Het was een periode geweest waarin de wereld opkrabbelde na de Tweede wereldoorlog, een periode van wederopbouw en herstel. Het waren de jaren van het atoomtijdperk, met het bijbehorende eenvoudige beeld van de wereld, die er in het Westen was: De Amerikanen zijn goed, de Russen slecht. Die boodschap hoorde je dagelijks op de radio, zag je op de televisie, las je in de kranten. Mede doordat die media zo'n enorme invloed op het dagelijkse leven hadden, nam ook de internationale samenwerking toe. Er werd gewerkt aan het bedenken en oprichten van organisaties als de Benelux en de EEG( Europese Economische Gemeenschap, tegenwoordig de EU). En die samenwerking was ook hard nodig. Tot nu toe waren diverse landen immers op zichzelf gebleven, daarbij vooral ook gesteund door de inkomsten van de producten uit hun koloniën. Maar die koloniën vielen langzamerhand weg en men moest wel samenwerking met andere landen zoeken. Zo werd de wereld kleiner. Het toerisme stak de kop en zelfs de jeugd begon aan het einde van de jaren vijftig al voorzichtig zelfstandig op vakantie te gaan.

Politiek '45-'59

Na de Tweede Wereldoorlog moest Nederland weer opgebouwd worden. De oorlog had grote verwoestingen aangericht. Ook moest het land opnieuw geregeerd worden. In de samenleving wilde men een nieuwe start maken en niet terugkeren naar het vooroorlogse hokjessysteem. Ook de koningin hoopte op een nieuwe tijd. Aan het begin van de oorlog was het oude stelsel immers ineengestort. Zij was van mening dat de zwakheden van het parlementaire stelsel moest worden gerepareerd. Een nieuwe mentaliteit zou voor een betere politiek systeem kunnen zorgen. In mei 1945 werd de Nederlandse Volksbeweging opgericht. De NVB wilde met de oude partijen overleggen hoe progressieve Nederlanders in een nieuwe partij konden worden verenigd. Naast enthousiasme was er ook veel kritiek. Het oud-illegale blad Metro tekende medeoprichter en voorzitter van de NVB Willem Schermerhorn als de schepper van een nieuw monster van Frankenstein. De NVB wilde niet als politieke partij opereren. Zij stimuleerde in 1946 de oprichting van de Partij van de Arbeid, waarin de SDAP, de CDU, de Vrijheidsbond en de Vrijzinnige Democratische Bond opgingen. OP het stichtingscongres van de PvdA heerste optimisme. Dat optimisme bleek voorbarig. Enkele maanden na de oprichting van de PvdA toonden de eerste naoorlogse verkiezingen aan dat de aanhang van de oude partijen nog zeer groot was. De zetelverdeling in de Tweede Kamer week niet ingrijpend af van die in 1937, het jaar van de laatste vooroorlogse verkiezingen. Het Nederlandse volk bleek geen behoefte te hebben aan grote politieke vernieuwingen. Het oude zuilensysteem stond voorlopig nog stevig overeind. In 1951 werd de NVB opgeheven. Zowel de SDAP als de RKSP wilden onafhankelijker opereren. De SDAP brak met het marxisme en ging op in de Partij van de Arbeid. De RKSP bleef weliswaar een rooms-katholieke partij, maar door zich Katholieke Volkspartij (KVP) te noemen, gaf ze aan te willen openstaan voor niet-katholieken. Politieke partijen werden na de oorlog meer programmapartijen dan beginselpartijen. Wat voor de oorlog ondenkbaar was, gebeurde na de oorlog, namelijk politieke samenwerking tussen PvdA en KVP. Die samenwerking duurde van 1946 tot 1958. In de loop van de jaren 50 groeiden de PvdA en KVP uit elkaar. De PvdA werd zelfbewuster en drong door op eigen ideeën, zoals krachtige wettelijke instrumenten voor de overheid om de markteconomie en de arbeidsverhoudingen te ordenen. De katholieken gingen minder ver, zij wilden alleen daar overheidsoptrede waar geen of onvoldoende leiding werd gegeven door maatschappelijke organen. Dat standpunt is bekend geworden als de subsidiariteitsbeginsel. Waar mee werd bedoelt dat zaken die door een lager orgaan kunnen worden geregeld, niet in handen van een hoger orgaan moeten komen. Ook op het punt van bezitsvorming waren er verschillen. De KVP hechtte er grote waarde aan, terwijl de socialisten andere prioriteiten hadden. Zij vonden een sterkere vakbeweging belangrijker en zetten zich in voor verbetering van de positie van de arbeiders. De verhouding tussen de katholieken en socialisten was ook onder druk komen te staan door het mandement van de bisschoppen.

Die zagen tot hun schrik het gevaar van een politieke doorbraak van de PvdA in het zuiden, het traditionele bolwerk van de KVP. Het mandement van de bisschoppen, een herderlijk schrijven op 30 mei 1954 verschenen in een oplage van 275.000 exemplaren onder de titel: De katholiek in het openbare leven van deze tijd.

De bisschoppen veroordeelden scherp de doorbraakbeweging. Nederlandse katholieken mochten alleen via katholieke organisaties communiceren met niet-katholieke groeperingen. Het lidmaatschap aan de PvdA werd niet direct aan de katholieken verboden, maar wel sterk ontraden. De CPN werd harder aangevallen als een 'duivels instrument'. Het lidmaatschap van het NVV werd verboden. Hetzelfde gold voor het regelmatig lezen van socialistische tijdschriften en het beluisteren van uitzendingen van de VARA. Op korte termijn had het mandement effect. Het aantal leden van de KVP steeg van 270.000 in 1954 naar 430.000 in 1955. Deze keer gehoorzaamden de gelovigen nog. In december 1958 brak de regeringscoalitie door een KVP-amendement over tijdelijke belastingen. De PvdA-ministers stapten uit de regering.

De rooms-rode kabinetten, aangevuld met ministers uit de ARP, CHU en VVD, onder leiding van de socialist Willem Drees, gaven dus leiding aan de wederopbouw van Nederland. Voor koningin Wilhelmina was het gebrek aan daadwerkelijke vernieuwing in het naoorlogse Nederland een grote teleurstelling, die ze moeilijk kon verwerken. In 1948 deed ze afstand van de troon ten gunste van haar dochter Juliana. Ze leefde tot haar dood in november 1962 teruggetrokken.

Economie '45-'59

De economie was totaal ontwricht door de oorlog. Er was sprake van armoede en ellende in Nederland. De Nederlanders konden in de naoorlogse jaren nog maar weinig geld besteden. Het doorsnee gezin had het niet breed en was zuinig. Na de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog bleef de schaarste aanvankelijk nog bestaan. En werd er nog gebruik gemaakt van de distributiestelsel. Er werd grote nadruk gelegd op het zuinig omgaan met het gezinsloon. Tot aan de Tweede Wereldoorlog had Nederland met behulp van de Indische exporten de dollars kunnen verdienen waarmee onder meer de importen uit Amerika konden worden gefinancierd. Deze driehoekshandel was ook voor de Verenigde Staten van groot belang geweest, omdat zij langs deze weg van tropische landbouwproducten konden worden voorzien. Door het conflict in Indonesië, waar de 'Republik Indonesia' het Nederlandse gezag verwierp, kwam die handelsstroom na de oorlog maar moeizaam op gang. Nederland had daardoor een acuut dollartekort, wat de wederopbouw ernstig belemmerde.

Daarnaast had de Tweede Wereldoorlog het Duitse achterland vernietigd. Hierdoor was de tweede pijler van de Nederlandse economie, de doorvoerhandel, ernstig getroffen. In feite waren beide levensaders van Nederland in die eerste naoorlogse jaren afgeknepen. Daarnaast kreeg Nederland Marshallhulp aangeboden van Amerika, om de economie weer te herstellen. De Amerikaanse regering stelde in het kader van de Marshallhulp vanaf 1948 ruime fondsen ter beschikking van de Europese landen. De hulp, genoemd naar de Amerikaanse minister van Buitenlandse zaken, was bedoeld om Nederland te helpen bij het herstel van de economie. Bovendien hoopten de Amerikanen hiermee de aantrekkingskracht van het communisme te verminderen. Dankzij 1079 miljoen Amerikaanse dollars aan leningen en giften kon de wederopbouw in Nederland krachtig worden aangepakt. Omstreeks 1950 overtrof de economie het niveau van 1938.

In 1948 verscheen voor het eerst een nota van het ministerie van Economische Zaken, waarin werd aangegeven hoe de overheid de industrialisatie van het land kon en wilde bevorderen. De beslissing om te investeren en het aanvaarden van de bedrijfsrisico's bleef een zaak voor de particuliere ondernemer. De overheid bemoeide zich echter doelbewust met de economie door investeringen te stimuleren en angstvallig de lonen en prijzen te bewaken. Bedrijfsleven, werknemers en overheid moesten Nederland er gezamenlijk weer bovenop helpen. Eigenlijk hadden de vooroorlogse crisiskabinetten al min of meer de toon gezet van een dergelijke politiek. Het liberale model, geen overheidsbemoeienis, was al ruim voor de oorlog verlaten. Wel was het de vrag hoe ver het ingrijpen van de overheid mocht gaan. In socialistische kringen was men voorstander van grote overheidsinvloed. De niet-socialistische partijen gingen veel minder ver. Onder invloed van de gematigde socialist Willem Drees, van 1948 tot 1958, regeringsleider kwam men met de volgende aanpak.

De overheid had zowel een taak op macro-economische gebied, namelijk zorgen voor een stabiel arbeidsklimaat en economische groei, als op micro-economische gebied, de werking van de markt bijsturen, zodat onevenwichtigheden in vraag en aanbod van goederen, diensten en arbeid zo veel mogelijk konden worden voorkomen of verholpen. Het motto was herstel en modernisering. Door een straffe loon- en prijspolitiek werd Nederland een betrekkelijk goedkoop land, gunstig voor de export. Het bruto nationaal product steeg in de jaren vijftig gemiddeld met ongeveer vijf procent per jaar. In 1954 werd voor het eerst een reële inkomensverbetering toegestaan. Tussen 1947 en 1959 steeg het nationale inkomen 149 procent en het brutoloon van een arbeider 105 procent. Een dergelijke loonpolitiek vergde veel van het geduld van de werknemers en de vakbonden. Naarmate de economische resultaten beter werden, was het moeilijker te "verkopen" dat de arbeiders er nauwelijks van mochten profiteren.

Maatschappelijk leven '45-'59

Na de Tweede Wereldoorlog stond Nederland voor een moeilijke taak. Land en volk waren hard getroffen door de oorlog. Behalve over de 106.000 joodse slachtoffers treurde Nederland ook over 92.000 andere doden. De materiële verliezen waren eveneens enorm. Tien procent van de huizen waren verwoest en 27% beschadigd. Tijdens de oorlog waren er heel weinig huizen gebouwd, hierdoor kreeg Nederland met een hardnekkige woningnood te maken, die een van de moeilijkste naoorlogse politieke vraagstukken zou blijken zijn. Ook ging het mis met de opvang van uit kampen teruggekeerde joodse Nederlanders. Er bleek weinig behoefte aan hun verhalen. Nederland moest immers worden opgebouwd, terugkijken had geen zin, vond met toen. Ook werd op een vaak kiese manier omgegaan met de bezittingen van joden. Joodse Nederlanders die de oorlog hadden overleefd, moesten soms erg veel moeite doen hun eigendommen terug te krijgen. Bezit van omgekomen joden kwam meestal niet bij de erfgenamen terecht. De eerste vijf naoorlogse jaren waren uiterst moeilijk. Er was aan alles gebrek. Dankzij uitgebreide geallieerde hulp kon de ergste nood worden gelenigd. Kleding, brandstof en levensmiddelen bleven voorlopig schaars. Veel artikelen waren alleen via bonnen te krijgen. In 1952 werd als laatste artikel koffie vrijgegeven. De bevolking leefde voorlopig verder in de sfeer van de jaren dertig en de bezetting. Ze moesten het hoofd boven water zien te krijgen. Voordat aan opbouw kon worden gedacht, moest er gezuiverd worden. Allerlei overblijfsels uit de bezettingstijd werden opgeruimd. Minister van Financiën Piet Lieftnick leidde de zuivering van het geld. Tijdens de oorlog was het Nederlandse geld vrijwel waardeloos geworden. Op 26 september 1945 verloor het in omloop zijnde papiergeld zijn geldigheid en blokkeerde de overheid alle tegoeden bij banken, spaarbanken en giro-instellingen. Iedere Nederlander mocht tien gulden aan oud geld omwisselen voor nieuw geld in de week van de geldzuivering door te komen. De geldhoeveelheid werd teruggebracht van 8,7 miljard naar 4,2 miljard. Behalve het geld moest nog meer gezuiverd worden. De overheid stelde een Bijzondere Rechtspleging in. Want wat moest er met de NSB'ers, vrijwilligers in Duitse krijgsdienst en collaborateurs gebeuren? In totaal werden 66.000 mensen veroordeeld, van wie 152 ter dood en 900 tot andere zware straffen. Uiteindelijk werden 40 doodvonnissen voltrokken. Een van de geëxecuteerden was Anton Mussert, de leider van de NSB.

Het gaat steeds beter met Nederland in de jaren 50 en de ellende wordt langzaam achter zich gelaten.

Media

Ondanks de introductie van de televisie is de jaren 50 nog voor de radio. Het aantal toestellen groeit spectaculair. Van 2 naar 3 miljoen toestellen. Het luisteren naar Hilversum 1 of 2 kon ik elk gezin zijn eigen vaste patroon hebben. Men kende de begrippen er nog niet van, maar de radio was redelijk horizontaal geprogrammeerd. Vaste programma's op vaste tijdstippen door dezelfde omroepen op dezelfde zenders uitgezonden. Dat jaren achtereen. Vaste programma's als op dinsdagavond de Bonte dinsdagavondtrein, op zaterdagavond Negen heit de klok en de Showboat, op zondagmiddag Ome Keesje de Ramblers en dr.P.H. Ritter Jr. met de boekbesprekingen. Andere vaste programma's waren bijvoorbeeld Artistieke staalkaart, het cultuurprogramma van de VARA en het socialistische commentaar van K.Voskuil. Ook het knippatronenprogramma van Ida de Leeuw-van Rees met haar typische, hoge stemgeluid waren vaste programma's in die jaren. De radio werd veel beluisterd. Dat bleek niet alleen uit de groei van het aantal toestellen, maar ook uit het snel toenemende aantal omroepleden. In tien jaar tijd verdubbelde het aantal tot meer dan twee miljoen. Dat had ook te maken met het beruchte amendement van de bisschoppen, waarbij onder meer werd bepaald dat een katholiek ook lid diende te zijn van de KVP en KRO en in ieder geval niet naar de VARA mocht luisteren. Annie M.G. Schmidt heeft een belangrijk stempel gedrukt op zowel de radio als de televisie. Vanaf 1954 is haar Familie Doorsnee ruim vier jaar lang op de radio geweest in het programma "In Holland staat een huis". Televisie, het wonder, drong maar langzaam door tot de huiskamers. Een toestel kostte duizend gulden, waarmee je vanaf oktober 1951 drie uur per week kon kijken. Dat was niet zo een voordelige aanbod. Ook moest nog eens een tv antenne van een paar honderd gulden betaald worden en dertig gulden kijkgeld. Televisie was in het begin dus iets voor de allerrijksten. En voor enkele slimme caféhouders. Bordjes voor het raam met teksten als "Hier staat een televisietoestel" en "Hedenavond televisie" deden de betreffende cafés volstromen met mensen. De programmamakers hadden gauw in de gaten dat sport een belangrijk promotiemiddel voor de televisie kon zijn. De eerste live voetbalwedstrijd op televisie was die tussen Eindhoven en PSV op 10 september 1950. Alleen in enkele cafés was dit wonder te aanschouwen. Philips had voor dit experimentele uitzending gezorgd met bovenop de reportagewagen twee camera's en een commentator.

Muziek

In Nederland streden Max van Praag en Eddy Christiani jaren om de titel "populairste zanger van Nederland". Het onderzoeksbureau NIPO verklaarde in 1954 Max van Praag, met 6% een stuk populairder dan Eddy Christiani. Maar het muziekblad Tuney Tunes wist in 1953 de grote doorbraak van Eddy Christiani te melden. De man die in Nederland de elektrische gitaar had geïntroduceerd en gesteund werd door het orkest van Frans Optie streefde in datzelfde jaar met 42% de Amsterdamse platenhandelaar en latere organisator van de jazzfeesten flink voorbij. Max van Praag bleef volgens Tuney Tunes op 36% steken. Bovendien was Christiani de eerste Nederlander die, in 1954, een gouden plaat verwierf. Zijn grote hits waren "Op de woelige baren", "Greetje uit de polder" en het met goud bekroonde "Zeemanshart". Bij de zangeressen nam Maria Zamora een bijzondere plaats in. Haar Spaanse en Zuid-Amerikaanse repertoire trok een vast publiek, die haar tot het laatst trouw is gebleven. Anders verging het de Selvera's, de zusjes Mieke en Zus Bos, die slechts 2 grote hits kenden. Namelijk: "Twee reebruine ogen en "De Postkoets"". Er was veel sprake van censuur die door het nieuwe muziekblad Muziek Expres in 1956 scherp werd veroordeeld. Vooral om economische redenen hadden grote orkesten het moeilijk in de jaren 50. Met name dankzij de radio wisten enkele zich desondanks niet alleen te handhaven, maar ook een grote populariteit te verwerven. In 1952 vierde Malando zijn koperen jubileum met een groots muziekspektakel.

Zoals op veel terreinen had de Amerikaanse cultuur ook invloed op de Nederlandse muziek. De Nederlandse radio en de grammofoonplatenindustrie liepen achter de feiten aan. Opgepakt en gestimuleerd door de radioprogramma's van Michiel de Ruyter en Pete Fellemman, die als enigen de Hilversumse boycot van dit muziek wisten te doorbreken. Jazz stond in de jaren 50 op zeer hoog niveau. De door de zwarte cultuur voortgebrachte bleus werd sterk vertolkt door de zangeres Billy Holiday. Een andere vorm van jazz dat gekenmerkt stond in de jaren '50 was de vorm van cool jazz. Het meest cool was het Modern Jazz Quartet, dat mede door vele optredens in Nederland, ook in Nederland voor een grote populariteit genoot. De rock and roll kreeg een nieuwe impuls door het verschijnsel Elvis The Pelvis Presley. Presley verkocht meer dan honderd miljoen platen in de hele wereld. Tienduizenden hysterische fans lagen aan zijn voeten. Zijn Nederlandse fanclub telde in 1959 meer dan vijfduizend leden.

Op dansles merkte je eerst nog weinig van jazz en rock and roll. Er werd nog gedanst op brave muziek van de Engelse ballroomkoning Victor Sylvester en van Malando.

Kunst

De Tweede Wereldoorlog schiep in geestelijk en cultureel opzicht in Nederland een vacuüm. De kunstenaar leefden en werkten geïsoleerd van de internationale culturele ontwikkelingen. Na de oorlog braken opgekropte spanningen en inspiratie los. Het is niet toevallig dat de belangrijkste bijdrage van Nederlandse kunstenaars aan internationale stroming in de twintigste eeuw plaatsvond aan het eind van de jaren 40 en het begin van de jaren 50. In 1948 werd in Nederland de Experimentele Groep opgericht. Tot de grondleggers behoorden de beeldende kunstenaars Karel Appel, Constant Nieuwenhuys, Anton Rooskens, Theo Wolvecamp en Eugène Brands. In september 1948 publiceerden zij het eerste nummer van hun tijdschrift Reflex. . Er was regelmatig rumoer rond een groep schilders en beeldhouwers. Zij wilden de kijkers met hun experimentele kunst dwingen tot een onbevangen, anti-intellectuele ervaring bij het zien van hun werk. Slechts weinig kijkers bleken daar in eerste instanties toe geroepen. Voor velen was de uitspraak: "Ik rotzooi maar wat an" van de jonge schilder Karel Appel, reden voor hun kritiek. De nieuwe geest in de schilderkunst inspireerde ook de beoefenaars van de poëzie. Ook bij hun draaide het om het spontane, het toevallige.

Man/Vrouw'45-'59

In juridische zin was de vrouw in het gezin ondergeschikt aan de man. Zo wilde het de kerk, zo wilde het de wet. Men sprak van een bevelshuishouding. In de praktijk waren er ook verstandige ouders die elkaar beschouwden als gelijken, die elkaar geen bevelen gaven en deelden zij de lasten en vreugden. Daarmee tegenstrijdig was het vaste patroon in de verdeling van het werk. De man zorgde voor de verdiensten, de vrouw voor alles wat er in het gezin te doen viel als, inkoop, de huishoudelijke bezigheden en de opvoeding van de kinderen. De vrouw was door de wet, door traditie en sociale controle de mindere in de echtgemeenschap. In 1958 eiste een vouw dat haar man haar zou helpen in de huishouding. De rechter was van mening dat: "de hulp van de man in de huishouding ingaat tegen de traditie en dat gegeven de onbekwaamheid van mannen niet kan worden verwacht dat zij meer doen dan 'luttele' boodschappen". Van de naoorlogse ideologen mochten vrouwen niet buitenhuis werken. Zij diende bij haar kinderen te zijn. Werken uit luxe of verveling was uit den boze. Voor de bisschoppen was het verschijnsel van buitenshuis werkende vrouw een product van het communisme. Het algemeen belang is, dat de gehuwde vrouw haar taak in de eerste plaats in het gezin heeft. In 1951 was in Europees verband een motie aangenomen over de gelijke beloning voor mannen en vrouwen bij gelijke arbeid. De regering weigerde deze in Nederland toe te passen. De vrouwenlonen voor gelijkwaardige arbeid bleven hier gemiddeld 30% achter. In 1956 kwam een einde aan de onzinnige toestand dat een gehuwde vrouw niet zonder machtiging van haar man iets kon kopen. Ondanks de verbeteringen die na de oorlog in de juridische en economische positie van de vrouw waren aangebracht, hadden de vrouwen geen gelijke onderwijskansen, lagen zij achter op de arbeidsmarkt en werden zij onvoldoende benoemd in hoge maatschappelijke en politieke functies. In zakelijke relaties werden zij vaak slechts geschikt geacht voor de nederiger arbeid, terwijl superieure mannen het beter betaalde werk deden. Deze rolverdeling straalde uit naar het onderwijs waar het meisje wel extra gemotiveerd moest zijn om het vrouwonvriendelijke klimaat te overwinnen. Meisjes kozen daarom meestal voor lagere opleidingen, omdat ze toch voorbestemd waren voor het huwelijk. Evenmin als in het bedrijfsleven was de vrouw welkom in de politiek. De mythe dat de vrouw de politiek en de politiek de vrouw bederft, geloofde men nog in.

Gezin '45-'59

Het traditionele gezin in de naoorlogse jaren had naast de geijkte rolverdeling tussen echtgenoten vele andere kenmerken. Zo waren er altijd veel kinderen. Gezinnen met meer dan 10 kinderen waren geen zeldzaamheid. Ieder jaar was de moeder wel in verwachting. Miskramen kwamen heel vaak voor. Een voorbeeld om een beeld te creëren van de rol van de vrouw in het gezin: In 1945 plaatste het damesblad Margriet een brief van een moeder van 9 kinderen. De dokter had haar, toen zij haar 5e kindje kreeg, gewezen op de risico's van een nieuwe zwangerschap. Toch was er ieder jaar weer een baby geboren. De vrouw zag het niet meer zitten. Ze zou er een wel een paar dagen tussen uit willen gaan, maar had daar geen geld voor. Bovendien wist ze niet wie er in haar afwezigheid voor het gezin moest zorgen. De redactrice die het verhaal geschreven had kreeg 500 gulden om de vrouw een tijdje vakantie te geven. Na een paar weken publiceerde Margriet een brief van de gelukkige vrouw, die voor het eerst van haar leven in een trein gezeten had en de zee had gezien. Ze had bij familie gelogeerd en het waren de geweldigste dagen van haar leven. Een jaar later vertelde de dokter aan de redactrice, dat de vrouw haar 10e kind verwachtte en dat het niet goed met haar ging. De vrouw stierf uiteindelijk mét haar baby.

Een ander kenmerk was de hoge kwaliteit van het gezin. Er werd niet gedronken of gevloekt. De kinderen waren zowel thuis als op school voorbeeldig. Ze deden hun best, bleven nooit zitten en kregen zo mogelijk vervolgonderwijs. De meisjes gingen op de huishoudschool of de MULO. De jongens gingen op de ambachtsschool of zelfs de HBS. De vader had in zo'n standaardgezin een vast inkomen, waarvan iedere week huur, vakbondcontributie en ziekenfondspremie altijd werden opzij gelegd. Ook opmerkelijk was de properheid van het huis en de bewoners. De woning was meestal gehuurd van de gemeente of van een verzuilde woningbouwvereniging en werd keurig onderhouden. De kamers waren netjes en de bedden en het linnengoed schoon. Alle huisgenoten zagen er goed gewassen en verzorgd uit. De ouders deden het kapperswerk. Was vader het hoofd van het gezin, moeder was de as om wie alles draaide. Naast en na alle huishoudelijke werk zorgde zij 's avonds en tijdens het weekend voor de gezelligheid. Er werden veel spelletjes gespeeld, als halma, mens-erger-je-niet, of gepuzzeld en gekaart. Met het verenigingsleven hadden deze gezinnen niet veel op, omdat het echtgenoot en kinderen '"uithuizig"" maakte. De kinderen bleven zo lang mogelijk thuis. Het verdiende geld werd afgegeven, waartegenover een zakcentje stond. Voor dat betaalde kostgeld kreeg het meisje bij haar huwelijk een 'uitzet' mee. De jongens kregen niets, maar diens opleiding (bijv. aan een avondschool) was altijd ten laste van het gezin gekomen. Tenslotte was in de katholieke gezinnen de invloed van de kerk duidelijk zichtbaar. Dagelijkse kerkgang, bidden voor en na de maaltijd, ochtend- en avondgebed, crucifixen aan de muur en heiligenbeeldjes op de kasten, een kribbetje met Kerstmis, geen vlees op vrijdagen en tijdens de grote vasten weinig voedsel en zeker geen snoep. De gehoorzaamheid aan de kerk uitte zich niet alleen in de kinderen maar ook in de huwelijkstrouw. Echtscheidingen kwamen nauwelijks voor, hoewel daarmee niets gezegd is van de kwaliteit van het huwelijk.

Er waren ook gezinnen die qua fatsoen, zedelijke peil, opvoeding van de kinderen, properheid, huisvesting, regelmatig inkomen, harmonie tussen de echtgenoten en in de kerkelijke gezinnen; kerkgang achter lagen op het traditionele gezin. Wanneer een gezin op enkele punten negatief scoorde, behoorde het tot de onmaatschappelijke, asociale gezinnen. Het was de taak van de kerkelijke en sociale instanties de onmaatschappelijke huishoudens naar het model van het maatschappelijk of burgerlijk gezin op te trekken.

Jongeren '45-'59

Hoewel het politieke systeem democratisch genoemd werd, vonden de jongeren dat ze nergens inspraak in hadden en dat alle macht bij de oudere generatie lag. De jongeren wilden dat ze meer invloed kregen en wilden loskomen van hun ouders en dat lieten ze vooral zien in protesten. Amerika was voor de jongeren het voorbeeld van hoe het wel moest zijn. De jongeren wilden van Nederland ook een moderne consumptiemaatschappij maken. Ze wilden anders zijn dan hun ouders en lieten dat ook zien.

De werkende jongeren ontwikkelden een eigen leefstijl die botste met het gezag van de ouderen. In de jaren '50 werd Nederland een moderne consumptiemaatschappij. De welvaart werd zowel binnen- als buitenshuis zichtbaar. Ook de jongeren beschikten over meer geld, doordat de jeugdlonen stegen. Ze kochten brommers en muziekplaten van rock and roll meesters als Elvis Presley en James Dean. De jongeren kwamen in een steeds grotere afstand met hun ouders,die bezorgd toekeken hoe hun kinderen in de wereld van seks,drugs en rock and roll terecht kwamen. In 1955 werden deze jongeren door Jan Vrijman in een artikel over de jeugd als 'nozems' betiteld. Nozems waren de jeugdige Amsterdamse arbeider, die verzot was op lol schoppen. Een subgroep die zich zou onderscheiden door kleding, gewoontes en gedrag. De grote onwil om zich aan te passen. Ze werden het eerst aangetroffen op de Nieuwendijk in Amsterdam, maar binnen zeer korte tijd bleken er in bijna iedere plaats van enige omvang in Nederland groepen nozems te zijn. Van Leeuwarden tot Maastricht,, Van Leiden tot Enschede. Het bleek zelfs een internationaal verschijnsel te zijn, zelfs in Moskou verschenen 'stilyagi' op het Rode plein. Halbstarke, teddyboys, vitellio, rockers, mods, blousons-noirs, pleiners rond het Leidseplein, buikschuivers waren allemaal van het type. Ze waren behalve aan de brommer met transistorradio kenbaar aan hun zwarte broeken, geruite hemden, leren jacks, zware laarzen en de enorme hoeveelheid gel op hun vetkuif. De meisjes vielen op door hoog getoupeerd haar( suikerspinnen) en wijde rokken met brede ceintuur. Deze wilde, totaal vercommercialiseerde Amerikaanse- Nederlandse arbeidscultuur had geen dieper idee of hooggestemd ideaal. De overheersende gedachte was: "laten we feesten, zolang we jong zijn". Het fenomeen van deze loeiende en brullende jeugdigen, werd in 1956 in verband gebracht met de vertoning van de film 'Rock around the clock' in een paar grote steden. Uit vrees voor de ordeverstoringen door de hysterische jongelui verboden enkele burgemeesters de vertoning. Wat de onrust eerder deed toe dan afnemen. De burgemeester van Gouda liet de film zonder geluid draaien, wat evenmin tot rellenproblemen oploste. Een kenner van de nozems, hoogleraar de Rooy, noemt de nozems: Een nobele variant van de nobele wilden. Ze waren gewone jongens en geen criminelen. Deze moderne variant van de nobele wilden werd door de samenleving niet op prijs gesteld. Autoriteiten toonden zich geheel zonder begrip, de politie greep hardhandig in.

De veroordelingen van minderjarigen wegens misdrijven en overtredingen steeg vanaf 1955 heel snel, evenals het aantal ondertoezicht-instellingen.

Al bezochten niet alle jongeren de amusementspaleizen, wel gaven zij studerende en de kroeg bezoekende, zich over aan massale consumptie van goederen en diensten. Waardoor zij een economische factor van grote betekenis werden. In de jaren '50 gaven de 14- tot 21-jarigen 185 miljoen uit, waarvan 26 miljoen alleen aan vermaak. Een voor die tijd een enorm bedrag. Jongeren hadden hun eigen cultuur ontwikkeld en waren losgekomen van hun ouders.

Kerk '49-'59

Verzuiling

Een zuil is een verticale structuur waarin religie of ideologie mensen van elke sociale laag verbindt. De eerste naoorlogse minster van onderwijs voorzag dat de vier volksdelen op de duur nog slechts via de gemeenschappelijke belastingingdienst en de PTT met elkaar in contact zouden staan. De zuil begeleidde de mens van wieg tot graf. Hij had zijn eigen scholen, ziekenhuizen, kerkhoven, culturele ontspanningsclub, woningbouwverenigingen, ziekte- en begrafenisverzekeringen, werknemers- en werkgeversbonden, kranten en radio.

Door katholieken werd serieus gepleit voor eigen gevangenissen en eigen emigranten- en toeristenschepen. De katholieke zuil was de meest imponerende. Elke afdeling van een organisatie had een priester als geestelijk adviseur. Een bisschop van Haarlem betreurde het dat er niet voldoende priesters waren om elk gezin onder de dagelijkse leiding aan de kerk te plaatsen. De kerk wilde in eerste plaatst de gelovigen weerbaar maken. Vooral schoolmeesters moesten 100% katholiek zijn. Dat was belangrijker dan dat zij hun vak verstonden of goed met de leerlingen konden omgaan. De schooldag begon met een H. Mis in de kerk of de schoolkapel. De eerste en laatste lessen van ochtend en middag werden met gebed geopend en gesloten. Bij geschiedenis werd over Willem de Zwijger, de geuzen en Piet Hein weinig gezegd, terwijl de lof van de pausen en de kruistochten uitbundig werd bezongen. Rekenen was minder belangrijk dan het leren van de catechismus. Een dictee moest een gebed bevatten. In de eerste plaatst moesten de gelovigen beschermd worden tegen de hen omringende gevaren van ongeloof en immoraliteit. Omgang met niet-katholieken moest zo veel mogelijk worden beperkt, ook op het werk en zeker in de vrije tijd. Katholieken dienden bij katholieke patroons in dienst te treden en hun vrouwen behoorden in katholieke winkels inkopen te doen. Er waren speciale katholieke grootwinkelbedrijven als C&A, V&D en De Gruyter. Bij Albert Heijn, De Bijenkorf, de HEMA en andere 'heidense' zaken had een katholiek niets te zoeken. Helemaal fout was het om een niet-katholieke krant te lezen of naar een andere omroep dan de KRO te luisteren.

Politiek in de jaren 60

Nederland ging de jaren '60 in onder een conservatief kabinet, dat van prof.dr. Jan de Quay. Dat was de eerste naoorlogse kabinet zonder socialisten. Het was een coalitie van KVP, CHU, ARP en de VVD. Het kabinet kreeg al snel te maken met de eerste grote staking van na de oorlog. Meer dan 40.000 bouwvakkers legden uit protest tegen de gevoerde loonpolitiek het werk neer. De regering verbood het openbreken van bestaande CAO's en trachtte daarmee een loonexplosie te voorkomen. In plaats daarvan ontstonden heftige erupties van arbeidsonrust in zowel de bouw als de haven. Een veel groter probleem waar het kabinet- De Quay voor kwam te staan was Nieuw-Guinea. De kwestie Nieuw-Guinea beheerst tijdens deze kabinetsperiode lange tijd de politieke agenda. Onder buitenlandse druk moet het kabinet in 1962 toestemmen met de overdracht van Nieuw-Guinea aan Indonesië onder VN toezicht. Eerder waren er in en rond Nieuw-Guinea diverse gewapende schermutselingen. Het parlement stemt in augustus/september 1962 in met het verdrag dat de overdracht regelt. Op het gebied van binnenlands beleid wordt de 'geleide loonpolitiek' verlaten. Doordat er sprake is van een hoogconjunctuur kan worden voortgebouwd aan de sociale zekerheid. Er treden een aantal veranderingen plaats als:

  • De vrije zaterdag wordt ingevoerd.
  • Salarissen stijgen.
  • Minister Cals weet met de Mammoetwet een omvangrijke hervorming in het voortgezet onderwijs te bewerkstelligen. Hierdoor kennen wij het huidige Mavo, Havo en Vwo. (Deze zal echter pas in 1968 worden ingevoerd.)
  • Minister Klompé brengt de Algemene Bijstandswet tot stand.
  • Minister Veldkamp brengt de Kinderbijslagwet tot stand.

Het kabinet bestaat dan uit ministers van de KVP, VVD, ARP en CHU. Minister-president De Quay is afkomstig uit de KVP. De viceminister president Drs. H.A. Korthals is afkomstig uit de VVD.

Er kwam een steeds scherpere tegenstelling met de PvdA, die buiten het kabinet bleef. Ook in 1963 vormden KVP, ARP, CHU en VVD een kabinet, het kabinet-Marijnen. Toen dat kabinet in 1965 ten val was gekomen, trad de PvdA, zonder dat er verkiezingen waren gehouden, toe tot een coalitie met KVP en ARP. Bij de verkiezingen van 1963 verloren PvdA en VVD zetels. Belangrijker nog was de komst van een nieuwe partij, de Boerenpartij onder leiding van Hendrik ('boer') Koekoek. Die maakte zich tolk van onvrede in de samenleving. Aanvankelijk kwam hij vooral op voor boeren die bezwaar maakten tegen de lasten van de bedrijfsorganisatie (een door de overheid ingesteld uitvoerings- en overlegorgaan van boerenorganisaties.)

Later gaf de partij ook steun aan onlustgevoelens van burgers over het afnemende gezag van de overheid, over de veelheid aan overheidsregels en over te hoge belastingen.

Het harde politieoptreden tegen boeren in Hollandsche Veld die weigerden een heffing te betalen, leidde tot veel publiciteit en droeg bij aan het succes van de Boerenpartij.

In 1966 won de Boerenpartij veel stemmen bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten en de gemeenteraden (ook in sommige steden). Die trend zette zich bij de vervroegde verkiezingen van 1967 overigens niet voort, omdat in de partijen ruzies ontstonden en leden vanwege hun oorlogsverleden in opspraak kwamen. De opkomst van de Boerenpartij werd door gevestigde partijen als een bedreiging gezien.

In het midden van de jaren '60 kwam er van enkele kanten roep om staatkundige vernieuwing. Er was onvrede over het nogal gesloten politieke systeem, waarin een bestuurselite de dienst uitmaakte. Verder leidde de gewoonte om via overleg politieke tegenstellingen zo veel mogelijk glad te strijken, tot onduidelijkheid bij de kiezers En door de steeds verdergaande ontkerkelijking (ook in de protestantse kerken) betekende het dat kiezers niet langer puur stemden op grond van de traditie en kerkelijke achtergrond. Dit was gunstig voor onder meer PvdA, VVD en D66 maar ging ten nadele van de drie confessionele partijen, KVP, ARP en CHU. Nieuwe spelregels moesten de invloed van de kiezer vergroten.

De belangrijkste impuls voor het debat over staatkundige vernieuwing kwam van D'66. Deze in het voorjaar van 1966 opgerichte partij kwam met voorstellen voor een gekozen minister-president en voor invoering van een districtenstelsel. De oprichters waren deels partijloos en deels (oud-)VVD'ers. De voornaamste onder hen waren de Handelsblad-journalist Hans van Mierlo, het Amsterdamse oud-gemeenteraadslid Hans Gruijters, die in maart 1966 de VVD had moeten verlaten, en de hoogleraar Jan Glastra van Loon.

D'66 wilde het politieke systeem veranderen door de kiezers meer invloed te geven op de kabinetsvorming. De kiezers moesten rechtstreeks de minister-president kunnen kiezen. Door een districtenstelsel in te voeren zou de weg worden geopend voor partijvernieuwing. De verwachting was dat het districtenstelsel tot een tweedeling in de politiek zou leiden, waardoor bestaande partijen gesplitst zouden worden. Die tweedeling zou de kiezers een heldere keuze geven. Daarnaast streefde D'66 naar vormen van directe invloed en naar versterking van de rol van het parlement, dat hoorzittingen moest gaan organiseren. Van Mierlo maakte als eerste handig gebruik van de televisie en leidde zijn jonge partij in februari 1967 naar een voor die tijd spectaculaire binnenkomst in de Tweede Kamer (zeven zetels).

De PvdA, en de in 1968 opgerichte PPR namen deze thema's over en dienden hierover samen met D'66 initiatiefvoorstellen in. Andere partijen, zoals KVP, ARP, CHU en VVD, wilden veel minder ver gaan. Het door hen gesteunde kabinet-De Jong stelde wel in 1967 een Staatscommissie in (de Commissie-Cals/Donner).

Omdat staatkundige vernieuwing weinig steun had bij de regeringspartijen en het kabinet daar ook niet voor voelden, namen Tweede Kamerleden van PvdA, D66 en de PPR het initiatief.

Economie in de jaren 60

De jaren '60 waren de meest welvarende jaren uit een periode van hoog conjunctuur. Met de leestellingen van Keynes en de economische modellen van Tinbergen had Nederland een hoge economie opgebouwd. De wederopbouwfase werd in het begin van de jaren 60 afgesloten. In de loop van de jaren zestig werden de teugels van de loon- en prijsbeheersing losgelaten. Per jaar stegen de lonen gemiddeld met 10,3 procent en de prijzen met 4,5 procent. Nederland mocht zich een welvaartsstaat noemen. Terwijl ook nog hard werd gewerkt aan de bouw van de verzorgingsstaat. De welvaart vergrootte de individuele mogelijkheden. Een grote rol speelde daarbij het snel toenemende autobezit. Het bezit van een eigen auto vergrootte de mobiliteit van de Nederlander in de jaren '60 enorm. Men was niet meer afhankelijk van dienstregelingen van het openbaar vervoer, maar kon overal zelfstandig naartoe.

Niet alle gevolgen van de oorlog, zoals woningnood, waren toen al opgeruimd, maar de Nederlandse economie was dermate gezond. Er was nog maar bijzonder weinig aan de ellende van de jaren dertig en bezettingstijd herinnerde. De gezondheid van de economie uitte zich in vrijwel volledige werkgelegenheid en een sterke materiële groei. Dat was te zien aan de snelle groei van autobezit en het aantal televisietoestellen. Een andere graadmeter voor de gestegen welvaart was het snel groeiende aantal vakantiereizen. De zomervakantie kreeg het karakter van een massale volksverhuizing. Miljoenen mensen gingen per auto, vliegtuig of bus naar het buitenland. Dat beeld is niet gewijzigd, maar steeds meer versterkt. In het begin van de jaren zestig werd onder druk van de werknemers en de vakbonden het voorzichtige beleid losgelaten. De lonen stegen sneller dan de prijzen. In 1969 werd de automatische prijscompensatie ingevoerd. Dat hield in dat de lonen voortaan automatisch omhoog gingen met het percentage van de prijsstijgingen. Tussen 1960 en 1969 verdubbelden de kosten van de levensonderhoud. Het besteedbare inkomen leed er niet onder, omdat de lonen nog sneller stegen.

Ook de overheid speelde een grote rol bij de groei van de economie. De overheid stuurde krachtig bij met investeringplannen en de voorbeeldige loonpolitiek. Onder druk van een krappe arbeidsmarkt moesten de strakke teugels van de geleide economie worden gevierd. Het gevolg was een loonexplosie in 1964 zoals die na de oorlog niet meer is meegemaakt. De vijfdaagse werkweek was halverwege deze jaren algemeen ingevoerd, ook bij de overheid. Veel mensen namen er op hun vrije zaterdag een baantje bij, waardoor de begeerde koelkast, TV, scooter of Kever sneller binnen bereik kwam. De overheid begaf zich op de ondernerspad en stichtte de NV Staatsmijnen. Daarnaast nam de staatdeel in het kapitaal van de staalgigant Hoogovens in IJmuiden Het bedrijfsleven kreeg alle ruimte. De jaren 60 waren de jaren waarin zich een ongekend aantal fusies en overnemingen voordeed. Grote Nederlandse bedrijven als Shell, Unilever en Philips legden in dit decennium de basis voor hun latere expansie. De explosieve groei van de haven Rotterdam, die in 1965 New York al ver achter zich had gelaten, trok vooral petrochemische industrie aan. Ook Amerikaanse bedrijven vestigden zich in jaren '60 in Nederland, al snel gevolgd door Japanse ondernemingen. De betrekkelijke lage lonen en het stabiele politieke klimaat maakten dat aantrekkelijk. Met het toenemen van de industriële bedrijvigheid, nam ook de vraag naar arbeidskrachten toe. Het tekort daaraan werd aangevuld door het halen van vooral Turkse en Marokkaanse arbeiders. Bij tienduizenden werden ze naar Nederland gehaald. Nederland telde in 1960 slechts een kleine 290.000 werkzoekenden, aan het eind van dit decennium was dat cijfer verdubbeld. In sneltempo werd de ene stad na de andere uit de grond gestampt en met elkaar verbonden door snelwegen met steeds meer rijbanen. De Coentunnel werd gegraven en in 1968 kwam het klaverblad Ouderijn gereed. In 1960 reden er ruim 650.000 auto's rond. Eind 1969 waren dat er al meer dan 2,5 miljoen. De bevolking groeide overigens niet minder snel. In tien jaar tijd van 11,5 naar 13 miljoen inwoners. De snelle economie deed de vraag naar energie enorm stijgen. Nederland haalde goedkope olie uit het Midden-Oosten. De Arabieren waren op zoek naar nieuwe afzetmarkten en werkten met dumpprijzen. Rotterdam groeide daardoor uit tot de grootste oliehaven van Europa. De vraag naar kolen nam door die ontwikkeling zo sterk af, dat Nederland inmiddels zwaar gesubsidieerde mijnen een voor een moesten worden gesloten. De Staatsmijn Hendrik was de laatste die in 1966 dicht ging. Behalve olie kon Nederland vanaf 1963 ook overvloedig over aardgas beschikken. De gasfabrieken in de grote steden maakten plaats voor een dicht aardgasnet dat door de Nederlandse Gasunie werd aangelegd vanuit de vindplaatsen Groningen en Drenthe. In een bijna euforische stemming over zoveel onverwachte rijkdom, sloot de regering langlopende contracten af met het buitenland voor de levering van gas. Deze export leverde weer deviezen op. Dat een uiterst ondoorzichtige mechanisme de binnenlandse prijs voor gas kunstmatig hoog hield, wist men nog niet. In hoog tempo verrezen vanaf die tijd boorinstallaties in het noorden en de kust. In navolging van het buitenland begon men in Nederland ook te experimenteren met kernenergie. Het leek Advertentie Stork in 'Atoomenergie' bij opening Dodewaardschoon en goedkoop. Het eerste tastbare resultaat van die illusie was de 50 Megawatt reactor in Dodewaard die in 1969 door de NV Gemeenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland in gebruik werd genomen.

Maatschappelijk leven in de jaren 60

Begin jaren zestig had Nederland een sterke welvaartsstijging. De wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog was grotendeels voltooid. De vondst van aardgas in Groningen betekende een geweldige economische opsteker. Na jaren van een geleide loonpolitiek met geringe welvaartsstijging kregen werknemers nu veel meer opslag. Ook werd de vrije zaterdag ingevoerd.

Op het eerste gezicht leek er dus alle reden om tevreden te zijn. Toch was er ook onrust. Onder jongeren, bij boeren, bij gezagsgetrouwe burgers, bij kerkgangers. Vooral gezagsverhoudingen kwamen ter discussie. Jongeren gingen zich afvragen waar gezagsdragers het recht aan ontleenden om over anderen te beslissen. En verder was het voor hen niet vanzelfsprekende om trouw aan de Verenigde Staten te zijn, terwijl dat voor ouderen (dankbaar vanwege de rol van de VS in de Tweede Wereldoorlog) wel het geval was.

Media

Radio en TV in de jaren '60. Voor sommige een 'etterig gezwel dat christelijk gezinsleven aantast', anderen waren van mening dat het wellicht een educatieve verrijking voor de arbeiders zou kunnen zijn. Slechts een enkeling zag er een creatieve uitdaging in, en een weg waarlangs kritiek kon worden geuit. Het begon met een technologische vernieuwing. De oude vertrouwd buizenradio werd verruild met de transistor. De PTT moest het afleggen tegen de storingvrije FM-zenders. Er verscheen voor het eerst portables op de markt. Daarmee konden de voor de kust opererende illegale zenders als Veronica of Mi Amigo beter worden ontvangen. In augustus 1964 kwam er ook nog een Tv-station in de lucht: de REM. De REM zond uit vanaf een voormalig noordplatform voor de kust van Noordwijk. Met geknutsel aan de Tv-antenne kon je vooral in de Randstad TV-Noord-Zee op de buis krijgen. Erg lang heeft het niet geduurd, voordat men achter de illegale activiteiten achterkwamen. De illegale activiteiten voor de kust, leidde er toe dat de aanvankelijke armzalige 20 uur zendtijd per week op een zender, snel werd uitgebreid. Nederland 2 begon zijn uitzendingen in 1964. Studio Irene in Bussum was toen al historie. Het aantal TV's was halverwege de jaren zestig al gegroeid tot meer dan 2 miljoen. Dat was 4 maal zoveel als in 1960. Om dat allemaal te bekostigen, werd na jarenlang parlementair touwtrekken in 1967 de STER ingevoerd. Onvergetelijke series uit de jaren '60 zijn 'De Wrekers' en 'De Bezetting'. Hanny Lips ontpopte zich als de eerste Nederlandse TV-persoonlijkheid. Dat een dergelijke trouwe en gezellige 'huisvriend' zich ook tegen de burgers kon keren, was ondenkbaar, maar gebeurde toch. Het begon met de VARA in 1963, die startte een satirisch programma 'Zo is 't toevallig nog 'ns een keer'. Het idee kwam van Dimitri Frenkel Frank, Rinus Ferdinandusse en Jan blokker. Afgekeken van een soortgelijke BBC programa. Al na de tweede uitzending stond Nederland op zijn achterste benen en werden er Kamervragen gesteld. De grote problemen kwamen met 'Beeldreligie'. Toen brak de hel echt los. Heel gelovig Nederland viel over de socialistische omroep heen. Een enorme stroom scheldbrieven en telefonische bedreigingen kwam op gang. De amusement- en sportprogramma's hebben de burgers veel goedkope afleiding bezorgd. Over smaak viel niet te twisten. Door de TV kwam de burger in gelegenheden, waar hij in werkelijkheid nooit zou zijn toegelaten. Eveneens confronteerde het nieuwe medium de zuilgenoten met het denken van de eigen elite. De TV stelde de burgers ook in staat een kijkje te nemen bij de andere zuilen, bij andersdenkenden en bij mensen van vreemde culturen over verre grenzen. Ook was in Nederland de televisie een gelegenheid tot het zien van talloze oorlogsfilms, maar ook van reportages en documentaires, die de oorlog voor enige tijd deden herleven. Televisie heeft daardoor een groot invloed gehad op de politieke en culturele veranderingen in de jaren zestig.

REM- eiland

Eerste televisie in Nederland

Muziek

In de jaren zestig werd de popmuziek volwassen. De rocksterren verloren rond die tijd echter snel terrein. De dood van Buddy Holly en Richie Valens, King Elvis moest in dienst, Chuck Berry belandde om onduidelijke redenen in de gevangenis en op Lionel Hampton was iedereen wel uitgekeken. De populaire muziekbladen als Tuney Tunes en Muziek Expres bereidde Nederland voor op de komst van de gladde, pretentieloze 'studiosound' van Ricky Nelson, Roy Orbison en Neil Sedaka. De muzikale revolutie kwam met de komst van de Beatles. Met 'I feel fine...' namen ze in 1963 met veel geweld de muzikale estafettestok van de Amerikanen over. De nieuwe beat-sound moest wel zelf door de Nederlandse inwoners in de jaren 60 ontdekt worden door op buitenlandse radiostations af te stemmen. Hilversum besteedde weinig aandacht aan popmuziek en was het dus belangrijk niet alleen over draadomroep te beschikken. De meest beluisterde popstations in die jaren, Radio Londen en Radio Caroline werden al snel uit de ether gedrukt door Radio Veronica van de gebroeders Verwey. De station zond vanaf 1960 uit op de 192 meter en startte begin 1965 met de enige echte Nederlandse Top40. De Swinging Blue Jeans, Freddy & the Dreamers en The Holies veroverden de Nederlandse hitparade. En natuurlijk de Rolling Stones, die in de commerciële concurrentie van popcultuur aannzienlijk langer op hun benen bleven staan, met nummers als My sweet lady Jane. Ondanks al deze concurrentie gaven de Beatles geen krimp en schreven in 1967 de release van Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band. Daarmee was ineens de popmuziek volwassen geworden. Ook in Nederland. De vieze langharige herrieschoppers werden nu volledig door Hilversum geaccepteerd. Ook nette mensen gingen zich vanaf die tijd met popmuziek bezig houden. In Nederland waren natuurlijk ook eigen idolen: Rob de Nijs en Ria Valk, die weken de hitparade onveilig maakte. Popgroepen van Nederlandse fabrikant begonnen in de loop van de jaren '60 langzaam terrein te winnen. Aanvankelijk waren het getrouwe kopieën van Engelse bands, maar langzaam ontstond er een eigen identiteit. Het voor velen toch meest oorspronkelijke Nederlandstalige geluid uit de jaren '60 kwam van Boudewijn de Groot. Zijn protestsongs sloten naadloos aan bij het toenemend verzet tegen de atoomdreiging en de oorlog in Vietnam. Met zijn snel stijgende populariteit wist hij als een van de weinigen het Nederlandstalige luisterlied een vaste plaatst te geven in het muziekgebeuren in die jaren.

Kunst

Terwijl buiten de eerste rookbommen ontpolften, werden ook in de jaren zestig veel aan kunst gedaan. Een van de meest opmerkelijke uitkomsten was het Lurelei-caberet.

Man/Vrouw in de jaren 60

Halverwege de jaren zestig kwamen Nederlandse vrouwen in actie. In 1967 verscheen in De Gids een artikel van Joke Smit. Het onbehagen gevoel van de vrouw woelde veel los, het werkte als een katalysator op diep gewortelde onvrede onder vrouwen. Het onbehagen kwan naar buiten, toen de anticonceptiepil gemeengoed geworden was en het huishouden dankzij de moderne apparaten minder tijd en energie kostte. Een jaar later werd Man Vrouw Maatschappij opgericht, een organisatie die zich ten doel stelde de culturele positie van de vrouw te verbeteren en gelijke opleidingskansen voor vrouwen te realiseren. Algemener geformuleerd: de achtergestelde positie van de vrouw in de maatschappij aanvechten. Een activerende rol in het vrouwenprotest speelde de anticonceptiepil, die in 1962 in Nederland werd geïntroduceerd. Voor het eerst in de geschiedenis kregen vrouwen de 'technische' mogelijkheden in handen zelfstandig te beslissen over het krijgen van kinderen. De seksualiteit werd van haar 'onontkoombare biologische' consequenties bevrijd.

Jongeren in de jaren 60

De existentialistische jeugdcultuur van de jaren '60 viel op door eigen kleding, eigen haardracht, het drinken van rode wijn, het luisteren naar Franse chansons en Amerikaanse cool jazz, het gebruik van soft drugs en het organiseren van happenings. Happenings stammen uit Ney York en zijn in Nederland geïntroduceerd door Simon Vinkenoog. Hoewel de existentialisten met Simon Vinkenoog als middelpunt weinig in aantal waren, hadden zij een grote uitstraling naar studenten en scholieren, die meer bezwaren hadden tegen ouderwetse leeftijdsgenoten dan tegen hun ouders. "Behandel de volwassen met zachtheid, spaar de ouders". Elk protest werd als romantisch ervoeren. Onder Franse en Amerikaanse invloed trachtte ze de vercommercialisering te ontvluchten, die het leven onder het mom van verbetering in feite steeds meer verloederde. De paradox is dat ook deze subcultuur object van vercommercialisering werd. Aan marihuana werd veel verdiend. Onder jongeren leefden bezwaren tegen de heersende machtsverhoudingen. Of het nu om gemeentebestuurders ging, om ondernemers, of om bestuurders van universiteiten of vakbonden. Zij allen werden gezien als regenten die zich weinig gelegen lieten aan 'gewone' mensen en aan het algemene welzijn. De leefwijze van veel moderne jongeren paste niet meer binnen de bestaande traditionele kaders. Zij ontwikkelen eigen opvattingen die sterk onder invloed staan van wat er in Amerika en Engeland gebeurde. Symbool van de tijd is het anarchistische Provo, dat opkomt voor leefbaarheid in grote steden, nieuwe vormen van vrijetijdsbesteding propageert en zich afzet tegen massaconsumptie en milieuvervuiling. De aanhangers dansten rond het beeld van Het Lieverdje op het Amsterdamse Spui. Ze voeren actie voor vrijheid van onderdrukte minderheden, zoals homo's, voor invoering van wetten tegen milieuvervuiling en voor bescherming van de binnensteden tegen projectontwikkelaars. Ze zijn tegen het gezag en tegen alles wat met bezit en geld te maken heeft (kapitalisme), hebben lang haar en tweedehands kleding. De oprichter van deze provo's was de intelligente, serieuze en aardige anarchist en pacifist Roel van Duyn. De naam Provo is afgeleid van het woord "provoceren". Rob Stolk (drukker, actievoerder), Luud Schimmelpennink (uitvinder) en Robert Jasper Grootveld (anti-rookmagiër) deelde ook mee aan uitbreiding van Provo. Provo kwam met ludieke acties en voorstellen. Hun sterkste actiemiddel was 'autoriteiten in verwarring brengen' en omdat ze dat heel effectief én geweldloos deden zat half Nederland mee te lachen over de hulpeloze reacties van de autoriteiten. Veel aandacht trokken bijvoorbeeld hun acties, in 1966, rond het huwelijk van prinses Beatrix met Claus von Amsberg. Provo excelleerde in het verspreiden van geruchten: er zouden hallucinerende stoffen in het drinkwater gedaan worden, de paarden van de vorstelijke rijtuigen zouden suikerklontjes met LSD krijgen. Het antihuwelijksgeschenk bleek een rookbom te zijn weliswaar onschadelijk, maar het haalde wel de wereldpers.

Ook een bekende actie was het Witte Fietsen plan van Luud Schimmelpennink.

Als oplossing van alle verkeersproblemen wilde hij door de hele stad Witte fietsen neerzetten zonder slot zodat deze fietsen voor iedereen beschikbaar waren. Na gebruik kon hij op een vaste plaats worden achter gelaten. Zo zou de stad autovrij worden.

Opmerkelijk was ook de actie met de 2.000 gulden biljetten. Per ongeluk had de ABN AMRO bank een bedrag van 35.000 gulden op de rekening van Provo gestort. Om het voor de bank onmogelijk te maken dit geld terug te eisen gaven ze het zo snel mogelijk uit. Er werd aan verschillende protestgroepen geld geschonken en van het overige geld lieten ze nepbankbiljetten van 2.000 gulden drukken. Deze gooiden ze van het dak van een gebouw nabij de Dam en er waren veel mensen die dachten dat dit echt geld was. Het uitgedaagde gezag reageerde soms heftig op deze acties. Zo deelden vrouwelijke provo's krenten uit aan agenten, die dit desondanks als ordeverstoring zagen. Bekend was ook toen de autoriteiten tegen de vreedzame anti-Vietnamdemonstraties met sit-ins en de leuze 'Johnson moordenaar' hard optraden. De arrestaties en de zware straffen vanwege het belediging van een bevriend staatshoofd verzwakten het gezag. Later liet men dan ook de demonstranten ongehinderd mits zij Johnson geen moordenaar maar molenaar noemde.

De kleur van de Provo was wit en wit werd gekozen, omdat dit de kleur van alles wat lief, onschuldig en smetteloos was en de Provo daarmee geassocieerd zou worden. Van Duyn liep voortaan in een wit spijkerpak door Amsterdam, in tegenstelling tot het sombere zwart van de existentialisten. De Provo's namen in 1966 deel aan de gemeenteraadsverkiezingen in Amsterdam en haalde één zetel. Het kwam zelfs zover dat ze een zetel in de Tweede kamer kregen.

Een andere subcultuur was die van de hippies, sterk geïnspireerd door de Amerikaanse hippiebeweging met haar verwerping van prestaties en consumptie en haar verheerlijking van popmuziek, liefde en vrede. De leuze 'make love not war' was van haar afkomstig. Duizenden buitenlandse hippies overstroomden Amsterdam. Zij verspeelden echter veel sympathie door hun gedrag, hun sleep-ins en love-ins op de Dam en later in het Vondelpark, hun rafelige en uitgebleekte voddenkleding, hun lange haar en drugsgebruik en hun dwaze ideeën. Eén ervan was het plan om voor 500.000 mensen muziekcentra, door gratis busdiensten verbonden, op te richten. Een ander plan bepleitte onderwijs zonder eindexamen. \de hippies kwamen samen in 'Provadya ?-clubs, bruine café's, het Vondelpark en in grote popfestivals. In nieuw geopende door de rijks- en gemeentelijke overheid gesubsidieerde jeugdcentra als Paradiso en Fantasio werd de hippies en hun aanhang tegen betaling van een klein bedrag, onbeperkt genot geboden als ongecensureerde films, lichtshows, theater, muziek, zintuiglijk genot en softdrugs. De overheid kneep alle ogen dicht.

Naast de muzikale subcultuur van de hippies, waren er ook sociale, die zich inzetten tegen milieuverontreiniging, de verkrotting, hoge huren. Tenslotte waren er de marxistisch-leninistische Rode Jeugd, die opriep tot het in brand steken van de Amerikaanse ondernemingen en het opblazen van de IJ-tunnel. En de communistische kunstenaars, die in 1969 de zaal van de Nachtwacht bezetten en tijdens concerten met tomaten gooiden of met speelgoed lawaai maakten.

De door media wijd uitgebazuinde Amsterdamse onrust heeft ook de middelbare scholieren over het hele land aangestoken, die vanzelfsprekend in hun eigen wereldje soortgelijke opstandige gevoelens koesterden jegens de maatschappij: de arrogantie van bepaalde docenten, de slechte kwaliteit van veel lessen en de eigen rechteloosheid.

Kerk jaren '60

Ontzuiling

De Nederlandse kerkprovincie heeft onder leiding van Alfrink enkele progressieve bisschoppen de besluiten van Vaticanum 2 aan een Nederlandse kerkvergadering voorgelegd. Hieraan namen priesters, leken en vertegenwoordigers van andere levenbeschouwelijke richtingen deel. Er werd met elkaar gediscussieerd over kerkelijke gezagsuitoefening, ethiek, gezin, jeugd, geloofsbeleving en vrede. Mensen durfden zich openlijker in de kerk uit te spreken. De kleine minderheid die dat deed, werd een grote minderheid. In enkele jaren tijd werd niet alleen de KVP opgeheven, maar verdween ook de IVCB, de katholieke tegenhanger van de KNVB, de katholieke vakbonden, en de katholieke werkgeversorganisatie. Ook de kerk liep leeg. Er zijn geen priesters, fraters en nonnen meer die het straatbeeld opsieren. De sacramenten worden niet meer bediend, de heiligen niet meer vereerd. Het bidden voor en na de maaltijd en het driemaal opzeggen van 'De Engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt' zijn achterhaald, evenals de schietgebedjes, de rozenkrans, de mis met drie heren en de viering van het kerkelijk jaar. De ineenstorting van de zuilen had veel oorzaken, die moeilijk op hun precieze waarde te schatten zijn. In de eerste plaats was er de opkomst van de verzorgingsstaat, die de onprofessionele kerkelijke diensten verving. Vervolgens hebben onderwijs en televisie, die de mensen een onbekende wereld openden, de zuil ondergraven. Zij veranderden de mensen niet, maar zij hebben de latende kritische zin en de vaardige uitdrukking ontwikkeld. In het algemeen wordt aan de veranderingen in de katholieke kerk de grootste betekenis voor de ontzuiling toegekend, omdat de kerk de machtigste was en het diepst gevallen is.

Verschil Politiek

Het politieke systeem werd in de jaren na 1945 gekenmerkt door de verzuiling, overleg en door pacificatie (het streven naar overeenstemming). Tot 1959 kende ons land zogenaamde coalities-op-brede-basis, waaraan veel partijen deelnamen als de KVP en PvdA. Zij werden gesteund door de overgrote meerderheid van het parlement. In die coalities werkten belangrijke verzuilde partijen samen, waarbij zij het werk onderling evenredig verdeelden. De politieke verhoudingen waren tamelijk stabiel. De kiezers waren trouw aan de eigen zuil, en dus aan de 'eigen' partij. Ook op andere gebieden (bijvoorbeeld op sociaal-economisch terrein) was sprake van een overlegmaatschappij. Je ziet dat in Nederland na de oorlog een begin werd gemaakt met de opbouw van wat later de verzorgingstaat ging heten. Overheid en samenleving kregen meer oog voor het welzijn van alle burgers. Er kwam op den duur onder meer een sociaal vangnet. Met name Drees heeft zich hiervoor ingezet. Zeer bekend werd zijn Noodwet Ouderdomsvoorziening uit 1947, die uitgroeide tot de Algemene Ouderdomswet (AOW), ingevoerd in 1957. Ook andere sociale verzekeringen werden in de steigers gezet. Voorzieningen voor de zorg bij ziekte, ongeval, arbeidsongeschiktheid, invaliditeit en overlijden. Nederland werd niet alleen een welvaartsstaat, maar ook een verzorgingsstaat.

Belangrijk was de verandering van het politieke klimaat. Stonden de jaren vijftig in het teken van verzuiling en pacificatie, de jaren die zouden volgen zouden de jaren van de polarisatie zijn. De PvdA introduceerde de polarisatie in de politiek, maar was niet de uitvindster ervan. In grote delen van de maatschappij maakten in de loop van de jaren zestig pacificatie en harmonie plaatst voor confrontatie en polarisatie. Polarisatie is het ontstaan of toenemen van tot dan toe verborgen spanningen en tegenstellingen in een groep. Het sociale klimaat veranderde, allerlei groepen gingen eisen stellen en op een voor Nederlandse begrippen ongekende manier aandacht vragen voor hun belangen.

Hoe ontwikkelde de economie tijdens de wederopbouw?

Na afloop van elke oorlog moet er opnieuw gebouwd worden. Dat was ook het geval voor de Nederlandse economie. Nederland was na de oorlog totaal ontwricht. Van de vooroorlogse economie was niets meer over. Er viel voor de komende tijd geen luxe te verwachten. Na de langdurige crisis in de jaren 30 besefte men dat de overheid vaker zou moeten ingrijpen. Na de oorlog bemoeide de staat zich dan ook meer met de binnenlandse economie. De regering kreeg zeggenschap over de lonen. Zo ontstond de geleidelijke loonpolitiek. Willem Drees speelde met zijn rooms-rode coalitie een belangrijke rol bij de wederopbouw. Hij groeide uit tot een symbool van de verzorgingsstaat en stond bekend om zijn degelijkheid en fatsoen. Met de nadruk die hij legde op hard werken en zuinig zijn was hij voor veel mensen de ideale persoon om het land er weer bovenop te helpen. Het gevoel allemaal mee te werken aan de wederopbouw leidde tot een grote saamhorigheid en de Nederlanders waren bereid hard te werken voor weinig loon. Dit leidde tot een snelle daling van de werkloosheid. Er waren echter meer factoren die bijdroegen aan het snelle economische herstel van Nederland. Naast de lage loonkosten voor de ondernemers brachten de lage lonen het effect van bestedingsbeperking met zich mee. De Nederlandse consumptie werd op een laag peil gehouden. Hierdoor kochten Nederlanders ook weinig in het buitenland. Er ontstond een overschot op de betalingsbalans. Nederland exporteerde meer dan het importeerde en verdiende dus aan het buitenland. Men zag in dat de hoge tolmuren rampzalig voor de economie waren. Daarom besloot Nederland samen te gaan werken met België en Luxemburg. En richtten samen de Benelux op. Ook de Marshallhulp die de Amerikanen aanboden was van groot belang. Die hulp werd dankbaar aangenomen om de economie weer op poten te zetten. In de loop van de jaren vijftig had de Nederlandse economie de weg omhoog gevonden. Het bedrijfsleven boekte goede resultaten, er was voor vrijwel iedereen werk en de spoken van crisis en oorlog vervaagden. De hooggeprezen zelfbeheersing van de Nederlandse arbeider begon echter te dalen. Men had langzamerhand zijn buik vol van loonbeheersing en wederopbouw en wilde genieten van materiële welvaart.

De geschiedenis van de Nederlandse economie van 1945 tot 1969 is in een aantal termen samen te vatten: wederopbouw, bloei, oververhitting.

Verschil Maatschappelijk leven (Media)

Een belangrijke factor bij de vernieuwing was de televisie. In de jaren zestig nam de televisiedichtheid sterk toe in 1959 waren 500.000 gezinnen met tv, in 1961 al 1 miljoen. Ook de kwaliteit van de programma's, en dan met name de actualiteitenprogramma's nam toe. Belangrijker debatten in de Tweede Kamer werden regelmatig uitgezonden.

De technologische ontwikkelingen volgden elkaar snel op. De telefoon, auto en radio werden daardoor steeds goedkoper en voor veel mensen betaalbaar. Ook de verbeterde infrastructuur droeg bij aan het makkelijker communiceren met elkaar.

In de jaren 60 hadden de journalisten, in de ogen van de elite een dienende functie. Er was weinig ruimte voor een kritische benadering. In de loop van de jaren maakte beleefdheid plaats voor ironie en kritiek. Er werd vooral veel aandacht besteed aan fouten en spanningen tussen politici. Dit werd gedaan door een nieuwe generatie journalisten die hoger opgeleid waren en voor hun eigen mening durfden uitkomen.

In de tweede helft van de jaren 60 namen de tijdschriften en kranten het voor de jongeren op en kwam er meer openlijke kritiek op de gevestigde orde. Ook kwam er een splitsing bij de dagbladen in gezagsgetrouwe kranten en kranten die zich wilden identificeren met de jongeren.

Ook op het gebied van radio volgden er grote veranderingen. Zo kwamen er commerciële zenders bij zoals de piratenzender Veronica, die uitzond vanaf een schip voor de kust van Scheveningen. Zij brachten alleen popmuziek en reclame. Veronica trok vooral jonge luisteraars die weggetrokken werden bij de Hilversumse radiozenders. Om deze teruggang te stoppen werden er drie nieuwe publiekzenders opgericht die vooral popmuziek draaiden. Al deze zenders hebben een grote invloed gehad op het doen en laten van de jongeren. Er heerste vrijheid van meningsuiting voor de commerciële zenders. Bij de publieke zenders in Hilversum waren veelal gebonden aan een zuil.

Doordat er veel naar de radio werd geluisterd raakten jongeren beter geïnformeerd en zo meer betrokken bij het wereldgebeuren. Jongeren zochten elkaar op en groepeerden zich. Binnen deze groepen werden veel ideeën besproken en doorgegeven.

Met de komst van de TV kreeg men beelden te zien van het nieuws uit de hele wereld. Niet iedereen had direct een TV, men ging bij elkaar kijken. Jongeren voelden zich gesteund, omdat er in de wereld meer mensen waren, met dezelfde gedachten en idealen. Actualiteitenrubrieken en satirische programma's besteden veel aandacht aan vooral politieke onderwerpen, deze kritische toon werd door de jongeren erg gewaardeerd. De boodschap was: vrijheid, blijheid, alles kon en mocht. Vooral de omgangsvormen werden losgelaten en de omgang met ouderen werd minder strak.

Alles werd binnen de dialoog bepaald, er waren geen vooropgezette regels, behalve dan dat men zich afzette tegen de gevestigde orde. Deze kritische toon werd niet altijd gewaardeerd door de gezagsdragers. De televisie opende de blik naar de wereld. In de jaren zestig brandde de oorlog in Vietnam in alle hevigheid los. Onder jongeren en intellectuelen kwamen steeds meer bezwaren tegen het Amerikaanse optreden in Zuidoost-Azië. Daarnaast kregen de problemen van de Derde Wereld meer aandacht, waarbij de tegenstelling tussen het rijke Westen en landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië zichtbaar werd.

De media heeft er voor gezorgd dat alles bespreekbaar werd, of werd gemaakt. Door in de pers druk uit te oefenen op een politicus bleek er veel meer bespreekbaar te zijn. De politiek vroeg aan de zelfde zuil in de media door middel van zelfcensuur van loyaal te blijven aan het gezag.

Verschil Kunst

De kunst in de jaren zestig vertoonde weliswaar nieuwe elementen, maar was niet baanbrekend zoals in de vorige decennia. Met uitzondering op het ballet. Tot de jaren zestig werd jazzballet alleen op jazzmuziek uitgevoerd. Aan het begin van de jaren zestig werd er voor het eerst jazzballet opgevoerd in een theater, als apart stuk. Daarvoor kwam het jazzballet alleen voor bij shows, revues en musicals. In de beeldende kunsten kwam meer nadruk te liggen op middelen waarmee men zich uitdrukt.

Verschil Jongeren

Naarmate de oorlog meer tot het verleden ging behoren, werden de levensomstandigheden van de jeugd anders. De jongeren kregen door de stijgende welvaart meer geld en vrije tijd. Zij mochten een deel van het zelfverdiende loon houden, waardoor zij in staat waren te kopen wat zij wilden. Op een slimme wijze wierp de vermaakindustrie zich op de jeugdige consument. Kerken en overheid gingen zich nog meer zorgen maken dan vroeger, die over zoveel loon beschikte. Zij waren er van overtuigd dat de jeugdbeweging onmisbaar was dan ooit om de jongelui van de vrijetijdsbesteding te houden. De kerkelijke patronaten en jeugdverenigingen bleken echter met hun positieve levensvulling niet te kunnen opboksen tegen de moderne commerciële instuiven. Natuurlijk stroomden de patronaten van de ene op de andere dag leeg, maar de belangstelling voor stijldansen, knutselen, wandelen, sjoelbakken en biljarten, een aftandse film en muziek met grammofoonplaat als ook kamperen in de wei verdween gedurende jaren. Niet alleen waren deze vormen van ontspanning achterhaald, de armoedige, verveloze en uitgeleefde verenigingsgebouwen zelf konden het nooit winnen van de luxe, glitter en rijkdom van de nieuwe pleziergebouwen.

Het meest uitvoerig werd in de jaren vijftig gedaan, omdat in dit decennium een aantal ingrijpende wijzigingen in de positie van de jongeren tot stad is gekomen. De zeer sterk groeiende deelname aan onderwijs, grote verschuivingen in de arbeidsmarkt, toenemende consumptieve betekenis van de jongeren etc. Deze processen vormden de achtergrond van verandering in het jeugdleven, de alternatieve gedragsvormen kwamen tot ontwikkeling; in sterke mate ontleend van de Verenigde Staten en tot uitdrukking gebracht in mode( met name de spijkerbroeken). Jongeren uit de arbeidersklasse kwamen tot de nozemstijl in het midden van de jaren vijftig. Vijf jaar later gevolgd door oudere middelbare scholieren en studenten uit de middenklasse. Langzamerhand ontstond zo in de eerste helft van de jaren zestig, samengesteld uit verschillende in de jaren vijftig tot stand gekomen gedragsstijlen

Sokrates klaagde in de 5e eeuw voor Christus al dat 'de jeugd van vandaag van luxe houdt. Hij heeft slechte manieren en verachting voor gezagsdragers, geen respect voor oudere mensen en hij verveelt zich terwijl hij hoort te werken. De jongeren staan niet meer op voor, wanneer de ouderen de kamer binnenkomen. Zij spreken hun ouders tegen, voeren het hoogste woord in het gezelschap, leggen hun benen over elkaar en tiranniseren hun leraren en onderwijzers'. Die tijden zien weliswaar anders dan die van Sokrates, maar jeugd en ouders zijn onveranderd.

Verschil Gezin

De oorlog en zijn nasleep hadden in de ogen van de tijdgenoten de maatschappij uit haar voegen getild en het gezin ontredderd. De Duitse bezetting die zoveel mannen van hun gezinnen had gescheiden. Vooral de buitenechtelijke geboorten en de grote aantal echtscheidingen waren het bewijs dat het gezin op instorten stond. Tot in de jaren 60 was het normaal dat vrouwen huwden, kinderen baarden en voor het gezin zorgden. Zij beschouwden dat zelf ook meestal als hun bestemming in het bestaan. Na het huwelijk was de verdere gang der gebeurtenissen derhalve in hoge mate voorspelbaar. Het werken van gehuwde vrouwen buitenshuis was niet gebruikelijk (in 1960 slechts 7%) en werd ook niet gestimuleerd. Zo werden tot 1957 vrouwelijke ambtenaren als zij trouwden ontslagen. Ook hadden vrouwen nog een grote onderwijsachterstand op jongens en mannen. In 1956 kwam pas een einde aan de juridische handelingsonbekwaamheid van gehuwde vrouwen. Men ging zich realiseren dat de vrouw , ook in de arbeidersgezinnen, heel belangrijk was. Ze zorgde voor een wereld zonder zorgen, zorgde voor nageslacht. Men realiseerde zich dat zij eigenlijk de drijvende kracht was achter het gezin. Zowel binnen als buiten het gezin veranderden de samenlevingsvormen. De algehele ontaarding van maatschappij en gezin bleek ten overvloede uit de algemene danswoede, het acohol-nicotine gebruik, de frivole kleding, de kousloze benen en het strand- en bioscoopbezoek. De opzienbare daling van het gemiddelde kindertal en het langere uitstel van het krijgen van het eerste kind door vrouwen wijst op een afnemende interesse in voortplanting. Ook lijkt een veranderende betekenis van moederschap en een veranderende houding tegenover kinderen in het geding te zijn. Economische en godsdienstige motieven van het krijgen van kinderen zijn verdwenen en anticonceptiemogelijkheden voorkomen ongewenste zwangerschappen.

Ver- Ontzuiling (Kerk)

Na Tweede Wereldoorlog herstelde Nederland de schade. Het leek erop dat de oorlog geen wezenlijke invloed op de verzuiling had uitgeoefend. Nog in 1954 konden de bisschoppen immers hun gelovigen oproepen niet meer naar de VARA te luisteren en hun stem niet op de PvdA uit te brengen. Men spreekt van dit verandering wel van een herzuiling in 1945. Twintig jaar later leek de verzuiling plotseling ineen te zakken. De Nederlander as voor zijn ontspanning en voorlichting niet meer afhankelijk van zijn zuil. Hij kon zichzelf vermaken. Bovendien kwam hij via de televisie in contact met tal van opvattingen die buiten zijn zuil werd gehuldigd. Zowel in het 'roomse zuiden' en 'protestantse noorden' zag men dezelfde televisieprogramma's. De ontzuiling is ook zeer nauw verbonden met de ontkerkelijking. De nieuwe naoorlogse generatie was zelfbewuster, vrijheidsliever, democratischer en vooral ook aardser dan de vorige generaties. Onvoldoende aandacht van zowel de protestantse als rooms-katholieke Kerk voor de nieuwe verwachtingen en denkbeelden van de gelovigen, deed ze massaal de kerkelijke organisaties te verlaten.

Ontkerkelijking en ontzuiling zijn geleidelijke processen en niet uit het niets opduikende revoluties. Zoals voor iedere katholiek de dag kwam dat hij zijn zondagse kerkgang naliet of niet meer op de KVP stemde, zo moet ook voor de rest die dag eens zijn aangebroken. Voor wat de zuil betreft kan dat de grote verkiezingsnederlaag van de KVP bij de Tweede Kamerverkiezingen in 1967 zijn. Anderen laten de ontzuiling beginnen bij de herroeping van het mandement in 1964 of bij de bisschoppelijke erkenning van het recht van elke katholiek zijn eigen culturele, sociale en politieke organisaties te kiezen in 1969. Voor wat de kerk betreft, kunnen de verkiezing van paus Joannes XX111 in 1958 of de benoeming van bisschop Bekkers van 's Hertogenbosch en van aartsbisschop Alfrink van Utrecht tot kardinaal in 1960 als omslagpunt fungeren. Waar in processen van ontzuiling en ontkerkelijking de minderheid tot meerderheid werd, is het goed te beseffen dat de tot minderheid teruggebrachte meerderheid nog steeds bestaat. Van een totale, radicale, abrupte revolutie is nooit sprake.

Verschil Man/vrouw

De vrouwenbeweging in Nederland begon in de jaren zestig voor het eerst duidelijk vorm te krijgen. Tegen het eind van de jaren zestig zou ze alweer zijn ingekapseld in een instituut als Man-Vrouw-Maatschappij. De NVM zette zich in die jaren in voor de emancipatie van vrouw én man. Dat was weer anders met de in '69 afgesplitste vrouwen, de Dolle Mina's. Zij gaven het feminisme in Nederland weer handen en voeten. Vooral in de helft van de jaren zestig ontbrandde een strijd om de heilige huisjes van de mannenmaatschappij. Onder druk daarvan wankelde het traditionele rollenpatroon. Vrouwen betraden aarzelend de werkvloer en mannen stonden niet minder onzeker achter het fornuis of zeulden met kinderen. Er werd gedemonstreerd voor gelijk loon voor mannen en vrouwen, praatgroepen werden opgericht en vrouwencafés ontstonden massaal. Er waren mannen die met verbijstering, zo niet met afgrijzen zagen hoe hun vrouw steeds meer mans werd. Voor mannen is er weinig verschil . Aan het einde van een opleiding zoekt men een baan en hun hele verdere leven blijven ze werken, ongestoord door veranderingen in het huwelijk of in het gezin. Eind jaren zestig vertaalde de vrouwenemancipatie zich ook in de mode. Er verschenen damesbroeken op de markt met een echte gulp van voren, Bh's raakten 'uit' en werden soms zelfs in het openbaar verbrand. De actiebereidheid van de Dolle Mina's werd steeds groter. Trouwen werd in de roerige jaren steeds minder vanzelfsprekend en het aantal echtscheidingen werd steeds groter. Ook homofiele relaties werden meer zichtbaar.

Conclusie

Dus kunnen we stellen dat er een trendbreuk plaats vond in de jaren 60?

In mijn ogen kan niet echt van een breuk gesproken worden. Het woord breuk suggereert namelijk dat de situatie van het ene op het andere moment veranderde. Dat is hier niet het geval. Het gaat om een proces van jaren, wat er uiteindelijk toe heeft geleid dat er in de jaren '60 het een en ander veranderde op het gebied als de politiek, economie en de positie van de kerk. Ook de positie van de jongeren en vrouwen veranderde in de loop der jaren. De jaren vijftig wordt vaak gezien als de ''brave jaren'' en de jaren zestig als de ''roerige jaren''. De veranderingen begonnen echter al in de jaren vijftig. Uiteraard waren die niet zo sterk als in de jaren zestig. Op politiek gebied staan de jaren vijftig vooral in teken van Willem Drees. Zeer bekend werd zijn Ouderdomswet, die we vandaag de dag nog kennen. In de jaren zestig vond wel verandering plaats in het politieke systeem, maar daar had Drees zich al voor ingezet in de jaren vijftig. Economisch gezien waren de jaren '50 al bijzondere jaren. Er was al sprake van een sterk groeiende werkgelegenheid en hoge toekomstverwachtingen. In de jaren zestig groeide het alleen steeds meer. Jongeren gingen een belangrijke rol spelen in de jaren zestig, maar de stappen waren al gezet in de jaren vijftig (nozems). De jongeren wilde dat ze meer invloed kregen en beschikten over steeds meer geld. De positie van de vrouw verbeterde al in de jaren vijftig, door de opheffing van de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw. De kunst in de jaren zestig vertoonde weliswaar nieuwe elementen, maar waren niet baanbrekend.

Ontkerkelijking en ontzuiling zijn geleidelijke processen en niet uit het niets opduikende revoluties. Van een breuk met de jaren zestig was er geen sprake. Het was in de jaren vijftig al begonnen, alleen de jaren de die volgden maakten het af.

Kortom, er is geen sprake van een 'breuk' of 'kloof' in de jaren zestig ten opzichte van de jaren vijftig.

Bronvermelding

Bronnen

  • Het wonder van de wederopbouw - Henk Nieuwenhuijs
  • De jaren vijftig in Nederland - Jeroen Benders
  • ' Kijk naar jezelf', herinneringen aan de jaren 50 - Rolf Boost
  • Geschiedenis van Nederland - Lieke Mulder
  • Thuis in de jaren vijftig - Marianne Grunell
  • Jong in de jaren '50 - Chris in 't Veldt
  • De jaren zestig - Doris Wintgens Hötte
  • De wereldwijde jaren zestig- Hans Righart
  • Studentenprotest in de jaren zestig- Louis Vos
  • Nederland in de jaren zestig - Bernard van den Berg
  • Het jaren '60 boek - Paul Brood
  • Het jaren '50 boek - Paul Brood