerdere vrouwen. Sommige piraten hadden soms wel een heel harem. Omdat de piraten zo'n luxe leven leidde, nam het aantal piraten snel toe. Hierdoor begonnen de piraten zich te verspreiden over het land. De piraten namen al hun bedienden, vrouwen en kinderen mee. Ze voelen zich koning ter rijk. Ze begonnen zich zelfs te gedragen als tirannen. Als een vaste land bewoner iets deed wat het niet beviel, vermoorde zij ze. Ook de piraten zelf vonden de dood, omdat ze ruzie kregen onderling. Toch verenigden de piraten zich ook nog op een gegeven moment. Een minnaar van een piraat had te horen gekregen dat de vaste land bewoners het zat waren en van plan waren alle piraten in een nacht te vermoorden. De minnaar verspreidde dit zo snel mogelijk en het werkte. Toen de piraten zich hadden verenigd schrok het de vaste land bewoners al genoeg af. De piraten wouden dit niet vaker mee kwamen. Om dit te verhinderen stookten ze ruzies tussen de vaste land bewoners zelf. Dit deden ze zodat ze zich nooit meer zouden verenigen. Het werkte, en de piraten hielden zich neutraal. Als de vaste land bewoners hulp vroegen aan de piraten, vanwege hun wapens en krachten, beviel de piraat ze bij de op het land te komen wonen en voor hem te werken. In geval van nood ook te vechten. Het huis van de piraten begon op een fort te lijken. Ze hadden een hoge omheining en een diepe gracht. Via een smal pad, wat leek op een doolhof, kwam je bij de woonhut ergens tussen de bomen en struiken. Voor mensen die het fort 's nachts wouden besluipen waren er bepaalde bomen geplant die met de punt naar boven staken. De piraten hielden het in Madagaskar nog lang vol.

Na de piratengroep van Thomas Tew, besloot ook de piratenkapitein Misson en zijn bemanning zich te vestigen en een kolonie te stichten op Madagaskar. Het werd noord Madagaskar, waar ze al snel dokken voor de schepen en een versterkt stadje oprichtte. De nederzetting was bedoeld als toevluchtsoord en als woonplaats voor de piraten die het voor gezien hielden. Het kreeg de naam Libertalia, wat komt van het Latijnse woord libertas wat vrijheid betekent. Aan beide kanten van de ingang bouwden ze een achthoekig fort. Hierin zette ze twintig kanonnen die waren veroverd van Portugese schepen. Daarna bouwden ze binnenin de nederzetting huizen en loodsen. Voor dit alles verzaagden ze honderdvijftig bomen, zonder een bewoner van het vaste land tegen te komen. Tot dat een deel van de piraten ging jagen op het wild. Ze kwam een bewoner tegen gewapend met pijl, boog en speer. De ontmoeting verliep vreedzaam. De man werd drie dagen ontvangen in het kamp, en kreeg zelfs als afscheidscadeau een stuk lakense stof en een bijl mee. De piraten volgden de man, en kwamen na meer dan veertig kilometer in de buurt van een dorp. Hier wisselden ze geschenken uit met een afvaardiging van de chef. Alleen het dorpje durfden ze niet in te gaan. De andere kapitein Thomas Tew kwam de nederzetting bekijken. Hem leek dit ook wel wat. Hij ging samenwerken met Misson. Misson gaf de opdracht aan Tew een slavenschip te veroveren om de bevolking groter te maken. Tew deed dit en bracht tweehonderdveertig zwarten aan wal. De slaven werden bevrijd en werden gelijk behandeld. Ze hielpen mee aan de uitbouw van de kolonie. Het gezelschap bestond toen uit Engelsen, een paar Nederlanders, Afrikanen, en vaste land bewoners van Madagaskar. Misson gaf de opdracht aan een paar mannen om rond Madagaskar te zeilen en precieze kaart te maken van de kusten, zandbanken en de diepte van het water. De twee schepen deden hier wel vier maanden over. Ondertussen waren ook de vaste land bewoners een kijkje komen nemen. Ze leerden de taal al lichtelijk. En al zes families gingen zelfs wonen in het stadje. De indringers werden goed ontvangen door de vaste land bewoners. Tew had een Nederlands schip veroverd in de buurt van het eiland Mascarenas. Dit schip had veel Europese goederen die erg welkom waren. Na deze winst vertrok Misson naar de Arabische kust. Ook hij veroverde een schip. Het was een groot schip van een Indische heerser. Het schip bevatte een rijke buit aan diamanten, goud, balen zijde, tapijten en specerijen. Aan boord waren 1500 passagiers. Deze passagiers waren op pelgrimstocht naar Mekka. Er werden honderd meisjes tussen de twaalf en achttien jaar meegenomen naar het piratenstadje. De rest werd aan land gezet. De meisjes waren bestemd om te trouwen met de vrijgezelle piraten, wat er steeds meer werden. Na de terugreis werd het schip uit elkaar gehaald. De kanonnen werden gebruikt bij het stadje ter verdediging, wat achteraf een goede stap bleek. Al snel kwamen er Portugese oorlogsboten die het een poging gaven even snel het piratennest uit te roeien. Poging mislukt want het kostte ze drie geschonken schepen en een schandelijke vlucht. De kolonie was inmiddels uit gegroeid tot meer dan duizend piraten. Elke piraat kreeg een stuk afgebrand land. Op dit stuk land mochten ze een definitief huis bouwen. Hierbij kochten ze driehonderd stukken vee van de vast land bewoners. De snel uitgegroeide kolonie wilden ze na een tijd een beetje orde proberen te scheppen door er een echte piratenrepubliek van te maken. Zoals jullie weten waren de piraten democraten. Daarom werden hier ook democratische regels opgesteld. Deze werden als volgt gemaakt. Eerst was er een groepje van tien piraten. Elk groepje koos een afgevaardigde. Deze afgevaardigde zouden samen de wetten en regels bedenken. Er werd een leider benoemd voor drie jaar die erop zou toe zien of deze wetten en regels werden nageleefd. Hij kon na zijn tijd herkozen worden, of hij kon worden afgezet. Deze leider werd bijgestaan door een raad met de bekwaamste mensen. Land van herkomst of ras speelde hierbij geen rol. De piraten kwamen minstens eenmaal per jaar bij elkaar om over de belangrijkste zaken te discussiëren. Dit is het enige voorbeeld in de geschiedenis waar er een kleine republiek is ontstaan met wetten. Toch begon de piratenrepubliek na tien jaar leeg te stromen. Dit kwam doordat er ter gelegenheid van de Vrede van Rijswijck de piraten werd aangeboden om te stoppen met de piraterij. Als ze dit deden, zouden ze niet meer worden vervolgd. Veel piraten grepen deze kans en gingen terug naar hun vaderland. Misson en een aantal overgebleven piraten kregen te maken met een opstand van de vaste land bewoners. Misson kon met 45 man ontsnappen. Hij had de opstand overleefd. Alleen was het treurige dat hij zijn reis vervolgde naar Amerika, alleen Amerika nooit bereikte omdat hij om was gekomen in een storm.

Toen de Caribische piraterij rond 1800 aan het doodbloeden was, stichtte José Gaspar een nieuwe piratenkolonie. Hij was een Spaanse ex-admiraal geweest, die op kapers had gejaagd. Hij was op het Spaanse hof beschuldigt van diefstal van de Koninklijke juwelen. Hij vluchtte met nog wat mannen de zee op. Veel kapiteins sloten zich bij hem aan. Hij stak het ene na het andere Spaanse schip in brand. Toch werd het na verloop van tijd te gevaarlijk voor de piraten op de Caribische zee. Dus trokken ze naar de Golf van Mexico. Hier ontdekte Gaspar een paar kleine eilandjes aan de westkust van Florida. Deze eilandjes hadden mijlenlange mangrovemoerassen, doolhoven van beschutte inhammen, kronkelige riviermonden, mistige baaien en lagunes. Deze eilanden waren de perfecte plaats als thuisbasis voor het beroven van de Golf van Mexico, en hiermee een fortuin uit te bouwen. Hij koos het kleinste eilandje uit. Wat hij heel toepasselijk tot Gasparilla Island doopte. Hij liet zijn achterban in de buurt van zijn mooie woning een kolonie uitbouwen. Deze kolonie groeide uit tot een slordige opeenhoping van hutten met daken van palmbladeren. De huizen werden gebruikt als woning, kroeg, gokhal of bordeel. Op de andere eilandjes vestigden de kapiteins zich die zich bij Gaspar hadden aangesloten. Vanuit deze eilanden werden veel handelsschepen overvallen. Gaspar kreeg al snel de bijnaam 'koning van de Florida-piraten.' Dit duurde niet meer voor lang. Florida werd van Spanje aan de Verenigde Staten verkocht in 1819. De Verenigde Staten had in de loop der tijd ook een geduchte zeemacht uigebouwd. De piratenschepen werden steeds meer gepakt. Ook dankzij de Engelsen en Fransen die in de Amerikaanse wateren patrouilleerden. Dit wekte angst op bij de piratenbewoners van Gasparilla Island. Daarom gingen veel piraten ervandoor. Ze groeven hun schatten op en trokken naar de Indische oceanen. Gaspar wilde zich niet zo vlug gewonnen geven. Totdat hij in 1821 hoorde dat er een speciale anti-pirateneenheid werd gesetteld op de westkust van Florida. Gaspar liet ook zijn schatten opgraven. Terwijl hij dit deed melde een wachtpost dat er een Engelse koopvaarder in zicht was. Gaspar wou deze buit er ook nog wel bij hebben. Hij voer naar het schip toe. Toen hij dichtbij het schip kwam zag hij dat de Engelse vlag werd verwisseld voor de Amerikaanse. De oudste piratentruc werd nu toegepast op een piraat zelf! Camouflagezeilen werden door de Amerikanen van de kanonnen gehaald en Gaspar zag geen kans meer. Hij wikkelde een stuk anker om zijn middel, vervloekte de Amerikanen en liet zich overboord vallen. Hij verkoos het zeemansgraf boven het gevangen genomen worden door de vijand. Dit was het einde van de Caribische macht.

Wat waren de consequenties voor buitenstaanders, en hoe ging de overheid om met zeeroverij in de Vroegmoderne tijd? In de tijd van koningin Elisabeth waren er een aantal machtige piratenleiders, het waren leden van de familie Killigrew uit Cornwall. Deze familie had erg veel macht in Engeland, door deze positie konden andere mensen hun ook weinig maken. Het feit dat deze familie dus in contact was met piraten maakte dus helemaal niks uit. De familie hield zich jarenlang bezig met het organiseren van overvallen, het verkopen van de buit en het aankopen van nieuwe schepen voor piraten. Alleen de echte piraterij lieten ze over aan anderen.

Een mooi voorbeeld hoe de overheid omging met zeeroverij is in Engeland in de 16e eeuw. Koningin Elisabeth liet de piraten die achter Spaanse schepen aan gingen met rust. Ze gaf zelfs kaperbrieven en zorgde dat ze zelf een groot deel van de winst in handen kreeg. Zelfs toen er vrede was tussen Engeland en Spanje zag ze de piraterij nog door de vingers. Tegen de piraten die in de Engelse wateren voerden, heeft Elisabeth hard opgetreden. Maar helaas zonder succes. Tegen de kleine groepjes piraten was ze nog opgewassen, en kon ze makkelijk verdrijven. Maar tegen de grotere groepen stond ze machteloos. Burgemeesters, douaneambtenaren ze werkten bijna allemaal mee, ze lieten zich maar al te graag omkopen. Ook de hogere zoals de marineofficieren, de commissarissen van de koningin, en de rechters knepen maar Queen Elisabeth

al te graag een oogje dicht.

Soms kon de overheid de druk van de piraten niet meer aan. Dit was het geval in 1585, de Spanjaarden hadden toen heel Antwerpen belegerd. De hertog van Parma bouwde een gigantische brug boven de stad, en zodoende vielen ze de watergeuzen aan met vuurwapens. Het eindigde in een spectaculaire vuurzee die de brug, de Spaanse moraal en veel ander gebied verwoestte. Hier waren dus ook veel burgers de dupe van. Maar hoe onverwacht het ook is ondanks alle verwoestingen viel de stad pas na vier maanden. Hiermee bewees het Spaanse leger dat ze goed zijn op het land, maar dat ook alleen. Want de watergeuzen hielden nog steeds hun Hertog van Parma poot stijf bij de rivieren, meren, kanalen en de kust van Holland. De oplossing van de Spanjaarden was het creëren van vijandige piraten als bedreiging.

Ook in de kolonies speelde de overheid het spelletje mee. Het begon allemaal toen de Spanjaarden alle andere landen verboden hun waren te verkopen in Spaanse kolonies. Er ontstond zo een groot tekort, en hierdoor stegen de prijzen fors. De plaatselijke handelaars waren verzot op de piraten, en hun goederen. Hier konden ze tenminste voor een lage prijs hun spullen kopen, en zo voor veel meer geld weer verkopen. De grotere handelaren gaven de piraten zelfs alle nodige spullen (soms zelfs boten) die ze nodig hadden om zo door te gaan.

De overheid deed ook vaak of het niet opviel wat de piraten aanrichtten. De Fransen en Engelsen hadden in de 17e eeuw Spaans land veroverd of delen van de Caribische eilanden. Toen de overheid dit hoorde werden ze gelijk bondgenoten. De overheid zag de piraten als kostwinners, en te gelijkertijd vochten ze tegen de vijand. Een ander voorbeeld waarbij de overheid deed of haar neus bloedde, is in de tijd dat de Noord-Amerikaanse staten zich onafhankelijk probeerden te maken van Engeland. De beruchte kapitein Zwartbaard viel alle Engelse schepen aan. Doordat hij werd beschermd door een gouverneur, kon hij moeiteloos zijn buit kwijt in Amerikaanse havens. Bijna overal was er wel een gouverneur of ambtenaar te vinden die in ruil voor goederen en geld zorgde voor een vrijhaven voor de piraten. En als er eindelijk eens een eerlijke gouverneur was, werd hij al gelijk raar aangekeken, en tegengewerkt.

De boekaniers vaarden op de Amerikaanse wateren. Maar later ging ze zich uitbreiden naar West-Afrika waar ze vooraal richting Guinea vaarden om schepen te onderscheppen die met slaven en ivoor naar Amerika voeren. Later ging ze om Zuid-Afrika heen, de Indische oceaan op. Hier onderschepte ze de Portugese schepen met de ladingen met specerijen en kostbare stoffen.

In september 1718 bracht de Engelse koning een groot pardon uit. Als je stopte met de zeeroveractiviteiten dan zou je niet voor de rechter hoeven te verschijnen. Ook de Barbarijse zeerover Claes Compaen maakte hier gebruik van. In 1627 stopte hij met zijn zeeroveractiviteiten, en leefde hij een rijk burgerleventje in de Oostzaan. Je had niet verwacht dat de beruchte Claes Compaen zo zijn piratenleven zou beëindigen.

Één van de problemen die de kaapvaart met zich mee droeg, was dat de kapers niet altijd binnen de grenzen van hun gebied bleven. Deze brief gaf meestal alleen toestemming om schepen aan te vallen die onder een bepaalde soort vlag over zee vaarden. Vooral op de grote zee kon het wel weken of maanden duren voordat je eindelijk een schip vond dat aan de uitgereikte kamperbrief voldeed. En dan moest je ook nog eens het geluk hebben dat er genoeg buit aan boord was, anders had je er nog weinig aan. In de piraterij verdiende men meer dan het aandeel wat je kreeg als kaperbemanning.

Om de kapers te slim af te zijn beschermde ze zichzelf vaak met papieren en vlaggen van andere landen. Een voorbeeld hiervan was een Brits schip, de bemanning van dit schip toonde een aan William Kidd (een engelse kaper) Franse papieren, omdat ze William Kidd zelf al een Franse vlag hadden zien hijsen. William Kidd ging toen over tot inbeslagname van het schip, en werd hier uiteindelijk voor veroordeeld en geëxecuteerd wegens piraterij. In 1856 tijdens de Declaratie van Parijs hebben de Europese machten hierom ook de kaapvaart afgeschaft. Veel andere landen volgden tussen 1899 en 1907 bij de Haagse Conventies.